Slibberig

Het befaamde Nederlandse poldermodel is vastgelopen in het Westerscheldeslib.

POLITIEK IN NEDERLAND is de voortdurende zoektocht naar een evenwicht tussen het verkrijgen van draagvlak in de samenleving en het waarmaken van politieke ambities. Het lijkt een open deur, maar wel een uiterst actuele dankzij de ruzie met Vlaanderen over het uitdiepen van de Westerschelde om de haven van Antwerpen toegankelijk te houden voor grote zeeschepen.
Van alle tijden zijn de discussies over de vraag wanneer het zoeken naar draagvlak, het beroemde en in dit Zeeuwse geval zeer toepasselijke polderen, moet stoppen, omdat het aanmodderen is geworden. Was in de jaren negentig, onder Paars, polderen nog een exportartikel waar Nederland in het buitenland om geroemd werd, begin deze eeuw was die stemming totaal omgeslagen. Toen heette het dat politici zich niet moeten laten gijzelen door maatschappelijke belangenverenigingen. Het primaat van de politiek moest in ere hersteld. Keerzijde daarvan is echter dat wie daarbij het draagvlak uit het oog verliest, zich kan stuklopen op het verzet vanuit de samenleving.
In het inmiddels zeer ingewikkelde Westerscheldedossier kun je je afvragen of het kabinetsbesluit van afgelopen voorjaar gezien moet worden als herstel van het primaat van de Haagse politiek of als toegeven aan het verzet van de Zeeuwen. Maar welk standpunt je ook huldigt, het dossier zit inmiddels diep in het slib.
Toen drie jaar geleden de Zeeuwse PVDA-gedeputeerde Thijs Kramer kort voor zijn dood het compromis op tafel legde om in ruil voor de natuurschade die het gevolg is van het weghalen van het slib uit de Westerschelde de Hertogin Hedwigepolder ten noordoosten van Hulst te ontpolderen, had hij daar een breed draagvlak voor weten te vinden. Kramer had flink gepolderd en zowel onder boeren als bij milieubeweging, natuurorganisaties en provinciale politici steun weten te verkrijgen voor zijn plan. Kramer mocht dan het standpunt hebben gehuldigd dat draagvlak de vijand is van ambitie, in dit geval had hij beide weten te combineren.
Klus geklaard zou je zeggen, Den Haag kan het zo overnemen. Maar daar dachten dit kabinet én de Tweede Kamer blijkbaar anders over. Dat kan. Als de SER dit najaar met een eensluidend advies over de AOW-leeftijd zou weten te komen, is het geen wet van Meden en Perzen dat het kabinet dit overneemt. De vraag is dan wel wat de argumenten zijn om een uitgepolderd plan terzijde te schuiven.
En dan komt er bij het Westerscheldebesluit van dit kabinet een wrange bijsmaak in de mond. Die argumenten lijken er niet te zijn. Het voorgestelde alternatief is duurder. Dus dat kan het niet zijn. Het voorgestelde alternatief is volgens natuurdeskundigen ook slechter, zowel wat betreft het natuurherstel, als wat betreft de bescherming tegen de stijgende waterspiegel. Dus ook dat kan het niet wezen. Blijft over het emotionele verzet van de Zeeuwen die onder ‘ik worstel en kom boven’ niet verstaan dat op de zee verworven land wordt teruggegeven. Ook dat soort emoties spelen in de politiek een rol. Maar tot hoe ver ga je daarin mee? Blijkbaar vroeg de Tweede Kamer zich dat ook af. Reden waarom die bij het kabinet aandrong op een adviescommissie, die onder leiding kwam te staan van Ed Nijpels. Net als het polderen ook al zo’n beproefd Nederlands recept: kom je er als politiek niet uit, dan stel je een adviescommissie in.
Nijpels en de zijnen kwamen echter met precies dezelfde uitkomst als gedeputeerde Kramer: de Hedwigepolder teruggeven aan de Westerschelde. De commissie had een aantal alternatieven, maar ook daar was het kabinet niet van gecharmeerd. Dus is wederom de vraag: waarom niet? Het officiële antwoord is: ‘Het kabinet is zich bewust van het feit dat het ontpolderen van landbouwgrond voor het herstel van natuur een vergaande maatregel is, zeker wanneer dat plaatsvindt in een regio waar de eeuwenlange strijd tegen het water een belangrijk onderling verbindend element vormt.’ Dit was niet het enige argument: er was in de Tweede Kamer geen meerderheid voor het ontpolderen van de Hedwigepolder. Ook de PVDA had het plan van haar overleden partijgenoot Kramer al laten vallen. Om dezelfde reden als het kabinet?
Inmiddels lijkt het officieuze antwoord op de vraag waarom het plan-Kramer van tafel is echter te worden: omdat de Zeeuwse minister-president Jan Peter Balkenende mee is gegaan in het provinciale verzet onder aanvoering van Zeeuw, CDA-partijgenoot en Tweede-Kamerlid Ad Koppejan, en de premier daarop de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, partijgenoot Gerda Verburg en hoofdverantwoordelijke op dit dossier, opzij heeft gezet.
Stel dat dit zo is, dan geeft het niet alleen de zwakte van minister Verburg aan, maar hebben coalitiepartners PVDA en ChristenUnie met hun neus boven op dit Zeeuwse onderonsje gezeten en het laten gebeuren. Interessant zou zijn om te weten of ze het niet belangrijk genoeg vonden wat er in het veraf gelegen Zeeland gebeurde of dat ze het met Balkenende eens waren, dan wel er iets voor terugkrijgen.
Als Balkenende heeft ingegrepen en daarmee daadkracht heeft willen tonen, dan is daar door de uitspraak van de Raad van State dat er vooralsnog niet gebaggerd mag worden weinig van terechtgekomen. PVDA-Kamerlid Lia Roefs was er als de kippen bij om de milieubeweging, die de zaak aanhangig had gemaakt, de schuld te geven van dit aanmodderen. Maar wie de geschiedenis van het Westerscheldedossier overziet, weet dat dit een onterecht verwijt is. Andersom kan met evenveel recht gezegd worden dat het allemaal de schuld van de Zeeuwse boeren is, toen zij gingen tornen aan het plan van gedeputeerde Kramer.
Politiek is niet alleen het zoeken naar evenwicht tussen draagvlak en ambitie, het is ook het grijpen van het momentum. Dat momentum was er in 2006, maar het kabinet heeft het laten lopen.