Ger Groot

Slenterlezen

Soms wil het lezende oog even helemaal niets. Het dwaalt over de letters van de bladzijde, maar kan het nauwelijks opbrengen te ontcijferen wat er staat. Het is moe, maar net niet moe genoeg om te gaan dommelen. Het vecht een strijd uit tussen plicht en resignatie, want de tijd moet met iets nuttigs worden gevuld. Veel mag dat laatste echter niet om het lijf hebben, want elke verwerving ervan betekent inspanning.

Dus zoekt het oog een boek waarvan het nauwelijks iets verwacht en waarvan de inhoud zich bij voorbaat reeds als vluchtig lijkt aan te kondigen. In ieder geval staat er niets onvergetelijks op het spel. De halve aandacht zal zich er bij het voortkabbelen van de regels niet toe geroepen weten ook de andere helft te mobiliseren.

Waarom neemt de lezer dan toch een boek ter hand? Is het gewoonte, verveling, de al half opgegeven hoop toch nog iets aardigs te zullen ontdekken in een tijdspanne en op bladzijden die daarvoor eigenlijk al waren opgegeven? Een overbrugging naar de slaap is dit futloze lezen nog niet. Het doet zich meestal ’s middags voor en ook al loopt het daarbij ten slotte veelal op een hazenslaapje uit, dat laatste is er niet de inzet van.

Voor slaapwandelend lezen hebben wij het dikke vervolgboek waarachter avond na avond de ogen toevallen na een handvol bladzijden, waarvan de helft _her_lezen moet worden na de vorige avond. Slaaplezen vraagt om de negentiende-eeuwse feuilletons die altijd al op deze hortende korte termijn toegesneden waren. Elk van de afleveringen waarin ze in dag- of weekbladen verschenen had in zijn vorm en plot al rekening te houden met dit ingebouwde interval. Dóórlezen was er met de episodische verschijning van het verhaal voor de eerste lezers hoe dan ook niet bij.

Voor de lusteloze lezer ligt dat anders. Hij houdt het desnoods uren vol, sjokkend van bladzijde naar bladzijde, waarvan geen hem uit zijn lethargie weet te wekken. Misschien is hij daar dankbaar om. Een plotse roep om aandacht zou eerder een verstoring zijn dan een reden tot opgetogenheid over het ten langen leste toch nog gevonden stijljuweeltje. Opwinding past slecht in dit half-gemelijke sjokken langs de woorden, dat we – Baudelaire en Benjamin indachtig – zelfs geen literair flaneren mogen noemen. De voorgewende chic en opmerkzaamheid vanuit de marge die daarvoor kenmerkend zijn, zijn vreemd aan dit sleepvoetend bladzijden-omslaan. Hoogstens parasitair voedt het zich aan de eerste drijfveer van het lezen: de belangstelling – die het ternauwernood kan veinzen.

Gelukkig is dit slenterlezen pas wanneer het in het gekozen boek een natuurlijke bondgenoot vindt. De bundel Uit het autowrak gezaagd van Jaap van Heerden (uitg. Prometheus) zet in zijn openingsstukje dit onverplichte kuieren letterlijk in scène. Van Heerden voert daarin de lezer mee op een wandeltocht door Amsterdam, hier en daar even de pas inhoudend, een mijmerinkje ten beste gevend, eindigend op de plek van de moord op Theo van Gogh – waarmee blijkens de ingezonden brieven die ik nog wél lees ook dit weekblad steevast schijnt te dagsluiten.

In alles wat Van Heerden schrijft klinkt de vermoeide overtuiging mee dat niets daarvan er eigenlijk toe doet. Meningen, voorvallen, herinneringen: het slenterlezen ziet ze voorbijtrekken in een futiliteit waarvan ook Van Heerden tijdens zijn slenter_schrijven_ al overtuigd moet zijn geweest. Veel lijn is er niet te ontdekken (respect jegens andere visies is op de ene bladzijde gewenst, maar prompt idioot op de andere) in deze schouderschokkende Holzwege die van nergens naar nergens voeren. Uit het autowrak gezaagd is een monument voor het onderschatte fenomeen van het lezen en schrijven met tegenzin.

Dat effect wordt in dit boek met minutieuze precisie georchestreerd. ‘Essays’ heten de hier verzamelde stukjes, al vallen de meeste ervan eerder in de proletarischer categorie van het cursiefje. Een verantwoording achter in het boek geeft van iedere bijdrage de oorsprong, maar niet de eerste verschijningsdatum, de aanleiding of het kader. Die minimale vervulling van het academisch plichtsbesef drukt feilloos de landerigheid van het slenterschrijven uit en verklaart achter in het boek een toelichtende inleiding aan het begin alsnog – Oblomov-achtig – overbodig.

Zelden heeft het ongeïnteresseerde lezen zich ogenschijnlijk zo gewettigd, maar door de subtiele ironie van de omdraaiing tegelijk zo blootgelegd gezien als in het spel van gefingeerde desinteresse dat deze bundel met de lezer speelt. Dat laatste kondigt zich al in de titel aan. Ook die vindt in het hele boek geen enkele verklaring of rechtvaardiging – tenzij die aan de verlaagde aandacht van mijn slenterlezen van de weeromstuit is ontsnapt.