Slechte moeder

Mijn Dino is dood. Ik noemde hem Dino omdat er ‘Dinotime’ op de omlijsting van het minuscule, eivormige beeldschermpje staat. Twee schattige, knalgele babydinosaurussen staan er ter illustratie op het eitje.

Maar op een dinosaurus heeft het wezentje dat op het beeldscherm verscheen nooit geleken. Het was een slordig getekend rondje met stippen als oogjes en een streepje van een mond. Had ik er goed voor gezorgd, dan had het rondje nog twee pootjes kunnen krijgen. Veel meer kan ik niet verwachten bij mijn namaak Tamagotchi - ‘Bijna hetzelfde, alleen twintig gulden goedkoper’, zei de winkeljuffrouw bij Intertoys vermoeid.
Nog geen vierentwintig uur heeft mijn Dino geleefd. En hij heeft voornamelijk geleden. Dat komt door mij. Ik had hem nooit moeten aanschaffen. Mijn Dino werd geadopteerd uit hebberigheid, niet uit het oprechte verlangen ergens liefdevol voor te zorgen.
In het begin leek het zo goed te gaan. Ik drukte op het Aan-knopje, en daar verscheen onmiddellijk een kloppend rondje in beeld. Tevreden over mijn eerste stap in de wereld die Tamagotchi heet, deponeerde ik het tv-eitje in de fruitschaal en ging over tot de orde van de dag. Na vijf minuten zou het spel beginnen, had ik gelezen in de bijgevoegde gebruiksaanwijzing. Meer dan die beginregel had ik niet gelezen, de rest zou zich vanzelf wijzen, was mijn hoogmoedige redenering. 'Heeft mijn Dino al gepiept?’ was de vraag waarmee ik mijn huisgenoot in de uren die volgden regelmatig verraste. Nee, mijn Dino had nog niet gepiept. Lekker makkelijk, dacht de ontaarde adoptiemoeder, en maakte zich weer uit de voeten.
Een halve dag later nam ik de bijsluiter nog eens ter hand. Ach, vergeten de klok in te stellen. Het kloppende eitje was al die uren tijdloos geweest, en mijn Dino was niet eens geboren! Met de instelling van Dinotijd kwamen ook de behoeften op gang. 'Hij heeft honger’, wist een vriend te melden aan wie ik ’s avonds mijn trotse bezit liet zien. Geroutineerd controleerde hij de functies van de kleine computerbaby. Vier, zeven en dertien dagen hadden zijn èchte Tamagotchi’s geleefd. 'Zijn geluk is nul, je moet nodig met hem spelen’, zei hij streng, 'en zijn gezondheid is ook bijna nul.’ Ik was stomverbaasd. Geen piepje had ik gehoord. Dat was met mijn mensenbaby wel anders geweest, die begon te loeien als een sirene als hij leeg was of als zijn geluksgevoel dreigde te dalen.
Maar zo simpel zit een computerkind niet in elkaar. Je moet zelf met grote regelmaat kijken of hij iets nodig heeft. Moeilijke opdracht voor iemand die altijd vergeet de planten water te geven omdat ze niet zeggen dat ze dorst hebben.
Twee keer heb ik mijn Dino horen piepen. De eerste keer precies om negen uur ’s avonds. Dat bleek z'n bedtijd te zijn, en als een brave moeder heb ik het lampje uitgedaan in zijn kleine computerkamertje. Meteen werden de oogjes van mijn Dino platte streepjes, net als zijn mond. Moet-ie niet eerst nog wat eten, was mijn vertraagde reactie, maar hij reageerde niet meer. De volgende ochtend, precies om negen uur, klonk er weer zo'n vertederend piepje uit de fruitschaal. Vol goede voornemens nam ik het computereitje in mijn handen, maar wat ik zag was een grafsteen met een vormeloos geestje ernaast.
De hele dag somber geweest. Gedacht aan de poppen die ik vroeger eens achter een kast heb gegooid omdat ik niet meer tegen hun vragende ogen kon. En aan de muizen die ik levend in een vuilniszak heb gestopt omdat ik geen zin meer had om voor ze te zorgen.
Mijn Dino is dood. Ik ben een slecht mens. Voor straf moet ik een week wachten voor ik op de reset-knop mag drukken om een nieuw eitje te voorschijn te toveren.