Vittorio Busato

Slim en slimmer

Vittorio Busato, Intelligentie, zin en onzin

Uitg. Swets en Zeitlinger, 85 blz., ƒ19,50

Veel van onze gedragingen en omstandig heden kunnen in cijfers en letters worden beschreven, maar geen getal wekt zoveel tegenstrijdige gevoelens op als het intelligentiequotiënt. Er gaat een zekere dreiging uit van de suggestie — veel meer is het namelijk niet — dat het IQ je toekomstige successen accuraat kan voorspellen, alsof de maximale omvang van het cerebrale werkterrein voor altijd is gedefinieerd.

Vittorio Busato gaat in zijn handige, maar hier en daar wat schoolse overzicht Intelli gentie, zin en onzin (eerder als afzonderlijke artikelen in Intermediair verschenen) jammer genoeg nauwelijks in op de diepere reden van het grote gewicht dat aan het IQ wordt toegekend. De Amerikanen bijvoorbeeld zien een grote intelligentie als de voornaamste eigenschap die je kunt hebben. Dan Quayle vestigde eeuwige roem toen hij, frontaal voor de lenzen van de wereldpers, niet bleek te weten hoe je potatoes schreef. Het hoge IQ wordt, om welke evolutionair bepaalde redenen dan ook, geassocieerd met succes, met overleven in moeilijke omstandigheden, het «naar je hand zetten van de omgeving». Het duel tussen Bush en Gore is onder meer het duel tussen de aardige jongen en de intellectueel, en men is het er nationwide niet over eens wat de presidentiële mengverhouding van de verschillende eigenschappen zou moeten zijn. Ook in Nederland wekt het onderwerp soms heftige gevoelens op. Busato herinnert aan de controverse rond Te Nijenhuis (1997), die alleen maar had vastgesteld dat psychologische tests zowel voor allochtone als voor autochtone sollicitanten hun waarde hebben bij het voorspellen van succes op het werk; de allochtonen leken, ondanks hun gemiddeld lagere IQ-scores, niet merkbaar benadeeld, en die conclusie was kennelijk tegen het politiek correcte zere been.

Busato schetst in het kort de historie van het IQ. Spearman geloofde in 1904 in een algemene G-factor, die overigens wel als een artefact werd beschouwd. Thurstone onderscheidde in 1938 zeven primaire mentale vermogens, en Guilford kwam in de jaren zestig, geheel in overeenstemming met een ruimhartiger tijdgeest, tot 150 factoren. Conservatiever ingestelde geesten als Jensen en Eysenck bleven vasthouden aan één algemene intelligentiefactor; de biochemie en de structuur van de hersenen waren bepalend voor de verstandelijke actieradius, en de omgevingsfactoren in veel mindere mate. Howard Gardner onderscheidt acht soorten intelligenties, waaronder een lichamelijke, een muzikale en een interpersoonlijke intelligentie. Momenteel overweegt hij zelfs het definiëren van een existentiële intelligentie, een factor die bij individuen als de dalai lama en Sartre prominent aanwezig zou zijn.

De voorspellende waarde van IQ-tests voor schoolprestaties wordt nauwelijks aangevochten, maar voor latere leeftijden neemt het effect af. De wereld is te ingewikkeld, de interactie van persoonlijke historische ontwikkelingen, omstandigheden en mentale eigenschappen te complex. Momenteel wordt de erfelijkheidsfactor volgens Busato op rond de vijftig procent geschat, hetgeen bij nader inzien een nogal nietszeggend getal is. Ondanks alle twijfels aan de meetbaarheid van intelligentie zijn er heel wat pogingen ondernomen om de ultieme test te ontwerpen — de Wechsler Adult Intelligence Scale, de Raven Progressive Matrices, de Differ entiële Aanleg Testserie, son-r 2,5-7, allemaal namen die even poëtisch klinken als die van onze bekendste kometen. Er zijn wel opvallende, maar tot op heden onverklaarde correlaties ontdekt: «avondmensen» zijn intelligenter dan «ochtendmensen», Nederlandse dienstplichtigen worden steeds slimmer (een illustratie van het Flynn-effect) en ook lengte en intelligentie vertonen samenhang.

Na twee hoofdstukken over hoogbegaafdheid en expertise (vele genieën werken domweg harder en langer dan middelmatige collega’s) besluit Busato met een verhandeling over Emotionele Intelligentie (EQ), in 1996 beroemd gemaakt door Daniel Goleman. Het blijft voor Busato de vraag in hoeverre hier sprake is van oude wijn in nieuwe zakken; over zichzelf merkt de auteur gekscherend op dat zijn EQ «vaalgeel» is. En inderdaad, hoe nieuw kan het zijn om vast te stellen dat communicatieve vaardigheden en empathisch gedrag belangrijk zijn voor het welslagen van de loopbaan? Met afgrijzen herinneren we ons de chef, van wie op een maandagochtend bleek dat hij naar een cursus was geweest. Plotseling luisterde hij naar je en liet hij je uitpraten. De hinderlijkste verandering was misschien nog wel dat hij zich niet alleen aan zijn beloftes hield, maar dat jij voortaan ook de jouwe moest nakomen. Gelukkig beklijfden de veranderingen niet; na verloop van tijd was iedereen weer de emotionele domkop van weleer, en de seizoenen vergleden als in de goede oude dagen.