Kunst: Theo Jansen

Slaven van de evolutie

Animaris Mulus © Theo Jansen

De strandbeesten van Theo Jansen kunnen nog steeds niet zonder hun maker. Toch planten ze zichzelf voort en veroveren ze langzaamaan de wereld. ‘De kunst is het kunnen onder de knie te krijgen.’

Het begon pas echt met de Animaris Currens Ventosa, een strandbeest met 48 poten en twee grote vleugels, die eigenlijk te zwaar waren voor het beest. Theo Jansen, uitvinder-kunstenaar uit Den Haag, bouwde het wezen in 1993. Het zou slechts één dag op het strand lopen, en niet eens van harte, maar wát een wandeling werd het.

De Currens Ventosa was niet vooruit te branden, want er stond bijna geen wind. Ook de opkomende vloed dreigde roet in het eten te gooien. In een korte video staat Jansen buiten beeld aan de vleugelpennen te trekken en duwen. Lopen deed het beest alleen doordat het met een dun touwtje werd voortgetrokken. Net buiten beeld stortte het in onder het gewicht van zijn vleugels.

Maar de video was er. ‘Het beeld van de lopende en wapperende Currens Ventosa maakte de weg vrij voor andere strandbeesten’, vertelt Jansen telefonisch vanuit zijn werkplaats in Ypenburg. Met de video kreeg hij subsidie van het Fonds BKVB (nu Mondriaan Fonds) en het beest werd aangekocht door de gemeente Delft. ‘De Currens Ventosa werd het boegbeeld van de strandbeesten.’

Jansen (1948) had toen al enige bekendheid als columnist van de Volkskrant. Onder de titel Reflectie schreef hij vanaf 1986 22 jaar lang stukjes voor de wetenschapsbijlage, over zaken die hem bezighielden, ‘technische ideetjes, fantasieën of filosofietjes’. Inwoners van Delft hadden ‘de grote fantast’, zoals zijn latere biografie zou gaan heten, al in 1980 leren kennen. Op 7 april dat jaar vloog er een ongeïdentificeerd voorwerp, volgens een agent ‘ter grootte van de kernreactor hier in Delft’, over de stad, die met een ‘enorme snelheid, kaarsrecht omhoog’ in het wolkendek verdween.

Vanaf een heuveltje in het Elsenburgerbos, een park aan de Lange Kleiweg, had Jansen een ufo opgelaten: een met helium gevuld gevaarte, vier meter in doorsnede, dat lichtsignalen gaf en piepte. Eerdere pogingen mislukten en ook hierna ging er veel mis. Dan steeg hij bijvoorbeeld veel te snel, zoals die keer in Parijs, toen het ding veel te hoog over Centre Pompidou vloog – Jansen droomt graag groot. Boven Delft zat het een keertje mee en liftte de ufo heerlijk mee op de wind.

De ufo was Jansens point of no return. Halverwege de jaren zeventig had hij een punt achter zijn studie technische natuurkunde in Delft gezet, omdat hij liever kunstschilder wilde worden. Dat vlotte nog niet echt, maar de ufo veranderde alles. Hij ervoer hoe het is om levens op te schudden, mensen verbaasd te doen staan door iets wat ze niet begrijpen. Vanaf dan is hij echt kunstenaar en is zijn thematiek: de kunst van het ontsnappen. Het ontsnappen aan; wat hij noemt, ‘de kramp van het niet kunnen’.

De strandbeesten begonnen als een column in de krant. Onder de kop ‘Strandlopers’ schrijft hij op 24 februari 1990 over hoe duinen altijd even hoog blijven, in tegenstelling tot de zeespiegel, die alleen maar stijgt: ‘De vraag is dus: hoe krijgen we meer zandkorrels op de duinen? Er zouden eigenlijk beesten moeten bestaan die op het strand permanent veel zand losmaken en het vervolgens in de lucht gooien, waardoor het naar de duinen waait.’ Om dat te bereiken, schrijft hij, heeft hij twee beesten bedacht, de ‘dwarse strandroller’ en de ‘duingraver’, die net als bevers in de Biesbosch het ecologisch evenwicht op het strand moeten beïnvloeden. ‘Ze zijn gemaakt van elektriciteitsbuis, satéstokjes en plakband, en halen hun energie uit de wind; hoeven dus niet te eten.’

Sindsdien bepalen de strandbeesten Jansens leven: ‘Meer dan ik ooit had gedacht, toen ik voor het eerst een stukje over ze schreef. Ik ging destijds verder met andere projecten, maar ben op een zomerse dag in september toch naar de Gamma gefietst, heb er wat elektriciteitsbuizen gekocht en ben ermee gaan rommelen tot ik een soort visioen had: zo moet het, zo zien ze eruit. Ik gaf mezelf een jaar om eraan te werken. Het zijn er inmiddels bijna dertig.’

De sauriërachtige constructies kunnen echt lopen. Ooit zullen ze onze kustlijn veiligstellen

Al die jaren bouwt Jansen gestaag aan zijn evoluerende populatie van strandbeesten, opgetrokken uit elektriciteitsbuizen met die typische, kaasachtige gele kleur, die de beesten onmiskenbaar Hollands maakt – in Duitsland zijn dit soort pvc-buizen grijs, in de VS gebruiken ze metalen buizen. De sauriërachtige constructies kunnen echt lopen, op poten, aangedreven door de wind. Ooit zullen ze onze kustlijn bevolken en veiligstellen. Al heeft dat laatste allang geen prioriteit meer: ‘Ik raakte steeds meer in de ban van de evolutie, ging steeds meer op zoek naar de wortels van het bestaan. Dat vond ik op dat moment toch belangrijker dan Nederland redden, ha ha.’

Jansen heeft altijd gezegd dat hij zijn geesteskinderen ooit de deur uit zal schoppen, zodra ze de gevaren op het strand aankunnen. ‘Uiteindelijk wil ik een strandbeest dat zelf kan overleven, dus dat ze, wanneer ik de planeet verlaat, als een nieuwe diersoort kunnen voortbestaan. Op dat moment kan ik met een gerust hart sterven, als ik de zekerheid heb dat ze zich zullen redden. Dat is mijn utopia.’

Animaris Mulus met Theo Jansen © Divera Jansen

Maar zo ver is hij nog altijd niet. Pas in 2004 werden de strandbeesten sterk genoeg om ze alleen te laten in de wind. En dan stonden ze altijd nog vastgepind met een haring. Ze zomaar loslaten is er dus niet bij. ‘Ik moet ze nog steeds veel helpen. Vooral storm en zand zijn nog heel vijandig. Al begint zand nu aardig overwonnen te worden. Sinds een aantal jaren focus ik me op strandbeesten in de vorm van rupsen, die hebben geen draaiende gewichten, dat scheelt. Ik ben nu een soort aan het ontwikkelen die zichzelf elk halfuur omhoog tilt en het zand van zijn voeten schudt. Zo voorkomt hij dat hij door de wind ingegraven raakt.’

Het strandbeest is al van ver gekomen. De Animaris Vulgaris uit de begintijd is bijvoorbeeld nooit in staat geweest om te staan. Hij kon zijn poten uitsluitend bewegen als hij op zijn rug lag. Jansen werkte er een jaar aan. Het plakband dat hij gebruikte om verbindingen te maken was niet stijf en sterk genoeg, waardoor de gewrichten het lijf niet konden dragen. Dat veranderde door de komst van de tiewrap. Ook begon hij de computer in te zetten als gereedschap om strandbeestpoten te maken.

‘Op zand blijken poten efficiënter dan wielen’, legt Jansen uit. ‘Het voordeel van wielen is dat ze niet hobbelen, de as blijft op constante hoogte, dat scheelt energie. Maar poten slaan stukken aarde over, ze stappen eroverheen. Daarom kun je op zanderige gronden beter poten hebben dan wielen.’ Het idee voor het mechanisme van de uiteindelijke poot ontstond in een nacht in 1991: een bovenbeen en onderbeen, van pvc-buizen natuurlijk, die bij iedere stap een roterende beweging maakt waardoor de as op dezelfde plek blijft. De computer berekende de ideale lengteverhoudingen. ‘Na vijfduizend jaar heb ik het wiel opnieuw uitgevonden’, zegt Jansen in zijn TED Talk in 2007.

In de loop van de jaren ontwikkelden de strandbeesten zelfs een zenuwstelsel. ‘Dat is eigenlijk puur een schakelsysteem dat werkt op perslucht’, zegt Jansen. ‘Wind blaast lucht in petflessen, die spieren en zintuigen aansturen. Dat is overigens op zich niet nieuw. De Russen waren al in de jaren vijftig bezig met door lucht aangedreven computers.’

Hierdoor opende zich een heel nieuwe wereld. ‘Spieren’ konden kranen openzetten waarmee andere ‘spieren’ geactiveerd werden. Die konden weer ‘zintuigen’ aansturen, voelsprieten, stormvoelers en watervoelers, om te voorkomen dat ze de zee inliepen. Zodra die water oppikten, liepen de strandbeesten terug, de andere kant op.

Jansen wist met zijn uitvindingen zelfs de nieuwsgierigheid van Nasa te wekken. Zomer 2016 kreeg hij zomaar een mailtje van Nasa-ingenieurs van het Jet Propulsion Laboratory in Pasadena. Of hij wilde meedenken over een missie naar de planeet Venus, een zeer lastige plek om voet, of wat dan ook, aan land te zetten. Het is er heet en donker en de atmosferische druk is er zo hoog dat elektronica het niet lang volhoudt.

Jansen vloog ernaartoe, kreeg rondleidingen langs de Marslanders, gaf lezingen en deed mee aan brainstormsessies. Hij probeerde de Amerikanen vooral warm te maken voor zijn Animaris Mulus, een meterslange heuphoge constructie van honderden elektriciteitsbuizen, die zich in een golfbeweging, als een rups, voortbeweegt. ‘De rups is in staat om zeer ruw terrein te doorkruisen’, zegt Jansen. ‘Je beschikt als het ware over twee grote tractorwielen, waarvan de bovenkanten ontbreken, dus dat scheelt veel gewicht. Het zwaartepunt is erg laag, waardoor hij niet snel omvalt, en je kunt hem oprollen, zodat hij in de space-capsule past.’

Het is onduidelijk, ook voor Jansen zelf, hoe ver Nasa met de Venuslander is, en of zijn ideeën erin verwerkt zijn. ‘Ik heb daarna nog een hele tijd contact gehouden, elke keer als ik iets nieuws had bedacht, liet ik dat aan hen zien. Maar het is nu al een tijdje stil.’ Ondertussen figureerden Jansen en zijn strandbeest wel in een aflevering van The Simpsons en recent is een variant op zijn strandbeesten opgenomen in de game Last Oasis.

Het worden er meer en meer, en ze blijven evolueren. Sinds Jansen een instructiefilmpje op zijn website heeft gezet, zijn er honderden studenten over de hele wereld die zijn beesten maken, in allerlei varianten, volledig in hout of in bamboe, en ook veel 3D-geprinte versies. Jansen: ‘Het is interessant hoe die beesten die studenten misbruiken om de soort in stand te houden. Door hen te besmetten met het strandbeestenvirus. Zo planten ze zichzelf voort. De strandbeesten gebruiken de mensheid om zich voort te planten.’

Jansen ziet zijn eigen rol ook zo: ‘Het is echt een evolutieproces. Ik verleen hand-en-spandiensten. Maar de buisjes beslissen wat er werkt en wat niet. Ik ben in feite slaaf in hun evolutie. Of hun werknemer.’ Van een idee iets maken, dat is een kronkelig pad, legt Jansen uit. ‘Het draait om de mutaties. Negentig procent van de mutaties zijn nergens goed voor, die dienen alleen maar om van te leren. In mijn werk mislukt veel, maar daar raak je aan gewend, gek genoeg. De kunst is het kunnen onder de knie te krijgen, irrationeel optimisme biedt daarbij uitkomst.’