De pillenmaffia

Slik! De wurggreep van de farmaceutische industrie

In deze tijden van bioterreur werpt de farmaceutische industrie zich op als redder in de nood. Tegelijkertijd stelt de grootste industrie op aarde zo haar miljardenbelangen veilig. De grote verliezers zijn de patiënten en de onafhankelijke medische wetenschappen.

«Naarmate mijn reis door de farmaceutische jungle vorderde, kwam ik tot het besef dat mijn verhaal vergeleken met de realiteit even tam was als de tekst achterop een ansichtkaart», schrijft John le Carré in het nawoord van The Constant Gardner (in vertaling De toegewijde tuinier), een boek dat voor de verandering eens niet gaat over de erfenis van de Koude Oorlog, maar over de uitwassen van ’s werelds meest bloeiende industrietak anno 2001. Dat mag een verontrustende uitspraak heten. Le Carré spaart de lezer bepaald niet in zijn zoals altijd degelijk gedocumenteerde verhaal, waartoe hij onder meer afreisde naar de Soedan.

Het is een deprimerende wereld die hij oproept, een poel van hebzucht waarin naar hartelust wordt gemoord en bedrogen, waar resultaten van wetenschappelijke tests worden gemanipuleerd en critici monddood gemaakt via lange, geldverslindende bodemprocedures voor de rechtbank. Er bestaat, als we Le Carré moeten geloven, een wereldwijd opererende farma-maffia, georganiseerd in multinationale miljardenondernemingen, met vertakkingen tot op het hoogste politieke niveau, die zich bedient van legers advocaten en huurlingen, met maar één doel voor ogen: de wereld zo veel mogelijk vol te stouwen met medicijnen, of ze nu werken of niet — ja, zelfs als ze linea recta leiden tot de dood.

Le Carré’s fictieve firma Threebees wordt gemanaged door gewetenloze handelaren, met — in de eerste maar niet de enige plaats — de bevolking van Afrika als hun gijzelaar c.q. proefkonijn. Le Carré’s vertelling spitst zich toe op een miljardenhossel met een medicijn tegen tb, maar tussen de bedrijven door laat hij er weinig misverstand over bestaan dat soortgelijke marketingmethodes ook worden toegepast in andere segmenten van de farma-industrie. Natuurlijk zijn er ook bonafide farmaceuten, schrijft Le Carré, maar het F-side-gehalte is wel bovengemid deld vertegenwoordigd. Kortom: als dit beeld volgens de auteur nog maar als een flauwe afspiegeling van de realiteit moet worden beschouwd, is er reden tot zorg. Eens te meer nu diezelfde farmaceutische industrie sinds 11 september is overgegaan tot een ware machtsgreep.

De New York Times kwam in de editie van 4 november 2001 met een alarmerend achtergrondverhaal over de Grote Sprong Voorwaarts die de farma-multinationals konden maken in de nasleep van Zwarte Dinsdag en de mysterieuze aanslagen met antraxbrieven. Volgens de krant boekt de sector dezer dagen ongekende overwinningen, nog klinkender dan in het begin van de jaren negentig, toen de lobbyisten van farmareuzen als Eli Lilly en Pfizer er met vereende krachten voor zorgden dat het ambitieuze nationale gezondheidsprogramma van Bill (en Hillary) Clinton in Washington de grond werd ingeboord.

Nu de westerse wereld, de Verenigde Staten in de eerste plaats, in de ban van de angst voor bioterrorisme is gekomen, dienen de farmaceuten zich aan als de reddende engel. Aan hen de taak om de natie langs biochemische weg te beschermen tegen de nieuwe dreiging. Dat betekent grote investeringen in nieuw te ontwikkelen medicijnen. In ruil daarvoor eisen de farmaceuten veel terug. Het wisselgeld bestaat uit het opschorten van antitrustwetgeving, het beschermen van monopolieposities, het kwijtschelden van juridische aansprakelijkheid bij het ontwikkelen en lanceren van nieuwe medicijnen, die ook sneller op de markt moeten kunnen worden gebracht. Zo vond er begin deze maand in het Witte Huis een anderhalf uur durend gesprek plaats tussen vertegenwoordigers van Bristol-Myers en Merck en directeur Tom Ridge van de binnenlandse veiligheidsdiensten. Een aanwezige sprak van «een waar samenwerkingsverband tussen de federale regering en Amerika’s farmaceutische ondernemingen».

Consumentenorganisaties in Amerika zijn minder te spreken over de verengde banden tussen de medicijnmannen en de overheid. Zij vrezen dat de met veel pathos bedreven vaderlandsliefde van de farma’s in de eerste plaats is ingegeven door eigenbelang. Sidney Wolfe, directeur van de vooraanstaande consumentenorganisatie Public Citizen in Washington, sprak over «een gevaarlijk precedent». Volgens hem gebruiken de farmaceuten de ontstane noodsituatie vooral om te ontkomen aan regulering van hun bedrijfstak. Zo noemde hij het opvallend dat de aangeboden hulp uit het farmaceutische kamp vooral kwam uit de hoek van bedrijven die heel wat hadden te verliezen als hun exclusieve patentrechten verlopen zouden worden verklaard.

De zaak kwam in een stroomversnelling toen gigant Bayer onder druk van de Amerikaanse regering de prijs van Cipro, het medicijn tegen vergiftiging met antrax, sterk verlaagde, zodat de staat het tegen kwantum korting zou kunnen inkopen in geval van een nationale antraxcrisis. Eerder had minister Thompson van Gezondheid gedreigd het exclusieve patentrecht van Bayer te schenden als het Duitse concern niet uit eigen beweging met een prijsverlaging zou komen. De Amerikanen hadden zelfs al een bedrijf in Canada benaderd met de vraag of zij met een imitatie van Cipro konden komen. Kortom: de nood was aan de medicijnman.

Daarop reageerden concurrenten van Bayer, zoals Johnson & Johnson en Glaxo SmithKline, met aanbiedingen om medicijnen tegen de bioterreur gratis te verstrekken, mits de regering versnelde goedkeuring zou geven om deze op de markt te brengen en mits er inderdaad sprake zou zijn van een nationale crisissituatie. De industrie presenteerde dat als het bewijs van haar vaderlandsliefde. Sceptici zagen er vooral politiek kapitaal in, dat de industrie zou gebruiken om de belangen in andere compartimenten van de markt, dat wil zeggen de waardevolle patenten op andere medicijnen, veilig te stellen. Als de Amerikaanse regering Bayer het patentrecht op Cipro zou hebben afgepakt, zou dat het Duitse concern naar schatting achthonderd miljoen dollar hebben gekost. Nu bleef het verlies beperkt tot een daling van de winstmarge met 65 procent.

Het ergste scenario voor de farmaceuten was de dreiging van een precedentwerking. Om een idee te krijgen van de financiële belangen die met het medische patentrecht samenhangen: met elke zes maanden waarin farmareus Bristol-Myers het alleenrecht behoudt in de productie van het medicijn gluccophage (tegen suikerziekte), verdient de firma volgens schattingen een miljard dollar.

De farmaceutische lobby is van oudsher machtig in Washington. Alleen al in de afgelopen twee jaren investeerde de industrie 177 miljoen dollar aan lobbywerk, ruim 50 miljoen meer dan de eerste twee rivalen, de telecommunicatiesector en het verzekerings wezen. Alleen al in Washington lopen 625 lobbyisten van de sector rond, waarmee het Huis van Afgevaardigden getalsmatig wordt overvleugeld. Het gaat dan ook om een lucratieve markt. Alleen al de Amerikaanse bevolking spendeerde afgelopen jaar honderd miljard dollar aan medicijnen. Het is ook een groeimarkt. Tien jaar geleden consumeerde men nog de helft van dat bedrag. Om op dezelfde torenhoge winstvoet te kunnen doorgaan, is het van essentieel belang voor de farmaceuten om hun kostbare patenten zo lang mogelijk te bewaren. Wanneer het patent voor een medicijn afloopt, en concurrenten dus soortgelijke medicijnen op de markt mogen brengen, betekent dat de winst soms met zeventig procent daalt.

Zo verloor de firma Eli Lilly tachtig procent van de markt toen ze onlangs het patent verloor op haar populaire antidepressivum prozac (39 miljoen gebruikers wereldwijd). Om het miljardenverlies te voorkomen, kwam de fabrikant met een nieuwe variant van de wondercapsule, die nog maar één keer in de week hoeft te worden genomen vanwege de hogere dosis van de werkzame stof, fluoxetine. Teneinde de concurrentie voor te zijn, besloot de firma de nieuwe uitvoering gratis aan de man te brengen via internet. Critici beschuldigden de firma ervan geld proberen te slaan uit de om zich heen slaande depressie in de Verenigde Staten sinds de gebeurtenissen van 11 september.

Juist deze agressieve verkoopmethoden hebben het imago van de farmaceutische industrie de laatste jaren veel schade toegebracht. De kritiek dat de farmaceuten onevenredig veel geld investeren in de «marketing» van hun producten (twee keer zoveel als in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe medicijnen — zo berekende europarlementariër Glenys Kinnock), weerklonk al langer, maar was juist de afgelopen jaren aanzienlijk scheller geworden.

Ook in Nederland nam de kritiek de laatste tijd hand over hand toe. Zo publiceerde de Consumentenbond vorige maand in haar nieuwsbrief een waslijst aan presentjes waarmee de farmaceuten artsen proberen te bewegen juist hun recept uit te schrijven. De bloemlezing geeft een idee van de farmaceutische vrijgevigheid: een onderwatercamera, een draadloze muis voor de computer, een vijftiendelige Bommel-serie, een knuffel voor de kinderen, een picknickset, golfparaplu’s, skisokken, een videoband met Fawlty Towers, een set Chimay-bier met bijbehorende glazen, een waterdicht horloge — niets was te gek om de huisartsen naar het receptenbriefje te doen grijpen.

Eveneens een populaire marketingmethode is het aanbieden van dure reisjes, waarbij de te paaien dokters voor speciale «voorlichtingscongressen» worden afgevlogen naar exclusieve toeristische locaties, waar men al snorkelend dan wel skiënd wordt bijgepraat over de nieuwste snufjes op de farmaceutische markt.

Binnen de medische wereld zelf komen ook steeds meer afwijzende geluiden over de gevoerde smeercampagnes. In juni verklaarden artsen van drie academische ziekenhuizen in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam dat artsen zich op grote schaal door farmaceutische bedrijven laten omkopen om wetenschappelijk onderzoek te manipuleren. Doel van die omkoping is om slechte medicijnen via gemanipuleerd onderzoek als effectieve geneesmiddelen aan de man te brengen, zo verklaarde professor Van Gijn van het Academisch Ziekenhuis Utrecht in de Zembla-documentaire Gouden pillen. Volgens Van Gijn zou tachtig procent van het wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen zijn gemanipuleerd. De neuroloog, tevens hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, verklaarde: «De industrie werkt met tweederangs collega’s die als stromannen van de industrie onderzoek uitvoeren dat door de industrie wordt gedicteerd en wetenschappelijk beneden de maat is.»

Soortgelijke kritiek kwam in september dit jaar toen dertien toonaangevende bladen over medisch onderzoek de handen ineensloegen en verklaarden dat medisch onderzoek wordt gecorrumpeerd door commercialisering. Volgens de bladen maken de farmaceuten bij hun onderzoek naar de werking van medicijnen steeds meer gebruik van niet-academische onderzoeksbureaus, en steeds minder van samenwerking met academische ziekenhuizen en universiteiten.

En inderdaad gaat men, zoals Le Carré in zijn roman suggereert, over lijken als het moet. In Nigeria bijvoorbeeld, waar medicijnenfabrikant Pfizer uit Amerika werd aangeklaagd vanwege de dood van elf kinderen in de stad Kano, in het noorden van het Afrikaanse land. Toen daar een epidemie van bacteriële meningitis uitbrak, vaardigde Pfizer snel een équipe uit naar het land, om ter plekke het antibioticum trovan op kinderen uit te testen. In Amerika had men het nieuwe middel bij gebrek aan zo’n epidemie nooit kunnen beproeven, maar in Nigeria waren de menselijke proefkonijnen ruim voorhanden. Honderd kinderen kregen trovan toegediend, honderd anderen kregen een reeds beproefd medicijn, zij het (aldus de aanklacht die onlangs namens de nabestaanden bij een Amerikaanse rechter werd ingediend) in een zodanig lage dosering dat het niet goed zou aanslaan en het eigen medicijn derhalve gunstiger uit de test zou komen. Nog cynischer, aldus nog steeds dezelfde aanklacht, was dat Pfizer naliet te informeren dat er een veel veiliger medicijn beschikbaar was in hetzelfde ziekenhuis als waar de proef werd uitgevoerd. De ouders van de kinderen zeggen bovendien dat ze niet eens toestemming zouden hebben gegeven voor het experiment. Het is de eerste keer dat een Amerikaans farmaceutisch bedrijf wordt aangeklaagd vanwege een experiment in het buitenland, en ook hier zijn de financiële belangen voor de industrie enorm.

Door haar financiële slagkracht is de farmaceutische industrie in staat om onwelgevallige wetenschappelijke geluiden in de kiem te smoren. Aangezien ziekenhuizen vaak financieel in de tang zitten bij de medicijnenfabrikanten is er een ongezonde belangenverstrengeling ontstaan, waarvan de academische vrijheid de grote verliezer is. Wetenschappelijk onderzoek dreigt sowieso steeds meer een verlengstuk te worden van commerciële belangen. Daarom rijst in de medische wereld steeds meer oppositie tegen de wurggreep van de farmaceutische industrie.

Professor Rosendaal, klinisch epidemioloog te Leiden, waarschuwde bijvoorbeeld voor de gevaren van de «ondernemende universiteit», die afhankelijk is van de sponsors. Hij pleit voor een weg terug naar «de onafhankelijke, kritische universiteit, naar het onderzoek dat niet door marktbelangen, maar door academische nieuwsgierigheid wordt gedreven». Rosendaal: «Dat is het soort onderzoek dat vroeger tot de grote ontdekkingen leidde. Nu zijn er vele fundamentele onderzoeksvragen die niet direct genees middelgebonden zijn, maar die blijven liggen omdat de farmaceutische industrie er geen belang bij heeft».

Professor De Vries, hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam, wees erop dat in de gentechnologie op dit moment fundamenteel onderzoek wordt gefinancierd door de beursvloer, en vraagt zich af in welk opzicht nog van «vrijheid van wetenschap» kan worden gesproken nu «fundamenteel onderzoek steeds hechter verweven raakt met financiële belangen». En het befaamde Britse medische tijdschrift Lancet waarschuwde in de aflevering van 6 mei 2000 voor aantasting van de intellectuele onafhankelijkheid van de genezende stand. Het blad typeerde de verhouding tussen de farmaceutische industrie en de universiteiten als een relatie tussen «steeds ongemakkelijker minnaars».

Hoe ongemakkelijk die relatie inmiddels is geworden, blijkt wel uit het geval van de prominente Britse psychiater David Healy, die onlangs een klacht indiende tegen de Universiteit van Toronto. Healy hield eind vorig jaar een lezing waarin hij stelde dat er volgens zijn eigen onderzoek in meer dan alleen maar incidentele gevallen een relatie bestaat tussen het gebruik van prozac en zelfmoord (essen tiële gegevens daarover zouden door de fabrikant zelfs verdonkeremaand zijn). Een week later trok de Canadese universiteit een aanbod in om hem à raison van 250.000 dollar per jaar aan te nemen. Volgens Healy was dat besluit vooral ingegeven door het feit dat het ziekenhuis van de universiteit grote bedragen ontvangt van prozacfabrikant Eli Lilly, hetgeen het universiteitsbestuur vanzelfsprekend in alle toonaarden ontkent.

David Healy zegt zijn proces in de eerste plaats te voeren ter verdediging van de academische vrijheid van artsen om hun bevindingen vrijuit met het publiek te delen, zonder rekening te moeten houden met degene met wie zijn werkgever financieel in zee is gegaan. Zijn zaak zal door artsen overal ter wereld met spanning worden gevolgd. Maar zolang medicijnen in de eerste plaats handelswaar zijn, blijft het een gevecht tegen de bierkaai.

Met dank aan Health Action International en Frank van Meerendonk, consumentenactivist