De geoliede machine van de christen-democraten is vastgelopen

Slavenziel breekt het CDA op

In de dertigjarige historie van het CDA is een patroon zichtbaar van een partij die zich telkens weer door de macht laat verblinden. Ideologische versukkeling is het gevolg. Overleeft het CDA de crisis waarin het verkeert?

Campagne voeren met de slogan ‘fatsoen moet je doen’ en dan een politiek verbond sluiten met de partij die het onfatsoen van de patjakkers belichaamt, dat is vragen om moeilijkheden. Het cda had het kerkenpad verlaten om met Geert Wilders op kroegentocht te gaan, zo verwoordde cda’er Arie Oostlander de fatale fout die zijn partij in 2010 beging door gemene zaak te maken met de pvv. Niet alleen moreel verzaakte het cda daarmee het eigen gedachtegoed, ook uit het oogpunt van zijn beginselen was de politieke samenwerking met Wilders een vorm van zelfdestructie. De christen-democratie komt als politieke beweging voort uit de strijd om godsdienst- en gewetensvrijheid en zij ging nu in zee met een groepering die zich met verbale agressie en intimidatie tegen deze vrijheid keert.

Het drama van de ineenstorting van het cda in 2012 ligt in de keuze van twee jaar eerder besloten. De beweeglijkheid waarmee de partij vanouds opereert in het politieke spel was verworden tot opportunisme om wille van de macht, ten koste van zelfverloochening. In Trouw vat Bert Westerink, meer dan 25 jaar actief in de partij, de fout van de cda-top kernachtig samen: ‘Ze zijn het spoor bijster en hebben de partij uitgeleverd aan mensen die hun baantje wilden continueren.’ De kiezers van het cda waren er wel aan gewend dat hun partij tot de nodige rekkelijkheid bereid was om regerings­verantwoordelijkheid te verwerven. Op cynische wijze is die eigenschap al in 1959 geformuleerd door Jelle Zijlstra, een doorgewinterd arp-politicus, die destijds zei dat het ‘lood om oud ijzer’ is met wie de christen-democraten regeren. De ene keer bogen ze wat naar links, dan weer naar rechts. Positief geduid waren zij daarmee de verbindende kracht in de politiek.

Opererend vanuit een strategische middenpositie was het cda de bestuurders­partij die handelde waar anderen aarzelden. De partij was dankzij alle lijnen met maatschappelijke organisaties bovendien als een spinnen­web verweven met de samenleving. In die positie neigde ze als vanzelf naar gematigdheid en het vermijden van scherpslijperij. ‘Je kunt een plant niet harder laten groeien door aan de bladeren te trekken’, zo verwoordde toenmalig minister Jan de Koning, steun en toeverlaat van Ruud Lubbers tijdens diens premierschap (1982-1994), deze neiging, waaraan het land langdurig een zekere rust en stabiliteit in het bestuur dankte.

Die pragmatische rekkelijkheid had niettemin wel altijd een inhoudelijke kern, op grond waarvan de partij haar grenzen trok. Met het verbond met Wilders doorbrak het cda die grenzen, bewoog het ver naar rechts en zette het zijn reputatie als verbindende kracht op het spel.

De christen-democraat Ernst Hirsch Ballin overzag destijds die gevolgen. ‘Doe dit het land niet aan en doe dit het cda niet aan’, zei hij op het congres dat over de samenwerking met Wilders moest beslissen. Twee jaar na die woorden staat de partij erbij als een kaalgeplukte kip. Het cda is met de ChristenUnie (cu) en sgp bij de verkiezingen teruggevallen op de kleine kern van kiezers die bewust hun stem uitbrengen op een partij op christelijke grondslag. Uit het Nationaal Kiezersonderzoek (nko), een langlopend samenwerkingsproject van Nederlandse politicologen, blijkt dat het christelijke karakter van een partij nog voor één op de tien kiezers de doorslaggevende factor in hun keuze is. Vertaald naar zetels komt dat ongeveer overeen met het aantal waarop cda, cu en sgp zijn uitgekomen.

De politieke conclusie is dat het cda de kiezers kwijt is die niet zozeer vanwege de christelijke grondslag, als wel om de politieke ideologie en het programma, de bestuurlijke kracht of de ingeboren gematigdheid op de partij stemden. De cda-top voert nu, na de nederlaag van 12 september, als excuus aan dat de verkiezingen ‘te vroeg’ kwamen. Dat klinkt als een gelegenheids­argument, om de aandacht af te leiden van het gespleten beeld dat het cda van zichzelf heeft gevestigd.

Aan de ene kant vertoonde het in de verkiezings­campagne nog alle reflexen van een partij die gewend is in het centrum van de macht te verkeren en daarom nooit het achterste van haar tong laat zien, depolitiseert, de eenheid bewaakt en het debat vermijdt. In de stembusstrijd was het cda bleek en vaag. Het was niet verwonderlijk dat lijsttrekker Sybrand van Haersma Buma vooral raadsels opriep als hij sprak over de noodzaak van een ‘nieuwe moraal’.Expliciet werd hij daarover nooit, waardoor zijn pleidooi eerder kleinburgerlijk dan christen-democratisch klonk.

Bij dat vlakke profiel staken de campagnes van pvda en vvd ideologisch geprononceerd af, vooral dankzij de heldere tegenstelling in de zienswijze van lijsttrekkers Diederik Samsom en Mark Rutte op de taak van de overheid in crisistijd.

Aan de andere kant wil het cda zich juist bevrijden van de bestuurlijke reflex en zichzelf ideologisch hervinden. Met die inzet trad Ruth Peetoom vorig jaar aan als partij­voorzitter. Zij nam onder meer het initiatief tot het partij­rapport Nieuwe woorden, nieuwe beelden, waarin het cda voor het eerst probeerde de onderliggende waarde van zijn politieke beginselen te vatten in één woord, ‘compassie’. De bereidheid je te laten raken door het lot van een ander, in de bijbel verbeeld in het verhaal van de barmhartige Samaritaan, is volgens de auteurs ‘het kloppend hart van de christen-democratie’, de verbindende waarde in de vier christen-democratische beginselen solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid, publieke gerechtigheid en rentmeesterschap.

In het verkiezingsprogram heeft het cda het woord ‘compassie’ evenwel bewust vermeden. Volgens critici in eigen kring zou het te veel het beeld van de partij oproepen als een club van zielige mensen. Dat sentiment won het van de ethische traditie in het christen-democratische denken, waarin ‘compassie’ een oproep behelst anderen te behandelen zoals jij zelf behandeld wilt worden, met waardigheid, billijkheid en respect.

Het lot dat dit trefwoord onderging in de partijmachinerie is tekenend voor het schizofrene beeld dat het cda te zien geeft, van een ideologisch doortimmerde partij die zich bewust als een bleke Betje aan de kiezers presenteert. Verkiezingen zullen voor het cda altijd te vroeg komen, zolang dat het beeld is. Dan is de kans reëel dat het cda er niet meer in zal slagen buiten de krimpende kring van de bewust christelijke kiezers aanhang te verwerven en krijgen de politicologen Joop van den Berg en Henk Molleman alsnog gelijk. Met het oog op de gestage ontkerkelijking schreven zij al in 1974, bij de fusie van kvp, arp en chu tot cda, dat die partijen elkaar in de armen sloten om te sterven.

Lijsttrekker Buma draagt bij aan de indruk dat het cda niet weet welke kant het uit wil. In 2010 deelde hij nog in de voorkeur voor het verbond met de pvv en bood hij geen tegenwicht aan de intimiderende acties die Maxime Verhagen voor dat doel in eigen kring ondernam. Tijdens de formatie keken Verhagens opponenten in het cda recht in de arrogante ogen van de macht. Hondstrouw aan de leider was het parool, openlijk gesymboliseerd door het militair saluut dat zijn medestander Camiel Eurlings op het partijcongres aan Verhagen bracht. Onbeschaamd had de vigerend partijleider bij de selectie van bewindslieden slechts oog voor cda’ers die hem in zijn keuze voor Wilders steunden, zoals Donner, Bleker en Leers. Zijn tegenstanders konden het schudden. Ondanks zijn uitzonderlijke bestuurlijke en juridische conduitestaat had Hirsch Ballin vanaf het moment dat hij tegen Verhagen opkwam zijn kans op het vice-presidentschap van de Raad van State verspeeld, ten faveure van Donner. Het partijbestuur zette de gezaghebbende senator Rob van de Beeten onverbiddelijk op een onverkiesbare plek nadat hij Verhagens machtspolitieke strijdmethodes had gelaakt, met de uitspraak dat de gewraakte coalitie in zonde was geboren.

Buma riep de kritische cda’ers nog vorig najaar op ‘te stoppen met klagen over de pvv’ en zich neer te leggen bij de meerderheid in het cda die wel met Wilders wilde samenwerken: ‘Sommigen blijven heel lang zeggen dat ze het er niet mee eens zijn.’ Na het opbreken van het verbond wilde hij niet meer aan die uitspraak worden herinnerd en zei hij ‘de buik vol te hebben’ van de pvv. Tegelijkertijd sloot hij een nieuw ministerschap voor de aanstichter van het kwaad, Verhagen, niet uit. Van helderheid over de richting van het cda getuigt die wispelturigheid niet.

Andere cda’ers, Europarlementariër Wim van de Camp als eerste, relativeerden de gevallen coalitie als ‘een experiment’. Daarmee maskeerden zij dat ‘een ferme politieke wil’ de cda-top in 2010 ertoe dreef om Wilders in de armen te sluiten, in de woorden van informateur Lubbers.

Een bewuste politieke keuze achteraf een ‘experiment’ noemen was óók een methode om geen verantwoording te hoeven afleggen. Met de dooddoener ‘niet terug- maar vooruitkijken’ besloot de top na de val van het kabinet-Rutte de eerder gemaakte coalitiekeuze te laten voor wat ze was. Dat was democratisch dubieus, zeker tegenover partijleden die lessen uit deze ervaring willen trekken en nieuwsgierig zijn naar wat achter ‘de ferme politieke wil’ schuilging, maar ook kortzichtig. Het belaste verleden blijft nu als een slagschaduw over het cda hangen.

Daarbij komt dat het machtspolitieke motief om met de pvv in zee te gaan niet op zichzelf staat. In de dertigjarige geschiedenis van het cda is een patroon zichtbaar van een partij die door de verblinding van de macht telkens weer het zicht op de wereld buiten het Binnenhof verliest. Vanuit Haags perspectief dacht Verhagen in 2010 een politieke meesterproef af te leggen, door ondanks de zware verkiezings­nederlaag toch een prominente plek voor het cda in het kabinet te veroveren. Maar van een ruimere afstand bezien oogde het cda sindsdien als een groepering op de rechtervleugel die de huik naar de wind laat hangen en, als de omstandigheden daarom vragen, de gedoogsteun van extremisten inroept.

Een vergelijkbare blikvernauwing trof de partij in 1994, het verkiezingsjaar waarin het cda voor de eerste keer een geduchte afstraffing van de kiezers kreeg. Na twaalf jaar Lubbers maakten de christen-democraten zich toen op voor een geruisloze overdracht van het premierschap aan Elco Brinkman. ‘We run this country’, zei cda-Kamerlid Joost van Iersel tezelfdertijd. Die pedante uitspraak liet zien dat het cda zijn macht als vanzelfsprekend was gaan ervaren, bijna als een recht in plaats van een gunst die de kiezers verleenden. ‘Het cda heeft zich opgesteld als een zelfgenoegzame bestuurderspartij die het gewoon vindt aan de macht te zijn’, oordeelde naderhand de commissie die onder leiding van oud-politica Til Gardeniers onderzoek deed naar de stembusnederlaag.

Bevangen door de angst de macht kwijt te raken, had gaandeweg alles en iedereen in het cda zich geplooid naar het behoud van de verworven positie, waardoor de partij in de ban kwam van een eenheidsdrang en de balans van macht en tegenmacht in het cda zelf verstoord raakte. In de buitenwereld onderscheidden de christen-democraten slechts nog vrienden of vijanden. Ze hadden zich geleidelijk in een Haagse cocon opgesloten, waardoor ze zich veel te laat realiseerden dat de kiezers in Brinkman allesbehalve de volgende premier zagen.

Bijna twintig jaar later bepaalde eenheidsdrang opnieuw het beeld van het cda. Voor Maxime Verhagen leed het geen twijfel dat de partij door geen andere oorzaak dan gebrek aan eenheid electoraal in mineur was. ‘Het cda is nu een verdeeld huis en daar kunnen we niet te lang mee doorgaan’, zei hij aan de vooravond van het partijcongres waarop voorzitter Peetoom haar streven naar ideologische verdieping verdedigde. Voor Verhagen hoefde dat debat over de koers niet zo. Hij deed het af als een ‘studeerkameroefening’ van cda’ers die met hun ‘hoogverheven morele gelijk’ de eenheid van de partij zouden bedreigen.

Uit die uitspraken, in een interview met Elsevier, sprak Verhagens heimwee naar de periode dat het cda in Den Haag als een ‘geoliede machine’ werd geprezen, een gladjes lopende organisatie, gepokt en gemazeld in het spel om de macht, waarin de leider onomstreden was en bovendien geen wanklank viel te beluisteren. In de pvda verheelde Wouter Bos destijds niet hoezeer hij het cda hierom beneed. Evenmin als zijn cda-collega Jan Peter Balkenende zag Bos dan ook een bezwaar in de inzet van beïnvloedingstactieken, machinaties en soms zelfs intimiderende praktijken om de schone schijn van een geoliede machine op te houden.

Hoewel deze moderne technieken cda en pvda allesbehalve verkiezingswinst hadden opgeleverd, heerste bij beide partijen de gedachte dat politiek succes neerkomt op een zo gunstig mogelijk beeld in de media. Met een vooruitziende blik legde politicoloog Bart Tromp ruim tien jaar geleden al de vinger bij dat fenomeen, ter verklaring van de crisis­verschijnselen in de volkspartijen. In het boek Politieke partijen op drift schreef hij dat pvda en cda zich blindstaren op de eigen logica van ‘Den Haag’, waarin het al dan niet bewaren van de eenheid bepalend is voor winst of verlies. Onder die invloed zijn de volkspartijen volgens Tromp getransformeerd in campagne­organisaties, strak geleid door beroepspolitici en een professionele staf, die het als een compliment beschouwen als de buitenwereld ze ziet als een ‘geoliede machine’.

Bij Balkenende ging die eenheidsdrang nog gepaard met het gevoel dat hij een roeping had. Volgens zijn moeder wilde hij ‘een gids in het barre land’ zijn, een opdracht waaraan hij zich met een diepgeworteld gevoel van plichts­betrachting en een onuitputtelijke energie zette. Hij leek gaandeweg niet alleen zichzelf maar ook het cda met die opdracht te vereenzelvigen, waardoor hij kritiek als deloyaal ging ervaren en niet als nuttige tegenspraak, het ‘dagelijkse brood van de politicus’, in de woorden van de Duitse christen-democraat Helmut Kohl.

Symptomatisch was ook het verschijnsel dat Balkenende steeds minder raadgevers om zich heen duldde, tot het uit niet meer bestond dan een kringetje partijgenoten die hem afschermden voor kritiek. Niet kritiek maar de macht werd het dagelijks brood van het cda. ‘Voor mensen die geen slavenziel hebben is de sfeer niet om te harden’, schreef oud-cda-fractie­medewerker Joop van Rijswijk over de disciplineringsdrang in de partij. ‘Onder Balkenende keert het cda zich naar binnen, sluit zich af voor kritiek, is doof voor signalen vanuit de samenleving en houdt het doctrinair vast aan het eigen gelijk.’

Opnieuw, net als ten tijde van Lubbers, oogde het cda als een zelfgenoegzame bestuurderspartij met verstoorde checks and balances. Eendracht en loyaliteit waren geen kwaliteiten meer die van onderop kwamen, maar het resultaat van dwang van bovenaf, waardoor ze een verstikkend en verlammend effect sorteerden. Daardoor kostte het Balkenende moeite zich ontvankelijk te tonen voor commentaar en toonde hij zich ongenaakbaar. Tekenend was zijn reactie op het grote cda-verlies bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006: ‘Het beleid wordt niet beleefd zoals wij willen.’

Ten tijde van Balkenende waren de kanalen in het cda opnieuw dichtgeslibd, analyseerde oudgediende Leon Frissen dan ook in zijn evaluatie­rapport over het verkiezings­verlies van 2010. De cda-leider had zich volgens hem opgesloten in een ‘ijzeren ring’ van gelijk­gestemden, gericht op controle, wars van debat over de eigen ideologie of koers. ‘Alles werd ondergeschikt gemaakt aan de roep om rust en stabiliteit’, aldus Frissen over die periode.

De conclusie moet zijn dat het cda telkens weer in de problemen komt als het streven naar macht de vorm krijgt van het oliën van een machine. Dat is de belangrijkste oorzaak van de ideologische versukkeling waarin de partij is geraakt, met als gevolg dat zij in ‘compassie’ vooral een riskant woord ziet en niet een waarde die het christen-democratische verhaal ook aantrekkingskracht op kiezers buiten de kerkelijke kring kan geven. Het is nu niet uitgesloten dat vvd en pvda voor langere tijd het vacuüm dat het cda achterlaat vullen. Dan krijgen Van den Berg en Molleman misschien toch nog gelijk met hun voorspelling van een stervend cda.