Opheffer

Slijmballen-journalistiek

Er is een crisis in de pers, maar terwijl iedereen verlamd staart naar dalende oplagen doet men toch of je wartaal zit te verkondigen. De verklaring die men geeft, is altijd de meest voor de hand liggende: men leest minder want men zit of ligt liever achter de computer, voor de televisie en tussen de lakens.

Onzin natuurlijk.

Neem de Kosovo-crisis. Daar zou genocide zijn gepleegd; wij hebben dat niet alleen onze politici horen zeggen (op de SP na), maar ook de kranten zeiden het, onze journaals lieten het zien.

Deze week werd bekend dat er «maar» vierduizend man zijn gedood. De meesten na de Navo-bombardementen. Die vierduizend (de zin die nu gaat komen moet je altijd schrijven voor ingezonden-brievenschrijvers die zwaar neurotisch reageren op dood en aantallen) zijn natuurlijk te veel. Maar het is geen genocide, terwijl genocide de rechtvaardiging van die oorlog was…

We zijn er allemaal ingelopen!

Geen krant heeft ons op andere ideeën gebracht. Zelfs kun je je afvragen: stel dat een krant ons aantoonbaar een andere visie had laten zien, hadden we die krant geloofd? Gelezen? Of wa ren we kwaad geworden op die krant?

Ook wat het binnenlands nieuws betreft, is het mis. Er is een slijmballencultuur ontstaan. Politici laten zich alleen maar interviewen door slijmballen aan wie ze wat hebben, en kiezen zelf de media uit. De rest wordt afgescheept met nietszeggende antwoorden.

De Telegraaf en NRC Handelsblad zijn invloedrijke bladen. De Telegraaf is zelfs zo groot dat de krant regelmatig kritisch kan zijn, kritischer dan andere kranten. Maar het is toch heel erg dat de NRC de dag voordat het kunstbeleid in de Kamer wordt besproken Rick van der Ploeg daarover een stuk laat publiceren! Op die plek had een kritische beschouwing moeten staan, op basis van het beleid van Van der Ploeg. Van der Ploeg zelf moet een ongeregisseerde uitleg aan ons geven, en niet een stuk dat door hemzelf is geschreven en waarin hij zijn schlemielige beleid keurig in het pak zet.

Dat is slijmballerij.

En we zouden eens moeten luisteren naar al die politici, al die officieren van justitie, al die beleidsmakers die zeggen dat ze zelden iets in de krant vinden wat te maken heeft met hun beleid.

Kranten worden gebruikt. En daardoor kunnen politici zich van alles permitteren. Opinies zijn verwaterd en verworden tot koddigheid.

De journalistiek is bekakt geworden op het moment dat ze bedreigd wordt in het bestaan, en dat is zorgelijk. Het is geen vak meer. De status van de journalist is soms zelfs te groot.

Dat heeft volgens mij te maken met opleiding. We zijn allemaal drs. of gepromoveerd, we verdienen redelijk en denken dat we alles wetenschappelijk kunnen bekijken, maar daardoor zijn we het handwerk vergeten: doorzeuren, het stellen van de juiste vragen, inzicht bieden in wat we voorheen niet wisten. Hoeveel primeurs kennen wij eigenlijk? Invloedrijke primeurs, bedoel ik. Bitter weinig. We zijn polderjournalisten en laten ons door concerns als PCM in de maling nemen.

Maak eens een lijstje van de invloedrijke krantenjournalisten, vroeg ik laatst op een school voor journalistiek.

Weet u wie de leerlingen noemden? Ik durf het bijna niet te zeggen: Jan Mulder en Remco Campert, Youp van ’t Hek, Martin Bril en Natasha Gerson — allemaal columnisten! Zelfs de naam van Theo van Gogh werd genoemd, die volgens mij niet in een krant schrijft.

De docenten schaamden zich dood. Terecht.

Ik wist op mijn beurt ook weer niet hoe die heetten.