Slauerhoff achterna

Sipko Melissen, Jonge mannen aan zee. Roman, Querido, 271 blz., 334,90
DE EERSTE roman van Sipko Melissen (na diens dichtbundel Gezicht op Sloten) heet Jonge mannen aan zee en vertelt de geschiedenis van twee jongens, een schilder en een model. De twee jongens zijn Wilhelmus David van der Vaart, zeg maar Helm, en Andreas Achterberg, de schilder is Max Beckmann en het model is de vrouw die staat afgebeeld op Beckmanns schilderij Dame met grijze capuchon.

Jonge mannen aan zee zweeft een beetje tussen een onaangenaam en irritant jeugdherinneringenverhaal en een vaardig opgezette en boeiend vertelde psychologische roman in. Melissens stijl is niet vreselijk opvallend, hij moet het vooral hebben van een intelligente compositie en een sfeervol neergezet verhaal. Hij schrijft nogal droog, erg droog eigenlijk, en is vergeten de broodnodige humor toe te voegen aan een roman die soms snakt naar enige lucht en luchthartigheid.
De roman is opgebouwd in drie delen, die elk naar een schilderij van Max Beckmann zijn genoemd: ‘Jonge mannen aan zee’, 'Dame met grijze capuchon’ en 'Argonauten’. Het sterke van Melissen is dat hij die schilderijen werkelijk een plaats geeft in een sterk, bijna spannend verhaal. Dat verhaal verloopt langs lijnen van onzekerheid, die van verteller en hoofdpersoon Helm om precies te zijn. Voor het echt op gang komt, moeten er eerst wat hobbels worden genomen.
Jonge mannen aan zee opent met de begrafenis van Helms vader, die zeer godvruchtig ter aarde wordt besteld. Voor Helm is dat aanleiding voor bespiegelingen over het christelijke karakter van zijn verleden. En dan komt Andreas binnen, Helms gewezen boezemvriend. Andreas en hij groeiden samen op in het polderlandschap van Midden-Nederland, in de jaren na de oorlog. Als twee echte jongens haalden ze kattekwaad uit. Maar er was meer aan de hand, dat wordt ook duidelijk door de manier waarop Helm gespannen raakt door de aanblik van Andreas op de begrafenis: 'Voor wie was hij hier gekomen? Zat hij hier om zijn dankbaarheid te tonen jegens de man die zijn autoriteit als fabrieksdirecteur had ingezet om te bewerkstelligen dat Andreas zijn studie gewoon zou vervolgen? Of wilde hij de bewoners van het veengebied, die verontwaardigd waren geweest dat hij een meisje zwanger had gemaakt, met zijn grote BMW en glanzend zijden pak verblinden? Of was hij gekomen voor mij en zou hij na de maaltijd opstaan, uit de binnenzak van zijn jasje een pistool tevoorschijn halen en dat op mij richten?’
DE TWEE jongens zijn ondertussen mannen geworden. Nadat ze hun verlegenheid hebben overwonnen, informeren ze naar elkaars huidige leven, en grinniken af en toe om het verleden, om de stupide boeren die de streek van hun jeugd bevolken. Nee, ze zijn niet meer wie ze zijn geweest. Andreas woont in het buitenland, in Hamburg, met vrouw en zoon, en Helm doet iets met entartete schilders, vooral met Beckmann. 'We lachten, bijna verontschuldigend, als twee onbekenden in een treincoupé die net iets te lang naar elkaar hebben zitten staren. Wie was hij geworden, hij die Slauerhoff achterna had gewild, en in Singapore had gewoond? Gaaf was hij gebleven, maar misschien onuitstaanbaar geworden. De boeren had hij uitgeschakeld, nu moest ik er misschien nog aan.’
Van de romantische verlangens van vroeger is niet veel terechtgekomen. Niemand ging Slauerhoff achterna, Hamburg was ver genoeg.
De ontmoeting met Andreas zet een reeks herinneringen in gang aan het gedeelde polderverleden. Dat was niet mis: er broeide van alles tussen Helm en Andreas, met name in het genre Ontluikende Jongensliefde - maar dan wel van één kant. Met terugwerkende kracht wordt aan die jongensjaren een onderstroom van gebronsde lichamelijkheid en hijgende jongenslippen toegevoegd: 'We komen bij een open veld. Bundels afgesneden riet liggen aan de rand hoog opgetast. Het besef dat hier wel eens mensen komen verhoogt de spanning. (…) We staan tegenover elkaar. De zon schuin boven ons. Een spanning die door taal opgeheven zou kunnen worden, maar we spreken niet. Ik hoor Andreas ademen door de neus. (…) We rollen over elkaar. Hij drukt mij tegen de grond en mijn rug wordt nat. Ik voel zijn zwembroek tegen de mijne schuren. We staan op en met zijn ene hand pakt hij mijn pols beet en met de andere grijpt hij in mijn kruis. Hij lacht. Zijn lichaam lacht. Ik probeer ook hem te grijpen, maar hij weet mij van zich af te houden. Dit is een spel, een onschuldig spel waarbij niet gesproken wordt, in een niemandsland. (…)
Deze middag stond in mijn geheugen gegrift, alsof het moment waarop Andreas mij tegen de rieten wand had geduwd, voor altijd stil was blijven staan. Er moest iets gebeuren. Andreas bewoog zich niet. Hij stond door de knieën gezakt, de spieren gespannen, het bovenlijf gekromd, alsof hij mij aan zou vallen. Ik hoorde hem ademhalen door de neus. Met open ogen en staande was hij in slaap gevallen. Ik stond als verlamd. Ineens trok er een grijns over zijn gezicht; hij draaide zich om en rende brullend naar het water.’
Wat zou er gebeurd zijn met Andreas? Heeft het jongenswonder zich aan hem voltrokken? Heeft hij ongemerkt zijn gloeiende zaad geplengd? We zullen het nooit weten.
NET ALS HET vervelend dreigt te worden, net voor de roman dreigt weg te zakken in slappe jongensromantiek met veel door de neus ademhalen en tegen elkaar schurende zwembroekjes, weet Melissen de boel te redden door zijn tweede verhaallijn te ontrollen - gode zij dank. Wat wil het geval namelijk? Het geval wil dat Helm steeds verder in Beckmann duikt, Max Beckmann, de entartete schilder die Duitsland ontvluchtte om in Amsterdam te gaan wonen. Beckmann hield van die stad en werkte er veel. Naarmate Helms studie van Beckmanns leven en werk hem meer in beslag neemt en verder uitgroeit tot een heuse obsessie, wordt de roman interessanter. Helm tracht het leven van 'zijn’ schilder te reconstrueren, en vooral de tijd in Amsterdam tot in details uit te vlooien. Katalysator daarbij is het schilderij Dame met grijze capuchon.
Helm duikt de dagboeken van Beckmann in, en daar wordt het ook weer interessant. Stilaan beginnen de twee levens parallel te lopen en raken de twee tijden met elkaar verbonden, het heden van Helm en het verleden van Beckmann. De verbinding tussen die twee wordt - o mysterie! - gevormd door de dame op het schilderij, die Helm zeer goed blijkt te kennen. Dan blijkt dat zijn moeder in de oorlog een andere rol heeft gespeeld dan hij altijd aannam. Vanaf dat moment gaat hij op zoek naar dat 'verhaal’: 'Zou het waar zijn wat Andreas dacht? Had zich in de polder iets afgespeeld waar wij niets van wisten? Zat er achter het stippellijntje tussen Amsterdam en Mijdrecht een verhaal dat zo goed als verdwenen was en waarvan op de boerderij van oom Jaap nog enkele vage resten rondzwierven die Andreas op het spoor aan het komen was?’
Sipko Melissen weet uiteindelijk, ondanks zijn zomerstoffige schrijfstijl, de lezer mee te voeren naar dat verborgen verhaal, en weet zelfs spanning te creëren aan het einde van zijn eerste, dus toch geslaagde, roman.