Stichting Dichters in de Prinsentuin

Slieren

Dichters in de Prinsentuin 1998-2007
Jubileumuitgave Stichting Dichters in de Prinsentuin i.s.m. Grafisch Museum Groningen te bestellen via www.dichtersindeprinsentuin.nl

Er vinden prachtige literaire festivals plaats in Nijmegen, Deventer, Vlaanderen en Groningen, maar er is geen landelijke krant of tijdschrift die zijn recensenten verzoekt om uitgebreid verslag te gaan doen van de programma’s Wintertuin, Het Tuinfeest, Saint Amour of Dichters in de Prinsentuin. Oorzaak is dat de heren en dames besprekers in de regel in de Randstad wonen, en het is bijvoorbeeld ruim twee uur treinen naar Groningen. Wat u zegt, een regelrechte hellerit. Natuurlijk zijn de Nacht van de Poëzie, Poetry International en al die andere programma’s ook meer dan de moeite waard om verslag van te doen, maar het stelselmatig onbesproken laten van dat wat gebeurt in de klaarblijkelijk zo gepercipieerde periferie is een schande.

Afgelopen week vond in Groningen voor de tiende maal het festival Dichters in de Prinsentuin plaats. Een laagdrempelig gratis toegankelijk poëziefeestje waarvoor andermaal een blik dichters van naam werd opengetrokken, dichters die allen bereid waren om die hellerit naar het noorden wel te aanvaarden. In de historische renaissancetuinen met uitzicht op de Martinitoren konden ze luisteren naar voordrachten van F. van Dixhoorn, Saskia de Jong, Peter van Lier, Mustafa Stitou en vele anderen. En er werd een jubileumuitgave voorgesteld, een cahier met daarin tien op losse bladen afgedrukte speciaal vormgegeven gedichten, van onder anderen Mark Boog (‘Het verliezen van gedachten, hoewel begerenswaardig,/ is de dood’) en Hélène Gelèns (‘zij stapt uit groeit tot hij haar bij de heupen kan pakken’). En een uitermate verrassende bijdrage van Menno Wigman. Lees maar.

Tot mijn pik

Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,

gewapend glas en Seroxat. Zocht ik

een woord voor alles waar geen woord voor is,

ik geef het op. Je bent een zak, een zak

ben je dat je ook nu weer dicht. En jij,

mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?

Ik wil geen weemoed die niks kost, kom op,

je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe

van wie je ziedend van je zaad ontdoet.

Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin. En naakt

als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.

Oktober. Veertig en geen bed werkt over.

Ooit wist je alles van genot. Iets met

voltage, wijsheid – ach mijn sleutel tot.

Ik neem aan dat u dit gedicht een paar maal hardop hebt voorgedragen en de woorden die nu volgen niet meer gaat lezen, omdat u overmand bent en tot weinig meer in staat. Maar voor die zombie die met een vraagteken boven zijn hoofd dit deel van de pagina apathisch aan blijft gapen, even het volgende.

Menno Wigman debuteerde in 1997 met de bundel ’s Zomers stinken alle steden maar verkreeg vier jaar later vooral roem met de opvolger, Zwart als kaviaar. In de besprekingen van die bundel rolde het ene superlatief over het andere heen en terecht, in mijn ogen omdat Wigman romantiek en lyriek terugbracht in de poëzie die in die jaren soms dreigde door te schieten richting empathieloze in coke gedrenkte klopopdeborstdichtkunst.

Baudelaire-vertaler Wigman kwam dan ook als geroepen, maar in diens derde bundel, Dit is mijn dag, dreigde zijn poëzie mijns inziens aan een opmerkelijk defect te gaan lijden. De gedichten werden eigenlijk te goed. De uitgeslepen, afgewogen woordopeenvolgingen die eerder zoveel indruk maakten en zo lang nadreunden, dreigden nu te gaan leiden tot een verwarrende verveling. ‘Ik ken de droefenis van copyrettes,/ van holle mannen met vergeelde kranten,/ bebrilde moeders met verhuisberichten’, zijn natuurlijk de eerste regels van een prachtgedicht getiteld Tot besluit, maar in die pracht zijn het ook dichtregels die al meteen klassiek en gecanoniseerd zijn en bij mij de behoefte opriepen aan iets onbehoorlijks, iets onbezonnens, een sprong uit de band van de eigen poëtica. Een vervolgregel uit dat gedicht: ‘Ik, die keffend in mijn canto’s woon,// had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen’, bood die onbezonnenheid niet. De poëzie dreigde in polijsten te gaan verstarren. Wigman dichtte als Marco van Basten die in iedere wedstrijd die hij na het EK van 1988 speelde, wéér rechts van het vijandelijke doel juist voor de achterlijn opdook en de van net voorbij de middenlijn toegepasste voorzet met een straffe lob ineens over de op een voorzet anticiperende doelman mikte.

Het gedicht Tot mijn pik is een sterke geste naar die twijfelende lezer. Het is kwetsbaar, eerlijk en in al zijn droefheid aangenaam roekeloos. Het ‘je bent een zak, een zak/ ben je dat je ook nu weer dicht’ is een woedende en wenende terugverwijzing naar het ‘wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig/ lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel’, uit Dit is mijn dag.

‘Veertig en geen bed werkt over’. Niks troost, niks verlichting. Het is een bekentenis. Een tanend libido en lust als left-over in een doggybag: ‘er sliert wat heupwerk door mijn hoofd’. Let ook op die zorgvuldigheid, het handelsmerk van Wigman. Hij moet veel alternatieven voor ‘slieren’ hebben overwogen. Het ‘wat heupwerk door mijn hoofd’ maakt in zijn formulering gewag van de vermoeidheid en lusteloosheid die de ik-figuur heeft overmand. De doehetzelvende ik staart naar zijn rits die niet meer open gaat en maakt onder invloed van neurotransmitters niet eens zijn zin meer af. ‘Mijn sleutel tot’.

Ik kan niet wachten op de volgende bundel van Menno Wigman.