Interview Prof. dr. H.L. Wesseling

«Slavenhandel is iets anders dan genocide»

Prof. dr. H.L. Wesseling bespreekt in zijn nieuwe boek over Europees imperialisme het overzeese gedrag van de koloniale mogendheden in de negentiende eeuw. «Nederland was in die tijd weliswaar een koloniale reus, maar politiek gezien een dwerg.»

Nederland imperialistisch? De gereformeerde minister-president Abraham Kuyper wilde er rond de vorige eeuwwisseling niets van weten. Hoe kon een land dat zo klein was nu imperialistisch zijn? Dat was «de ongerijmdheid zelve», reageerde Kuyper op opmerkingen van mensen die de vergelijking maakten tussen de Britse rol in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en het Nederlandse optreden in de Atjeh-oorlog. Imperialisme was louter een zaak van de grote mogendheden, vond hij.

Professor H.L. Wesseling, emeritus hoog leraar contemporaine geschiedenis en voormalig directeur van het Leidse Instituut voor de Geschiedenis van de Europese Expansie, is het met Kuyper eens. Althans, in zijn nieuwe boek Europa’s koloniale eeuw (Bert Bakker, 2003) onderschrijft hij de stelling dat Nederland zich niet heeft ingelaten met modern imperialisme, zoals de Britten en de Fransen. «Als er al territoriale expansie was, dan was die om zo te zeggen onzichtbaar», schrijft Wesseling na het citaat van Kuyper. «De Nederlandse expansie richtte zich niet op nieuwe gebieden, maar op de handhaving en versteviging van de bestaande invloedssfeer in Nederlands-Indië.»

De opmerkingen van Wesseling waren tegen het zere been van Maarten Kuitenbrouwer, historicus te Utrecht en ruim vijftien jaar geleden na de publicatie van zijn proefschrift — waaraan Wesseling het Kuyper-citaat ontleent — de grote roerganger van het imperialismedebat. Kuitenbrouwer concludeerde indertijd dat het Nederlandse imperialisme fundamentele overeenkomsten had met het Britse imperialisme. Aanvankelijk werd deze stelling door Wesseling in een bespreking van het proefschrift krachtig bestreden, maar in latere bijdragen, vooral in Engelstalige periodieken, deed hij — evenals Kuitenbrouwer zelf — wat water bij de wijn.

Vele jaren later komt Wesseling nu terug op de discussie en blaast hij zijn eerdere standpunt nieuw leven in. Heeft Wesseling van de Historikerstreit uit de jaren tachtig dan niets geleerd? Was Atjeh volkenrechtelijk gezien niet een onafhankelijke staat toen Nederland daar in 1873 een bloedige oorlog ontketende? «Nu heeft Wesseling natuurlijk het volste recht op zijn eigen standpunt», schrijft Kuitenbrouwer in het Historisch Nieuwsblad, «maar hij had wel kunnen vermelden dat de meeste Nederlandse historici daar inmiddels anders over denken.» Zelfs een Leidse historicus als Jan Bank zou inmiddels hebben geconcludeerd dat er zoiets als Nederlands imperialisme heeft bestaan.

«Het komt erop neer dat ik nog de enige ben die in mezelf gelooft!» lacht Wesseling op zijn werkkamer in de bossen van Wassenaar. «Ik heb Kuitenbrouwer een beleefd briefje gestuurd waarin ik hem schrijf dat de juistheid van de opvatting niet per se afhankelijk is van het aantal mensen dat die opvatting aanhangt. Dat is toch zo?

Kijk, imperialisme veronderstelt een soort expansiepolitiek. De Nederlandse politiek in de negentiende eeuw draaide eerder om contractie dan om expansie: wij wilden slechts Nederlands-Indië bij elkaar trekken. Zuid-Afrika speelde geen rol meer, Sri Lanka en Maleisië waren weg en we hadden Ghana verkocht. We zochten naar een zo praktisch mogelijke oplossing, zonder grandeurpolitiek. Het voornaamste doel was specerijen halen en die verhandelen. Nederland is een vrij klein land en wilde op pragmatische wijze met relatief weinig mensen dat grote rijk controleren en onlusten vermijden.»

Neem de Conferentie van Berlijn in 1884 en 1885, waarbij Afrika werd verdeeld. Nederland deed daar niet mee. Wesseling: «Er bestaat een fantastisch boeiende instructie uit die tijd van onze minister van Buitenlandse Zaken aan zijn gezant in Berlijn. De gezant wilde weten wat hij op de conferentie moest doen. Nederland was immers de grootste handelsnatie in de Kongo en had gemakkelijk het een en ander kunnen claimen. Maar de minister schreef expliciet dat het Nederland alleen ging om Indië. Daar hadden we onze handen vol aan. We moeten heel voorzichtig zijn, scheef hij, want hier op ons eigen continent hebben we altijd het gevaar van onze grote buur Duitsland en in Indië zitten we met de Engelsen. De diplomatie werd gedreven door neutraliteit enerzijds en tot iedere prijs goede omgang met de Duitsers en de Engelsen anderzijds. Het was zaak behoedzaam te laveren. Nederland was in die tijd weliswaar een koloniale reus, maar politiek gezien een dwerg.»

En de expansie in Nederlands-Indië? En Atjeh? Is dat dan geen imperialisme? «Stel, je sluit op Borneo een verdrag met een vorst. Hij tekent een verklaring waarmee hij aangeeft dat hij het Nederlandse bestuur aanvaardt. Dan kun je zeggen: dit is Nederlandse expansie op Borneo. Maar de archipel was internationaal al min of meer erkend als Nederlandse invloedssfeer. Dit was dus geen expansie, maar het versneld invullen van een machtssfeer die al veel eerder was gecreëerd. Natuurlijk was deze invulling een reactie op het imperialisme van andere landen, maar het bleef bij deze pogingen om min of meer aanwezig gezag te effectueren. Logisch, want Nederland was een have en veel andere landen waren have-nots. Wij hadden genoeg. Wij waren, om met Bismarck te spreken, een saturierte mogend heid.

Als alle andere koloniale machten hetzelfde hadden gedaan als Nederland, dan had je in de negentiende eeuw niet die massale uitbreiding van de Europese mogendheden in de wereld gehad. Er zaten Nederlanders in de Kongo, er zaten Nederlanders in West-Afrika, maar kolonies zijn het niet geworden. Er werd handel gedreven en er zijn wat mensen blijven hangen. Nooit heeft Nederland een stuk van Afrika ingelijfd. Als geen enkel land dat had gedaan, dan was alles in de oude invloedssferen blijven hangen. Maar dat gebeurde niet. Iedereen deed mee: Britten, Fransen, Duitsers, Portugezen, Italianen. Zelfs Leopold II, koning der Belgen.»

De excessen in Leopolds Kongo Vrijstaat komen ruim aan bod in Wesselings vorige grote werk over de koloniale periode, Verdeel en heers: De deling van Afrika 1880-1914 (Bert Bakker, 1991). Het nieuwe boek schreef hij in opdracht van een prestigieuze Britse uitgeverij. Wesseling: «Ik had er aanvankelijk geen zin in, maar het is een beetje dwaas om op zo’n aanbod nee te zeggen. Ze vroegen om een boek over de European Empires. Pas na een tijdje begreep ik dat ze bedoelden: een boek over alles behalve het Britse rijk.» In de Nederlandse editie van het boek heeft hij de Britten wél meegenomen, zo een compleet beeld schetsend van de Europese koloniale mogendheden.

Een vervolg op Verdeel en heers is het boek niet. Het is minder een leesboek en meer een overzichtswerk, erkent Wesseling. Niettemin is zijn werk ook nu weer ruimhartig gelardeerd met vaak even hilarische als schokkende anekdotes over de bokkensprongen van Europese kolonialen overzee. Toch is het serieuzer, vindt hij. «Verdeel en heers heb ik wel mijn jongensboek genoemd. Paul Kruger, Gordon, Baden Powell — eigenlijk zijn het alleen maar halvegaren die erin voorkomen. Daarom heb ik er zoveel plezier aan gehad. Het nieuwe boek is totaal anders.»

Voor de inleidende hoofdstukken over «langetermijnontwikkelingen» liet Wesseling zich inspireren door de vermaarde Franse historicus Fernand Braudel. Via «mensen», «goederen», «machten» en «ideeën», leidt Wesseling de lezer langs de demografische geschiedenis, de economische geschiedenis, de politieke geschiedenis en de cultuurgeschiedenis. Aan de hand van deze entiteiten poogt hij de verschillende koloniale machten met elkaar te vergelijken. Overigens geheel volgens de Leidse mores zonder een moreel oordeel te willen vellen. Niettemin durft hij de stelling aan dat het bepaald geen pretje was door Portugezen gekoloniseerd te worden. En de slavenhandel, dat vindt ook Wesseling «een dieptepunt». Maar al met al blijft het lastig de ene kolonisator te vergelijken met de andere.

Wesseling: «Het is moeilijk generalisaties per land te maken. Maar je hebt wel donkere perioden in de geschiedenis. Neem de Kongo in de tijd dat die nog particulier bezit van de Belgische koning was. Het was geen gezochte ellende, maar het liep domweg volkomen uit de hand. Dat geldt ook voor de slavenhandel. Die heeft in de Afrikaanse wereld niet onbegrijpelijk en niet ten onrechte de betekenis van een lieu de mémoire gekregen. Enkele jaren geleden bezocht ik het slavenfort Elmina in Ghana. Natuurlijk wordt het daar voor de toeristen allemaal wat aangedikt, maar het is toch werkelijk een huiveringwekkende zaak geweest.»

Nazaten van de slaven spreken over «genocide» en over de «zwarte holocaust». Wesseling maakt tegen dit soort vergelijkingen bezwaar. «Handel is handel. Hoe immoreel het ook mag zijn, je gaat niet slaven kopen om ze vervolgens te vermoorden. Dan vernietig je je eigen handel. Ik begrijp de propagandistische waarde van dit soort uitspraken wel, maar de slavenhandel is toch werkelijk iets anders dan genocide. Hoeveel doden er ook zijn gevallen, dit was echt niet de bedoeling.»

Terug naar die Portugezen. De Leidse historicus heeft twee theorieën. «Gekoloniseerde volken hebben de neiging de voorlaatste kolonisator te prijzen en de laatste van alles de schuld te geven», concludeert hij. «Dat viel me altijd op in Sri Lanka. Ooit was dit een Nederlandse kolonie en nog altijd heb je daar mensen die heel trots zijn op die Nederlandse verwantschap. Het beeld van het Nederlandse Ceylon is vooral positief. Daarna hebben ze vooral met de Britten te maken gehad. Hetzelfde geldt voor Brazilië. De Hollandse tijd wordt daar gezien als een soort glorietijd. Er was weliswaar wat kritiek op Maurits van Nassau, maar nu wordt hij verheerlijkt. Alles beter dan de Portugezen die na ons kwamen.»

De andere theorie vindt Wesseling ook zelf plausibeler klinken. «Europeanen achtten Portugal zelf in die tijd niet veel hoger dan een kolonie. Het was een soort ontwikkelingsland met een bar slechte reputatie: katholiek, corrupt, protectionistisch en eigenlijk gewoon achterlijk. Vergeleken met het progressieve, geïndustrialiseerde en internationaal georiënteerde noorden van Europa, bleven de Portugezen maatschappelijk ver achter. De afstand tussen de Portugezen zelf en de oorspronkelijke inwoners van hun koloniën was ook niet zo groot. Er was relatief veel migratie en er werd veel onderling getrouwd. Een strikte scheiding tussen blank en zwart was er niet. Maar Portugal heeft nooit het vermogen gehad de kolonie te ontwikkelen. Het was een arm land zonder grote bedrijven die in een kolonie konden investeren. Het beperkte zich tot arme boertjes en het uitdragen van het evangelie.»

Nee, dan de Engelsen. Wesseling: «Zij hebben de reputatie de elite van Europa te zijn. De Duitsers en de Fransen probeerden dat te kopiëren. Ik heb vrij veel contacten met historici uit India. Zij hebben meestal in Cambridge gestudeerd en zijn daar buitengewoon trots op. Ze zijn niet kritiekloos, maar zien wel vooral dit soort voordelen van het gekoloniseerd zijn. Je moet het de Engelsen nageven: ze streefden altijd naar min of meer fatsoenlijk bestuur. Ze wilden bovenal geen gedonder.

De Fransen waren veel dwingeriger. Zij wilden de kolonie naar hun beeld en gelijkenis veranderen. Daar staat weer tegenover dat veel Afrikanen in Frankrijk hebben gestudeerd. Toen ik in 1954 op zeventienjarige leeftijd naar Parijs ging, had ik nog nooit, laat ik zeggen, een neger gezien. Op een paar Indo-Europeanen en een handvol Surinamers na, was Nederland een buitengewoon homogene samenleving. De Fransen waren geneigd Afrikanen die voldoende verfranst waren gewoon mee te laten doen. De eerste president van Senegal, de dichter Senghor die in de klas had gezeten met Georges Pompidou, is uiteindelijk zelfs lid geworden van de Académie Française. Compleet geïntegreerd dus, veel meer dan in de Nederlandse koloniën.

De Portugezen klampten zich ondertussen het meest hardnekkig vast aan hun koloniale bezit. Pas in 1975 werden Angola en Mozam bique zelfstandig, terwijl de rest van Afrika al zo’n tien jaar op eigen benen stond. Typerend is een verhaal van Pierre Messmer, onder De Gaulle enige jaren de Franse premier. Hij moest langs bij de Portugese president Salazar en vroeg: ‹Ziet u niet in, excellentie, dat ook Portugal eens van die koloniën af zal moeten? Wij hebben het gedaan, de Britten zijn ervan af, de Nederlanders… u bent de enige nog. Waarom houdt u zo hardnekkig vast aan iets dat toch onhoudbaar is?› Salazar antwoordde: ‹Frankrijk zonder koloniën is nog altijd Frankrijk, maar Portugal zonder koloniën is niks.› En inderdaad, het was het enige gewicht dat Portugal in de wereld kon inbrengen. Men teerde op Vasco da Gama, op de glorie van de ontdekkingsreizen.»

In de conclusie van zijn boek probeert Wesseling een economische balans op te maken. Hebben kolonisatoren geprofiteerd van hun koloniën? Het is moeilijk met een eenduidig oordeel te komen, zegt hij. Voor Nederland geldt dat na de onafhankelijkheid van Indonesië de economische groei groter werd dan ooit tevoren. «Misschien is ons land dus wel geremd door die kolonie. Zweden en Noorwegen hebben nooit koloniën gehad en draaien prima. Of neem Zwitserland. Dat was in de negentiende eeuw een straatarm land met huurlingen als enige exportproduct. De voorwaarden voor ontwikkeling waren vergelijkbaar met die van Tsjaad nu. Zwitserland had geen havens, geen toegang tot de zee, was met drie verschillende talen geen eenheid en wordt afgesneden door bergen. Toch is het inmiddels op eigen kracht en zonder ooit een kolonie te hebben bezeten het rijkste land van de wereld geworden.»

En de voormalige koloniën zelf? Hebben zij — afgezien van de mogelijkheden voor intellectuelen om in Engeland of Frankrijk te studeren — op een of andere manier geprofiteerd? Wesseling: «Een land als Indonesië dankt zijn pure bestaan aan het kolonialisme. Voordat de Nederlanders er een koloniale staat stichtten, was er natuurlijk nooit sprake van een Indonesië. Dat geldt even goed voor vrijwel alle Afrikaanse landen. Je kunt je niet voorstellen dat Afrika terug zou kunnen naar de prekoloniale kaart, met tienduizenden eenheden van welke aard dan ook. Dat geldt goeddeels ook voor Indonesië. Want laten we eerlijk zijn, die Papoea’s hadden toch eigenlijk niks te maken met die Javanen en een eeuw geleden waren er al separatisten op de Molukken en Atjeh. Toch handhaaft die staat zich wel. Net als India. Dat zijn toch wonderen. India is zo groot, zo arm, met zoveel verschillende mensen en toch al een halve eeuw een democratie.»

In zijn boek draait Wesseling de vraag om. Hij richt zich op twee staten die niet (langdurig) gekoloniseerd zijn. «Als we met een onbevangen oog naar de feiten kijken, valt moeilijk in te zien dat India en Indonesië, Nigeria en Egypte — langdurig en in elk geval grondig gekoloniseerde en gedomineerde gebieden — onderontwikkelder zijn dan Ethiopië en Afghanistan», schrijft hij.

Wesseling: «Je kunt toch niet beweren dat Ethiopië tegenwoordig een toonbeeld is van een bloeiende economie en een voorbeeldige democratie. Het heeft de meeste Afrikaanse landen aan goed bestuur ontbroken. Ik geloof heilig in wat de Engelsen in de negentiende eeuw good governance noemden. Zij zagen in de maatschappijen waar ze aanmeerden achterlijke uitbuitersklassen, vorsten en hun kliek en introduceerden daarom een zeker bestuur en een behoorlijke fiscaliteit. Dat is in zekere zin een verworvenheid van het kolonialisme. Al verschijnen er met enige regelmaat nog zwartboeken over het kolonialisme — wat dit betreft wordt het beeld langzaam genuanceerder.»