Slechts schreeuwen kan

De occulte gedichtencyclus Kraai, het meesterwerk van de Britse schrijver en dichter Ted Hughes, is eigenlijk ook een meesterwerk van vertaler Daan Doesborgh.

Ted Hughes tijdens een receptie in het New Zealand House, Londen. 24 juni 1970 © Evening Standard / Getty Images

Het is waarschijnlijk te danken aan Verdriet is het ding met veren (2015), de ietwat overschatte debuutroman van Max Porter waarin de poëzie van Ted Hughes een grote rol speelde, dat er bij Porters Nederlandse uitgeverij ruimte ontstond voor de nieuwe, tweetalige uitgave Crow: From the Life and Songs of the Crow / Kraai: Uit het leven en de liederen van de kraai. Het is de eerste Nederlandse vertaling sinds de Engelse bundel vijftig jaar geleden verscheen, gemaakt door Daan Doesborgh (1988).

Om maar direct met het laatste te beginnen: Doesborghs prestatie is gelijk aan wat Bernlef deed met én voor het werk van Tomas Tranströmer: de lucide, singuliere poëzie van een uniek poëtisch talent ontsluiten voor lezers van de Nederlandse taal. Net als bij Bernlef merkt de lezer wat een voordeel het is als de ene dichter een andere vertaalt: wat in de ene taal zingt, doet dat in de andere gelukkig ook. Doesborgh wekt het werk van Hughes opnieuw tot leven. Zijn Nederlandse vertalingen zinderen van het zwart waarmee Hughes’ wereld is gekleurd na een val, zonde, of anderszins. Bij herlezing kom je elke keer iets nieuws tegen, elk gedicht is een rorschachvlek, een vaste vorm die steeds van betekenis verandert. Ook bij Doesborgh vloekt en tiert de kraaienpoëzie van Hughes, vastgebonden aan de wereld, zoals een vastgebonden, gefolterde man zich tegelijkertijd wel en niet kan bewegen. Vooral slechts schreeuwen kan.

Het verhaal achter Kraai is ongeveer dit: Hughes was de man van Sylvia Plath, de twee jonge geliefden waren zielsverwanten, ze trouwden in 1956 binnen vier maanden na hun eerste ontmoeting. Plath tikte Hughes’ manuscript voor zijn eerste bundel uit en stuurde het in voor een debuutprijs. Ze dacht dat hij zou winnen, en terecht. De twee kregen kinderen, en toen begon Hughes een affaire met de vrouw van een andere dichter. Ondertussen waren de ruzies al begonnen: Hughes sloeg Plath toen ze voor de tweede keer van hem in verwachting was, een miskraam volgde. Hughes wenste Plath, die al eerder zelfdodingspogingen had ondernomen, eens toe dat ze dood was. In februari 1963, een maand na de publicatie van haar debuutroman The Bell Jar, maakte de Amerikaanse schrijfster een einde aan haar leven. Na haar begrafenis zei Hughes dat het maar weinig mensen gegeven was een genie te vermoorden en dat hij nooit vergeven wilde worden. In de maanden na Plaths dood schreef Hughes twee gedichten, ‘The Howling of Wolves’ en ‘Song of a Rat’ en toen drie jaar niets meer. In zijn eerste bundel sinds Plath’s overlijden, Wodwo (1967), met het prachtige titelgedicht, ging Hughes amper in op de tragedie.

In 1966 schreef Hughes weer enkele gedichten, bij tekeningen van kraaien van zijn vriend Leonard Bashkin, een Amerikaanse illustrator die hij acht jaar eerder – Plath leefde nog – had ontmoet. En toen gebeurde dit: Assia Wevill, de vrouw met wie Hughes Plath had bedrogen en met wie hij nu samen was en die hij ook weer bedroog, doodde zichzelf in 1969. Net als Plath verstikte ze zichzelf door de keuken hermetisch af te sluiten en de gasoven aan te zetten. Maar waar Plath alleen was geweest, was Wevill met haar jongste dochter, koosnaam Shura, en vermoedelijk het kind van Hughes, op een meegebracht matras gaan liggen.

Hughes ‘dankt’ een groot deel van zijn faam aan zijn verbinding met Plath. Maar de Engelsman is zelf ook een onmiskenbaar groot dichter. Van zijn vroege natuurpoëzie tot het latere, meer humanistische werk van Wodwo en de unieke, woedende klaagzang Kraai, een poëziesequentie over en vanuit het perspectief van een mythische kraai: ‘Zwart was het zonderoog’, begint de bundel, ‘Zwart de binnentong/ Zwart was het hart/ Zwart de lever, zwart de longen/ Niet in staat het licht op te zuigen’.

Hughes kwam in 1930 in Yorkshire, Noord-Engeland ter wereld, als de zoon van een Eerste-Wereldoorlogveteraan, die eerst timmerman en later, met zijn vrouw, houder van een kranten- en tabakswinkel was. Hughes’ jeugd was eenvoudig maar veilig, en de jongen ontwikkelde tussen de heide en de boerderijen een obsessie voor dieren, de jacht, vissen en taal. Hij wist op de middelbare school al dat hij dichter wilde worden. Tijdens zijn diensttijd las en herlas Hughes veel Shakespeare en leerde hij de poëzie van W.B. Yeats uit zijn hoofd. Ritme en mythologie zouden twee van de belangrijkste pijlers worden van zijn poëzie.

De kraaienpoëzie van Hughes vloekt en tiert. Je komt elke keer iets nieuws tegen, elk gedicht is een rorschachvlek

Hughes’ bezwerende, verdichte gebruik van taal, boos of duister maar ook vrolijk en speels, is door Doesborgh voortreffelijk getransponeerd. Het belangrijkste formele kenmerk van Hughes’ poëzie is dat deze, lieflijk of woedend, strak of hoekig, altijd loopt; de dichter zet zwaar in op metrum, ritme; Doesborgh weet het te evenaren. Zie bijvoorbeeld deze strofe uit het eerder aangehaalde openingsgedicht van de bundel, ‘Twee legendes’.

Eerst het Engels: ‘Black also the soul, the huge stammer/ Of the cry that, swelling, could not/ Pronounce its sun’. Dan het Nederlands: ‘Zwart ook de ziel, het enorme gestotter/ Van de kreet die, zwellend, zijn/ Zon niet uit kon spreken’. Dus niet ‘niet kon uitspreken’, maar ‘niet uit kon spreken’.

Door deze keuze blijven de klemtonen van de oorspronkelijke tekst gehandhaafd. Of deze, meer beeldend, uit ‘De glimlach’: ‘The whole creation/ Was just a broken gutter pipe’. Doesborgh laat het werkwoord, de motor van de zin achterwege, juist om het Nederlands net zo te laten zoemen: ‘De hele schepping/ Slechts een geknakte regenpijp’. De vertaler moet over elk woord hebben nagedacht. ‘Kapot’ is hier de letterlijke vertaling, en in hetzelfde metrum, maar geknakt is veel beeldender bij een regenpijp.

Hughes’ epische narratief is vrij in zijn versvorm, en een uiting van een leven lang nadenken en een leven lang leven – vol tragedie. De zes gedichten bij de illustraties van Bashkin vormden het begin van een bomwolk aan poëzie over het zwart in iedereen en het zwart in de wereld: Kraai. Kraai is een gedichtencyclus die alle kanten uit vliegt, een werk waarin beide wereldoorlogen terugkomen, net als Hughes’ fascinatie met het occulte en vrouwen, en met het dierenrijk en de wereld van de mythologie, maar bovenal is Kraai een boek van en óver rouw. Rouw die zich als woede, als ontkenning, als acceptatie en als onderhandeling presenteert, en vaak al die dingen tegelijkertijd.

Veel van de gedichten zijn woedende aanvallen op God en het christendom, op het universum en de mens, en de oorlogen die mensen tegen elkaar voeren, zonder hogere leiding of doel: ‘“Kom”, zei Kraai, (dicht Doesborgh) “Laten we de situatie bespreken.” God lag, met open mond, een groot karkas.’

De cyclus is soms kinderlijk in zijn taalgebruik maar dan weer verbitterd in zijn wereldbeeld, en soms liefdevol en hoopgevend in zijn perspectief en dan grimmig in zijn verhaal. In 1970, toen T.S. Eliots shine als de zon en de maan van het Britse poëziefirmament een beetje begon te verbleken en de sterren van Larkin en Heaney begonnen te stralen, had Hughes zijn eigen supernova bij elkaar geschreven, een ziedend verslag-in-fragmenten, hoe vervormd, gemythologiseerd en bij-elkaar-gekrast ook, van een doorleefd leven. Van een vreemde dans. Van mensen die niet beter weten. Die bijten en knauwen en van wie ‘hun kleine kreten’ in de gordijnen fladderen (uit het prachtige ‘Liefdeslied’). Wier speren ‘wachten’ om elkaar uit naam van hun eigen vaandels te doorboren (zie: ‘Kraai verft zichzelf een Chinese wandschildering in’). En die liefhebben. Uit ‘Tegenmelodie van kraai’: ‘Als er geen hoop zou zijn was ze niet gekomen// En dan was er ook geen huilen in de stad// (Dan was er geen stad)’.

Na Kraai publiceerde Hughes nog diverse bundels (hij breidde Kraai uit met een zevental gedichten dat Doesborgh meenam) en in 1984 werd hij benoemd tot poet laureate van het Verenigd Koninkrijk (Philip Larkin bedankte eerder dat jaar voor de eer). Boeken als Moortown, Wolfwatching en het latere, meer reflectieve Birthday Letters (1999) zijn zeker de moeite waard, maar Kraai is en blijft Hughes’ meesterwerk. Hoewel, met deze vertaling is Kraai niet langer alleen van Ted Hughes, maar ook van Daan Doesborgh. Het is een groot fortuin voor de Nederlandse lezer dat dit boek er is.