Het Deutsche Liedgut Projekt van nazi-pianist Michael Raucheisen

Slechte mensen hebben geen liederen

Terwijl de wereld in brand stond werden tussen 1933 en 1945 onder leiding van de pianist Michael Raucheisen alle Duitse Lieder op de plaat gezet. Dat wil zeggen: alle Arische composities met Arische teksten. De uitvoerings- en opnamekwaliteit van deze bruine collectie is van onthutsend hoog niveau.

Om maar meteen te beginnen : deze Lieder-_collectie op 66 cd’s is in zijn soort en kwaliteit uitzonderlijk goed, en tegelijkertijd afstotelijk. Ze is een combinatie van een overdonderende artistieke passie, een _sängerische brille die zijn gelijke niet kent én een politieke ideologie van de meest bedenkelijke aard. Het betreft Michael Raucheisens zogenoemde Deutsche Liedgut Projekt, dat de legendarische pianobegeleider en chef van de afdeling lied- en kamermuziek bij de nationaal-socialistische rijksradio in Berlijn tussen 1933 en 1945 opnam met de grootste Duitse sterren uit de toenmalige opera- en Liederscene. Meer dan duizend opnamen, met verschillende zangers, vervaardigd tot in maart 1945, te midden van de bommenregen die Berlijn in de as legde.

Bij het horen van de artistieke perfectie van veel van deze interpretaties rijst de vraag hoe dat in godsnaam mogelijk was. Neem de buitengewone uitvoering van Schuberts Winterreise met de tenor Peter Anders, opgenomen op 10 maart 1945 in de grote uitzendstudio aan de Masurenallee in Berlijn – de allerlaatste opname die daar werd gemaakt. Hoe sterk moet dat Berlijnse muziekleven wel niet in elkaar gezeten hebben als zelfs in de allerlaatste weken van de oorlog zulke eersteklas kunstenaars uitvoeringen van zo’n ongelooflijke kwaliteit – in interpretatie en in geluidstechniek – uit de hoge hoed wisten te toveren? Veel van die opnamen zijn tot op de dag van vandaag de standaard in hun soort.

Achter de vocale en artistieke glans gaat de gruwelijke realiteit van de nazi-staat en haar ideologie schuil. De nazi’s wilden vastleggen hoe hoogwaardig de Duitse liederenschat – de «heil’ge deutsche Kunst» – was, om zo hun aanspraken op superioriteit voor iedereen hoorbaar te maken, ook voor de Hollanders, die de opnamen op de radio konden horen. Een staat die zulke artistieke prestaties leverde kon niet slecht zijn. Tenslotte hebben «böse Menschen keine Lieder», zoals het zo mooi heet.

Projecten als de Liedgut-collectie demonstreren hoe goed de nazi’s begrepen dat zij cultuur voor politieke doeleinden konden misbruiken. Niet alleen het Lieder-repertoire maar ook de andere kunstvormen, zoals de opera en de operette, de film en de schlagermuziek. Het onthutsende is dat veel van de in die tijd ontstane films vandaag de dag nog geregeld en zonder commentaar op de Duitse tv te zien zijn, net zoals de schlager-, opera- en operetteopnamen overal te krijgen zijn en als klassiekers worden aangeprezen. Enkele losse opnamen van de Liedgut-collectie rouleerden al langere tijd op verschillende labels, waaronder de populaire uitvoering van de Winterreise door Hans Hotter, uit 1943. Zelden staat op de betreffende cd’s een verwijzing naar hoe precies deze akoestische schatten tot stand gekomen zijn, en in welke ideologische context ze zijn ontstaan.

Voor het Liedgut-project werd Michael Raucheisen als artistiek leider en coördinator uitverkoren, omdat hij een overtuigd nationaal-socialist was, maar vooral omdat hij al in de jaren twintig een legendarische begeleider was van legendarische solisten. Dat is niet te veel gezegd. Beroemd is het geweeklaag van de door zijn vrouw in de steek gelaten tenor Karl Erb: Maria Ivogün, zijn echtgenote, een gevierde colloratuursopraan, was er in 1933 als een donderslag bij heldere hemel met Raucheisen vandoor gegaan en met de noorderzon vertrokken. Erb was wanhopig, en niet tot bedaren te brengen. «Grote hemel, help!» riep hij, en wrong zijn handen: «Ik ben mijn begeleider kwijt!» Wie de opnamen van Raucheisen hoort begrijpt zijn populariteit. Zonder zich ooit op de voorgrond te dringen vuurt hij zijn zangers aan, volgt ze in elke nuance, ook al zijn die nog zo onverwacht, en spoort ze aan tot expressief zingen. Hij stelt zich op elke zangerspersoonlijkheid nieuw in, wat blijkt als je uitvoeringen vergelijkt. Bij de dramatische bas-bariton Josef Hermann (wiens grote kwaliteiten eigenlijk op heel andere terreinen lagen) in het Richard Strauss-lied Heimliche Aufforderung fourneert Raucheisen een emotioneel neutraal klanktapijt. Maar in de versie met Peter Anders tovert hij bij het heimelijke afspraakje van de geliefden moeiteloos een erotisch verhitte atmosfeer te voorschijn.

Au fond haalde Raucheisen de kunstvorm liedzang, die tot die tijd in de schaduw van de veel glamoureuzer opera had gestaan, eigenhandig uit die schaduw. Raucheisen, zelf een goed uitziende man, een beetje Hollywoodachtig zelfs, bewees dat ook Lieder-avonden groot publiek konden trekken. Zonder zijn pionierswerk waren liedcarrières als die van Dietrich Fischer-Diskau en Elisabeth Schwarzkopf na de oorlog nauwelijks mogelijk geweest.

Schwarzkopf is overigens op deze Liederverzameling vaak te horen. Ze was de beste leerlinge van Raucheisens echtgenote, die de jonge Schwarzkopf pas echt heeft gemaakt tot de zangeres zoals wij haar kennen: een technisch perfect geschoolde stem met geheel eigen klank. Wie de vroege Schwarzkopf-operetteopnamen uit 1938 kent en ze vergelijkt met de liedinterpretaties die onder de hoede van Raucheisen ontstonden, hoort onmiddellijk dat ze binnen een paar jaar een ongelooflijke verandering heeft doorgemaakt, en dat de mastermind van die verandering niemand anders was dan Raucheisen. Steeds weer haalde hij Schwarzkopf – ook al een overtuigd partijlid – naar de studio en maakte opnamen die in hun jeugdige frisheid en spontaniteit onovertroffen zijn. Bijvoorbeeld een adembenemend mooie versie van Richard Strauss’ Morgen, uit het laatste oorlogsjaar. Zonder alle latere maniërismen geeft Schwarzkopf hier in 1945 een lezing in voorbeeldige liedzang, hoe luguber de context ook is. Juist die politieke context maakt deze vlekkeloze opname zo onbegrijpelijk.

Naast Schwarzkopf, die toen nog een vrijwel onbekende zangeres was, verzamelde Raucheisen de allerbeste zangers die in die tijd in Berlijn verbleven. De namenlijst op de collectie leest als een Who’s Who van de operageschiedenis. Nimmer zouden in Duitsland zo veel zo goede, zo individuele zangers van wereldformaat bijeen zijn als tussen 1933 en 1945. De nazi’s waren niet te beroerd om het operabedrijf met geld te ondersteunen om zo de beste krachten te behouden. Over die steun heeft Robert Schlesinger een onthullend boek geschreven, Gott sei mit unserem Führer: Der Opernbetrieb im deutschen Faschismus. Daarin zegt hij: «Al in het eerste jaar dat zij over de begroting konden beschikken gaven de nationaal-socialisten de Duitse operatheaters twaalf miljoen rijksmark subsidie. Hun uitgavedrift liet daarna niet af.»

Het sprak vanzelf dat in het Liedgut-project alleen raszuivere componisten konden worden opgenomen. Liederen van Mendelssohn ontbreken volledig (en zijn alleen met twee in 1949 opgenomen, naar omstandigheden gezien grandioze voorbeelden vertegenwoordigd). Ook liederen op teksten van joodse auteurs zijn absent. Er is dus geen opname van Schumanns Dichterliebe, omdat de tekst daarvan van Heinrich Heine was.

Om de vele verboden componisten en stukken te vervangen greep Raucheisen terug op minder bekende liedcomponisten als Otto Nicolai, Richard Trunk, Carl Maria von Weber, Peter Cornelius en Heinrich Marschner. Hun stukken worden door Raucheisen en zijn solisten zo buitengewoon goed vertolkt dat je denkt met meesterwerken van doen te hebben.

Wat het luisteren naar deze cd’s al met al erg aangenaam maakt is dat de naar componist gesorteerde liederen door verschillende zangers worden gepresenteerd. Dat leidt tot grote afwisseling en levendigheid, in tegenstelling tot die vaak zo monotoon werkende cyclusopnamen van Dietrich Fischer-Dieskau, waarbij je na de veertiende cd nauwelijks meer het ene lied van het andere kunt onderscheiden.

Omdat Raucheisen daarbij met zeer sterke zangerspersoonlijkheden werkte is het contrast soms buitengewoon groot. Een Erlkönig door de gewichtige bas Wilhelm Strienz wordt gevolgd door de kinderlijk onschuldige Erna Berger met het lied van de Forelle (nog zo’n uitzonderlijk goede opname). Strienz was nota bene zo’n bas die in de populaire nazi-wensconcerten van die tijd ranzige «Mutter-ich-denk-an-dich»-liederen zong. En toch is zijn uitvoering van Erlkönig bijna shockerend puur. De manier van zingen is toch al zo opmerkelijk: je verstaat bij elke zanger elk woord. Dat sprak toen vanzelf, ook in de opera. Die duidelijkheid, die communicatie met het publiek, ging later helaas ook in het lied verloren.

Na 1945 was Raucheisen gedwongen tot nietsdoen terwijl zijn denazificatieproces liep. Hij organiseerde later, in de jaren vijftig, nog een enkele Lieder- of kamermuziekavond, maar van een echte comeback was geen sprake. Zijn carrière was na 1945 voorbij. Was zijn verwevenheid met het nationaal-socialisme dan zó erg, vraag je je af? De dirigenten Clemens Kraus en Herbert von Karajan stonden na korte tijd al weer op het concertpodium. In het licht van die klemmende vragen is het extra verbazingwekkend dat er over Raucheisens leven vrijwel niets bekend is – onbegrijpelijk, omdat de beroemde man tot 1984 leefde en best geïnterviewd had kunnen worden. En dus staat er in het informatieve boekje bij de cd-uitgave alleen een korte verwijzing naar zijn nazi-verleden, zonder dat verder te preciseren.

Over de nazi-relaties van sommige zangers, van Strienz tot de grote sopraan Tiana Lemnitz, die in haar Berlijnse huis grote feesten voor de partijtop gaf, lees je in de biografische gegevens zo goed als niets. Dat is jammer, want juist die dubbele bodem maakt deze opnamen zo ongewoon spannend.

Klik op de volgende link om een aantal liederen te beluisteren
Schlagende Herzen, op. 32 Nr. 2 (Elisabeth Schwarzkopf)
Hoffen und wieder verzagen, op.19 Nr. 5 (Lorenz Fehenberger)
Hat gesagt, bleibt’s nicht dabei, op.36 Nr. 3 (Elisabeth Schwarzkopf)

Michael Raucheisen: Der Mann am Klavier
66 cd-box. Te bestellen via www.membran.net

Robert Schlesinger, Gott sei mit unserem Führer: Der Opernbetrieb im deutschen Faschismus (Löcker Verlag)