Sleutelaar

Arie Storm, Hemellicht. Uitgeverij De Arbeiderspers, 127 blz., 327,50
Stel, je hebt je eerste roman gepubliceerd en die heeft je niet de jubel en eeuwige roem gebracht die je ervan verwachtte. De recensies die geleidelijk aan in de kranten verschenen, waren ‘óf zuinig prijzend óf extreem negatief’ en hadden in elk geval geen run naar de boekhandel tot gevolg. Je frequenteerde het hoofstedelijke café waar bekende literatoren en journalisten zich plachten te verzamelen om aan je ‘contacten’ te werken en stortte je in ‘het bruisende literaire leven’. Tevergeefs. Je voelt je, kortom, een ‘mislukt schrijver’.

Stel je wilt desondanks een tweede roman schrijven maar je weet niet hoe en waarover en waartoe. Je zit achter je bureau, staart naar je tekstverwerker en er komt niets, althans niets dat bruikbaar is. Je mijmert wat over een geschikte titel, denkt wat na over het omslag en stelt de kantlijnen van je computer in. Dan begin je maar te schrijven over het eerste wat je invalt, je tijd in militaire dienst bijvoorbeeld. Iets met de titel ‘Ontgroening’, 'daar moest iets mee te doen zijn’.
Inderdaad, dit klinkt slap en slaapverwekkend. Toch is dit de inzet van Hemellicht, het tweede boek van Arie Storm, die drie jaar geleden debuteerde met Hémans duik. De geschiedenis van de 'mislukte schrijver’ is de zijne - al lijkt het me wat vroeg om van mislukt schrijversschap te spreken na één niet bijster enthousiast ontvangen boek - en nadat ik Hemellicht hebt uitgelezen, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de creatieve droogte van hoofdpersoon Kars Wal ook die van Arie Storm is. Want wat een zouteloos, melig en ongeïnspireerd produkt is Hemellicht.
Nu is het bij voorbaat gevaarlijk en navelstaarderig om een roman te schrijven over een schrijver met een writer’s block, die een grote gelijkenis met jezelf vertoont. Wat die gelijkenis betreft laat Storm weinig te raden over: zijn boek is - gedeeltelijk - een opzichtige sleutelroman, waarin hij citaten uit besprekingen van zijn eersteling heeft verwerkt. Hij probeert zijn boek te redden door het verhaal te overgieten met een vette saus van satire en ironie, maar helaas is dat een nogal geijkte reddingsmethode. Bovendien wordt zijn satire nergens komisch, laat staan bijtend.
Neem bijvoorbeeld de uitreiking van de debutantenprijs in Dordrecht die Kars Wal als genomineerde bezoekt. De debuutroman van de 'gevierde dichteres’ Hannah Tornquist (Anna Enquist) is favoriet, de schrijfster wordt nog voor de bekendmaking 'half op de schouders gehesen’. 'Nou nou nou’, laat Storm haar roepen, 'er is nog niets bekend. Mag ik een paracetamolletje, ik heb een beetje last van hoofdpijn. Wat een spanning.’
Nog zo'n goede grap over de dichteres: misschien kan ze van de tienduizend gulden die de prijs oplevert een rijmwoordenboek kopen.
Of neem de manier waarop de zelfmoord van de jonge Marokkaanse aanbidder van Kars Wals vriendin wordt beschreven: 'Het was Kars niet opgevallen dat hij ook op het dak was geklommen. Dat werd hem pas duidelijk toen Mahmoed het dak op nogal onorthodoxe wijze alweer verlaten had.’ Lachen.
Storm bedrijft niet alleen 'satire’ over het literaire leven, hij probeert ook 'ironisch’ af te rekenen met een bepaald soort literatuur. Het gevolg: een beetje groepsseks, een beetje drank, een beetje drugs, een beetje goot, een beetje niks. Wat blijft hangen zijn o zo geestige zinnetjes als: 'Wat interesseerde hem eigenlijk wel? Niets. De literatuur. Nou ja.’ En: 'Houdt hij van schrijven? Tja.’