Slechte tijden? goede tijden! een maatschappij met mannen en vrouwen van rubber lijkt wel het ideaal

Sinds het ‘Ik-tijdperk’ van de jaren zeventig zijn de normen en waarden alleen maar verder afgegleden. In de jaren negentig vieren de moraal van de pakkans en de moraal van de markt hoogtij. Een essay over het godje in onszelf, en hoe die toch nog vaak enig sociaal gevoel voorschijft
VOOR DE UITLENING in de openbare leeszaal staan op zondagmiddag tientallen wachtenden, de staart van de rij reikt tot op de trap. Er komt geen schot in: achter de balie zit maar één bediende. Dan nadert een tweede, neemt plaats op een kruk en verwijdert het bordje met de tekst ‘Deze balie is gesloten’.

Meteen storten de achtersten in de rij zich van de trap en snellen met hun boeken naar voren. Wie 39ste was, staat nu vooraan! De laatsten zijn de eersten en wie het eerst komt, het eerst leent.
Nadat ik net zoveel bemoedigends over de hedendaagse moraal heb gelezen, treft de scène mij als een zweepslag. Is het dan toch waar dat deze zwartgallig kan worden samengevat in het motto ‘ikke, ikke en de rest kan stikke’? Degenen die ordelijk op hun beurt blijven wachten, protesteren niet tegen de gang van zaken die hen benadeelt. Er klinkt alleen een zacht, afkeurend gesis, maar aan de onverschillige schouders van de winnaars is te zien dat het geen indruk maakt. 'Ach meneer, zo gaat het altijd’, zegt de baliebediende. 'De brutalen hebben de halve wereld.’
In ouderwetse winkels, zonder een automaat voor volgnummers, kun je het fenomeen van 'voordringen’ nog gadeslaan. Steels probeert iemand, zo onopvallend mogelijk, naar een plek te schuiven waar hij zo meteen voor zijn beurt 'Ik!’ kan zeggen als de bediende vraagt: 'Wie volgt?’ Maar meestal is er een andere oplettende klant die deze manoeuvre doorziet en de voordringer terechtwijst. Beschaamd, zichtbaar gegeneerd, doet deze dan een stapje terug. Dat is precies wat ik miste bij die gebeurtenis in de leeszaal: schaamte. Schaamteloos drong men voor, alsof het recht van de gehaaidste het hoogste recht is.
Precies zeventien jaar geleden verscheen Het ik-tijdperk, eerst als kerstuitgave van de Haagse Post, later als boekje. Er werden bijna honderdduizend exemplaren van verkocht. Blijkbaar was het thema, in de titel samengevat, zeer 'herkenbaar’ zoals men dat toen noemde. Als de schrijver ervan werd ik vervolgens voor menig forum uitgenodigd en merkte tot mijn verbazing dat het publiek het opvatte als een pleidooi voor radicale individualisering. Had men het wel gelezen? De laatste woorden waren een citaat van de feministe Joke Kool-Smit: 'Als iedereen voor zichzelf opkomt, wie komt er dan voor ons allen op?’
Dat boekje schetste de jaren zeventig als een tijdperk, waarin de moraal een scherpe wending maakte van solidariteit naar egocentrisme. Was de eerste kwart eeuw na de Tweede Wereldoorlog doortrokken geweest van het rekening houden met anderen, jezelf 'wegcijferen’ en 'opofferen’, nu leek de overheersende ideologie er een van 'zelfontplooiing’, 'voor jezelf opkomen’ en vooral 'jezelf zijn’. De mensen leerden naar zichzelf te kijken als de maat van alle dingen. Dat begon zoals altijd in culturele voorhoedes van feministen en psychotherapeuten, maar spoedig drong dit denken als een 'zinkend cultuurgoed’ door in het discours van voetbaltrainers. Een speler faalde niet ten opzichte van zijn team, hij was 'niet gemotiveerd’: in zijn psychische toestand lag het excuus voor zijn slome optreden.
Achteraf is Het ik-tijdperk een typisch voorbeeld van journalistieke kortzichtigheid. De individualisering dateert niet van na de jaren zestig, maar is al in de middeleeuwen begonnen en daarna niet meer opgehouden. De eerste formele bevestiging ervan is het habeas corpus, de afkondiging van de lichamelijke integriteit van de persoon, die niet zomaar opgesloten mag worden. Sedertdien is hij, via de renaissance, de reformatie, de Verlichting, de Franse Revolutie steeds verder geëvolueerd tot burger en individu: steeds meer gedekoloniseerd, bevrijd van boven hem gestelde machten, vrij om zijn geluk na te streven.
Al aan schrijvers als Rousseau en Diderot is door de conservatieven van hun tijd verweten dat zij het individualisme en daarmee egoïsme als levenshouding propageerden. 'De ganse huishouding van de menselijke samenleving steunt op één algemeen en eenvoudig principe: ik wil gelukkig zijn’, vatte Diderot het individualisme samen. Hij voegde er echter meteen aan toe wat het kernprobleem van de individualisering zou blijven: 'Maar ik leef met mensen die net als ik gelukkig willen zijn: laten we een middel zoeken om gelukkig te zijn en tevens voor het geluk van de anderen te zorgen, of dan toch minstens zonder de anderen schade te berokkenen.’
DIT JAAR KLAAGDE Sint Nicolaas dat hij op klaarlichte dag op straat gemolesteerd werd en zijn leven niet meer veilig was. Het kan gemakkelijk als metafoor worden opgevat: de nationale moraalridder bij uitstek, altijd klaar om zijn vermanende vinger te heffen en ons de mores van saamhorigheid te leren, op de vlucht voor het recht van de sterkste. In de winkelstraten is zijn verschijning verdrongen door de kerstman, de kampioen van consumentisme zonder morele scrupules.
In het politieke discours van de laatste jaren is het begrippenpaar 'normen en waarden’ bijzonder populair geworden. De christendemocraten (Hirsch Ballin, Brinkman, Lubbers) begonnen het als eersten te propageren, vervolgens namen liberalen en sociaal-democraten het over, zodat het - net als het begrip 'veiligheid’ - een aureool van onomstredenheid kreeg. De morele onzekerheid van deze tijd blijkt uit het feit dat niemand ooit de inhoud van die 'normen en waarden’ probeert aan te geven.
Het is net als met het Amerikaanse begrip family values. Zoals uit de KRO/Ikon-serie Familie ten overvloede zal blijken, kan het gezin een 'haven in een harteloze wereld’ zijn, maar ook een baaierd van onbegrip en haat, om nog maar te zwijgen van mishandeling. Toch hebben 'gezinswaarden’ een positieve klank. Meer dan een moreel concept vertolkt het begrip een nostalgie naar de tijd waarin morele autoriteiten (vader, dominee, oom agent) nog op hun voetstuk stonden en wij allemaal wisten waar we aan toe waren.
De individualisering heeft daar een einde aan gemaakt. 'Het belangrijkste om te leven kan men in zichzelf vinden.’ Dat uitgangspunt wordt blijkens een onderzoek van de Belgische hoogleraar Mark Elchardus en anderen thans door een grote meerderheid van onze tijdgenoten onderschreven. Al aan het begin van de eeuw zag de Franse socioloog Emile Durkheim wat daarvan het morele gevolg zou zijn: 'De hedendaagse moraal is als een godsdienst waarvan de mens tegelijk God en gelovige is.’
Er zijn geen algemeen erkende instanties meer die een moraal met geldingskracht voor grote bevolkingsgroepen kunnen formuleren en opleggen. De kerkelijke en wereldlijke overheden verkeren zelf in onzekerheid over de 'normen en waarden’ die ze herhaaldelijk aanroepen. Maar dit betekent niet dat het individu volkomen autonoom, zonder krachtige beïnvloeding van buitenaf, zijn eigen morele plan trekt. Uit alles blijkt dat een sterke invloed op de hedendaagse moraal uitgaat van een minder geïnstutionaliseerde en georganiseerde factor: de markt en het 'marktdenken’.
Het is achteraf ironisch hoe de algemeen als 'links’ beschouwde beweging van de jaren zestig het algemeen als 'rechts’ ervaren eerherstel van de markt in de jaren tachtig in de kaart speelde. De beweging van zestig was een revolte van de jeugd in de westerse wereld tegen 'vervreemding’ op alle niveaus, in het onderwijs, de politiek en de wereld in het algemeen, maar ze kwam al gauw tot de ontdekking dat de voornaamste vervreemding in de mens zelf lag. Ze keerde zich naar binnen en werd een nieuwe fase in de individualisering. Men ging op zoek naar het authentieke in zichzelf, los van traditionele bindingen en beperkingen.
De strekking van die beweging is samengevat in het bekende 'gebed’ van Perls, de grondlegger van de Gestalt-therapie: 'I do my thing and you do your thing. I am not in this world to live up to your expectations, and you are not in this world to live up to mine. You are you and I am I, and if by chance we find each other it’s beautiful; if not, it can’t be helped.’ Daarvan zei prof. Abram de Swaan in Het ik-tijdperk: 'Dat lijkt op een markt waar partijen elkaar tegemoet treden met het oogmerk van winstmaximalisatie. Mensen komen hier naar voren als eenlingen die in hun eigen belang moeten optreden en op elk mogelijk moment zoveel mogelijk lustgewin moeten zien te krijgen van anderen.’
'BOVEN DE MENSEN verheft zich een enorme, betuttelende macht die als een alleenheerser waakt over hun lot en hun genoegens’, schreef Alexis de Toqueville. 'Die macht is absoluut, begaan met details, regelmatig en zacht. Zij zou op de ouderlijke macht gelijken, ware het niet dat zij geenszins de bedoeling heeft mensen te helpen volwassen te worden, maar hen daarentegen in een permanente staat van kindsheid houdt. Die macht wil dat de mensen van het leven genieten, op voorwaarde echter dat ze enkel aan genot denken. Die macht zet zich in voor hun geluk, op voorwaarde dat alleen hij dat kan doen en alleen hij mag beslissen over wat gelukkig maakt. Op die manier ook ondergraaft die macht het onderscheidingsvermogen.’
De Toqueville zocht vergeefs naar een term voor die vorm van macht, maar honderdvijftig jaar later aarzelt Elchardus niet: 'Vandaag noemen we dat “de markt”. Niet de begeleide markt die efficiënt een aantal economische activiteiten coördineert, maar de markt die zich uitbreidt en een steeds groter deel van het leven, ook van het politieke en culturele leven, tot in de kleinste details wil regelen.’
De menselijke eigenschappen die het meest op prijs worden gesteld en in het onderwijs ook worden aangekweekt, zijn volgens Elchardus dan ook kwaliteiten die ons in staat stellen op de markt optimaal te functioneren, als producenten en consumenten: creativiteit, assertiviteit, flexibiliteit. Vooral het laatste wordt sterk aangeprezen: 'Een maatschappij met mannen en vrouwen van rubber lijkt wel het ideaal.’
Volgens prof. dr. A.C. Zijderveld produceerde de radicale individualisering 'individuen-zonder-persoonlijkheid die hun maatschappelijke omgeving gebruiken om er zelf beter van te worden’. Er is een 'geneutraliseerd en functioneel’ stelsel van normen en waarden ontstaan, waarin niet goed en kwaad de voornaamste categorieën zijn, maar 'nuttig en nutteloos, bruikbaar en onbruikbaar, geschikt en ongeschikt, verstandig en onverstandig’. En waarin als hoogste gebod de 'moraal van de pakkans’ geldt, de wet van het schoolplein: pak me dan als je kan.
Maar wanneer de macht van de markt ook in moreel opzicht werkelijk zo absoluut is als velen veronderstellen, zou de moderne mens langzamerhand voortdurend uit moeten zijn op maximalisatie van zijn eigen voordeel en plezier. Dan heeft de 'calculerende burger’ het pleit gewonnen. De conclusies uit Elchardus’ eigen breed opgezette onderzoek weerleggen dat echter: 'De stelling dat de neoliberale politiek die sedert 1975 in verschillende westerse landen wordt gevoerd, steunt op een verandering in het waardenpatroon van de bevolking dient te worden verworpen. De opvatting dat men ongebreideld zijn eigenbelang moet nastreven, dat vooral materieel succes telt, dat solidariteit, naastenliefde en broederschap onbelangrijk zijn, dat de wereld rechtmatig aan de snelle en handige jongens toekomt, is die van een kleine, bange, slinkende en minder goed gevormde minderheid.’
De yup bestaat niet en heeft nooit bestaan, behalve als een held van onze tijd, een rolmodel dat ons is voorgehouden: de jonge mens, ongeremd in zijn streven naar succes, rijkdom en een hedonistische levensstijl, niet geneigd met anderen rekening te houden. In het grootscheepse onderzoek naar 'waardenoriëntaties’ van de Nederlandse bevolking, dat de Katholieke Universiteit Brabant uitvoert, komt hij nauwelijks voor. Het 'consumentistisch ethos’ met zijn 'gulzige, gedachteloze en hedonistische consumptiedrang’, zijn 'modieuze trendgevoeligheid’ en zijn 'onmiddellijke bevrediging van behoeften’ wordt hooguit aangetroffen in de jeugdcultuur, concluderen de Brabantse researchers, en dan nog alleen in materieel opzicht, niet als het om relaties gaat.
OVERIGENS PREVALEERT op de echte markt het rationeel berekende eigenbelang veel minder dan de theorie van de markt ons wil doen geloven. Er worden afspraken gemaakt, coalities en kongsi’s gesloten, monopolies geëerbiedigd die minder te maken hebben met winstmaximalisatie op de korte termijn dan met de continuïteit van het kapitalistisch stelsel.
Zo is het ook met de normen en waarden die de relaties tussen mensen regelen: het is niet zozeer individualisme als 'welbegrepen eigenbelang’ dat deze dicteert. De mantelzorg, het vrijwilligerswerk worden niet zozeer uit moreel plichtsgevoel verricht, als wel vanuit het gevoel dat we elkaar nu eenmaal nodig hebben - anders bestaat er geen samenleving.
Verre van te menen dat iedereen maar voor zichzelf moet zorgen, vinden de meeste mensen volgens het Sociaal Cultureel Rapport 1996 dat de sociale uitkeringen moeten stijgen; dat uitkeringen uit hoofde van de AOW, de WAO en de Bijstandswet 'onvoldoende’ zijn; dat 'de overheid’ meer moet doen aan het bouwen van goedkope woningen, het bestrijden van milieuverontreiniging, het verstrekken van gratis onderwijs tot het achttiende jaar en studiebeurzen voor kinderen uit lagere milieus, het inrichten van crèches ten behoeve van werkende moeders en nog meer voorzieningen die de ondervraagden met hun allen zullen moeten bekostigen.
Of dit laatste wordt ingezien, is de vraag: een meerderheid wijst de gedachte af dat 'iedereen met zijn inkomen een stap terug moet’. Maar ook is een meerderheid bereid ter wille van het milieu hogere prijzen en extra belasting op schadelijke produkten te betalen. Bijna negentig procent van de Nederlanders accepteert een asielzoekerscentrum in zijn eigen buurt, al brengt drie kwart begrip op voor mensen die om die reden verhuizen. De strekking is niet eenduidig, maar weerspreekt in elk geval het beeld van een geatomiseerde samenleving waarin men liefst zijn eigen boontjes dopt en niets voor een ander over heeft.
Dat blijkt ook uit onze gedragingen. Je hoeft maar een asielzoekerscentrum in Goes of Luttelgeest te bezoeken om onder de indruk te raken van het aantal mensen dat klaarstaat om vluchtelingen te helpen met kleding, sport of taallessen. Rond elk van die centra is een warme deken van een honderdtal zorgzame burgers ontstaan en soms bestaat er zelfs een wachtlijst voor deelnemers aan het vrijwilligerswerk.
Nederland scoort hoog op het vlak van vrijwilligerswerk. Meer dan één op de drie landgenoten spannen zich regelmatig onbetaald in voor de samenleving, het meest in de sector 'cultuur, recreatie en educatie’ (waaronder sportverenigingen vallen), maar ook voor 'zorg’. Bijna een kwart van ons helpt hulpbehoevende verwanten of buurtgenoten gedurende meer dan een miljoen arbeidsuren per week. Hoezo 'ikke, ikke, ikke’? Zonder deze individuele 'mantelzorg’ zou het stelsel van collectieve gezondheidszorg schromelijk tekortschieten.
Interessant zijn de motieven voor deze inspanningen. Men vindt vrijwilligerswerk vooral 'heel leuk om te doen’, het 'verbreedt de levenservaring’, men blijft er 'actief en gezond’ bij, ontmoet er andere mensen door, maakt vrienden en leert op de koop toe 'nieuwe vaardigheden’. De vrijwilligers vinden hun motivatie blijkbaar in zelfontplooiing - voor slechts één op de vijf onder hen geeft 'morele verantwoordelijkheid’ de doorslag.
IN EEN 'JONGERENSPECIAL’ van het blad Tijd & Taak, onder het motto 'Zijn er nog idealen?’, schetst een student treffend hoe het er voorstaat met de moraal: 'Er zijn waarden. Waarden die vooral op het persoonlijke vlak liggen. “Zelfverwezenlijking” wordt niet gezocht in materiële welvaart of grote politieke idealen. Het wordt gezocht in het persoonlijke contact. De normen zijn navenant. Solidariteit is er nog steeds, maar wordt op kleinere, overzichtelijke schaal beleefd. Het wordt minder met een hoofdletter geschreven en daardoor ook minder als opgelegd gebod ontdoken.’
'Normen en waarden’ zijn niet zozeer op de aftocht als wel geïndividualiseerd. De publieke debatten over drugs, euthanasie en criminaliteit hebben een hoog moreel gehalte, juist doordat de collectieve normen vervaagden en iedereen telkens zijn eigen morele grenzen moet vaststellen.
Daarbij speelt de televisie een grote rol. Niet alleen talkshows waarin expliciet de moraal van het dagelijks leven besproken wordt, ook de populaire soaps houden ons dagelijks een heel ander ideaalbeeld van relaties voor dan dat van de markt waarop iedereen zoveel mogelijk zijn eigen voordeeltjes in de wacht moet slepen en de rest kan stikken.
Weliswaar is de eerste les in al die talkshows - van Oprah Winfrey, Catherine Keyl, Violet Falkenburg, Paul Witteman - dat men zich steeds eerst moet afvragen en ontdekken 'wat je zelf wilt’, dat men zijn 'emoties’ tot gelding moet brengen en zich niet mag laten ondersneeuwen, maar daar komt meteen achteraan dat de mens alleen optimaal functioneert in relatie met anderen, waar hij dan ook veel in moet investeren - 'werken aan je relatie’ heet dat niet voor niks.
In de populaire serie The Bold and the Beautiful zijn de hoofdpersonen weliswaar succesvolle zakenlieden, maar ze besteden het leeuwedeel van hun tijd aan het gezinsleven en aan het voortdurend afbakenen van de morele grenzen binnen een modern relatiepatroon. Zowel in de modebranche waarin ze werken als in de sfeer van de seksuele betrekkingen manifesteren zich regelmatig gewetenloze winstmakers, maar die delven steevast het onderspit: het kwaad wordt gestraft. Het leven van de blanke caféhouder wordt gered door de achterlijke zwarte jongen die hij niet in dienst wilde nemen, waarna hij hem het baantje toch gunt: het goede overwint.
ONLANGS VROEG IK een nichtje om tijdens mijn vakantie een televisieprogramma voor mij op te nemen. 'Goh, nou, als ik dat maar niet vergeet’, antwoordde ze spontaan. Het trof mij net zo als die scène in de openbare leeszaal, omdat ik ben opgevoed in de moraal die voorschrijft dat je klaar moet staan voor anderen, zeker je familie. Als je de gevraagde dienst niettemin vergat, voelde je je schuldig. Het is gemakkelijk om uit het antwoord van dat nichtje zwartgallige conclusies te trekken over de morele stand van zaken, maar toen kort daarop een wederzijdse vriend van ons overleed maakte ze middagen achtereen een lange busreis om bij zijn vrouw te zijn.
'Moraal moet aangeleerd worden’, stond onlangs boven een artikel in NRC(Handelsblad. De voortdurende pleidooien voor het invoeren van 'normen en waarden’ (en zelfs volgens de commissie-In ’t Veld 'emotionele hechting’) als een vak in het onderwijs onthult de overheersende morele onzekerheid: wat vroeger vanzelf in het gezin en het openbare leven werd doorgegeven, moet nu worden 'aangeleerd’. Marjoleine de Vos pleitte er in dat artikel voor dat op de basisschool iedere ochtend klassikaal de normen en waarden worden 'opgedreund’. Ze zijn alomvattend: 'We helpen elkaar’, 'we pesten niet mee’, 'we laten niemand in de steek’.
Het is het minimalistische program van de hedendaagse moraal, waar je voor de instandhouding van een menswaardige samenleving inderdaad een heel eind mee komt. Maar staat het er werkelijk zo beroerd voor dat kinderen dit program dagelijks zouden moeten 'opdreunen’? Mij dunkt dat dit achterwege kan blijven, want die regels worden de jeugd avond aan avond voorgeleefd in Goede Tijden, Slechte Tijden.
De individualisering leidde er niet toe dat iedereen nu maar zijn eigen voordeel en plezier najaagt. Onze eigen God schrijft ons in ons eigen hartje vaker altruïsme voor dan je op grond van het pure 'marktdenken’ zou veronderstellen.