Economie

Slim regelen

In juli 2016 werd een boerderij nabij Denver in Colorado bij opbod verkocht. De omgeving lijdt er onder toenemende droogteproblemen en van de vijftien miljoen dollar opbrengst werd zo’n zeven miljoen niet voor het land of de gebouwen betaald, maar voor de waterrechten. Water is het nieuwe goud, zei Scott Shuman van het veilingbedrijf tegen The Denver Post. Verschillende partijen aasden op de waterrechten: andere boeren, maar ook de stad Denver en projectontwikkelaars.

Voor dit soort zaken is dit jaar de Nobelprijs voor economie uitgereikt. Veilingen worden veel gebruikt bij het verdelen van het recht op exploitatie van gemeenschappelijke middelen, ook wel common pool resources genoemd. Denk aan water, elektriciteitsnetwerken, het radiospectrum, visrechten en delfstoffen. Traditioneel waren die in handen van de staat, maar sinds de jaren tachtig wordt er veel geprivatiseerd, vaak via veilingen.

De prijs ging naar Paul Milgrom en Robert Wilson voor hun innovatieve verbeteringen van de theorie van veilingen. Hoe zorg je ervoor dat waterrechten in goede handen komen, voor de juiste prijs, en ook daarna met de juiste gevolgen? Milgrom en Wilson bedachten manieren om bieders samen een bod te laten uitbrengen, zodat ze na aankoop samenwerken in de exploitatie – iets wat bij gemeenschappelijke middelen vaak nodig is voor uitkomsten die ook in het publiek belang zijn, maar ook iets wat in de private markt niet vanzelf gewaarborgd wordt. Door hun slimme veilingtechnieken kan ook de winner’s curse vermeden worden, waarbij de betaler van het winnende bod te weinig geld overhoudt, met als gevolg onder-exploitatie of slecht onderhoud van gemeenschappelijke middelen, of het doorschuiven van kosten naar de eindgebruikers. Het doel van de veiling is dan niet het maximaliseren van de prijs, maar ervoor zorgen dat de koper de waterrechten of het radiospectrum zo veel mogelijk gaat exploiteren, en zo breed mogelijk gaat aanbieden.

In het liberale tijdschrift The Economist werd opgemerkt dat het Nobelprijs-comité met deze toekenning ook aangeeft wat voor soort economen ze waardeert. Economen die niet per se met grootse theorieën komen, maar die als ingenieurs praktische problemen oplossen.

Wie werd er nou beter van deze verkoop aan private partijen?

Dat riekt naar waardevrije economie. Voordat dit praktische veilingprobleem met slimme technieken wordt opgelost, zijn er echter al heel wat normatieve keuzes gemaakt. Bijvoorbeeld dat er überhaupt gemeenschappelijke middelen aan private partijen verkocht gaan worden. Het is ironisch dat in 2009 de Nobelprijs ook al werd uitgereikt voor onderzoek naar gemeenschappelijke middelen, van heel andere snit. De laureate, Elinor Ostrom, zag juist het probleem dat het privatiseren van gemeenschappelijke middelen vaak heeft geleid tot uitbuiting van eindgebruikers en superwinsten bij de nieuwe eigenaars.

Een voorbeeld. Nadat in 1989 de waterbedrijven in Engeland en Wales geprivatiseerd werden, steeg de waterrekening van het gemiddelde huishouden er in zes jaar tijd met dertig procent – en niet omdat de Britten plotseling dorst kregen. De waterbedrijven hebben sinds de privatisering 51 miljard pond geleend. Toevallig werd ongeveer hetzelfde bedrag, 56 miljard pond, als dividenden uitbetaald aan de aandeelhouders. Intussen regent het klachten over vervuiling en over lekken waar niets aan gedaan wordt. In een beoordeling in januari 2020 kwamen slechts drie van de zeventien waterbedrijven in Engeland en Wales als voldoende uit de bus. Wie is er eigenlijk beter geworden van deze verkoop van waterrechten aan private partijen?

Het zou natuurlijk kunnen dat dit met een slimme veiling allemaal voorkomen kon worden. Ik betwijfel het, want de factor macht blijft dan buiten beeld. In Nederland bijvoorbeeld gaat de lage grondwaterstand die de landbouwsector graag ziet, ten koste van natuur. In een veiling van waterrechten zou de natuur dus mee moeten bieden? In dit denkraam krijgt de groene lobby geen plaats, terwijl ze allesbepalend is.

Ostrom stelde een alternatief voor: ze ontwikkelde modellen waarbinnen gemeenschappen – die noch staat, noch markt zijn – de gemeenschappelijke middelen beheren. Ze was geen ingenieur die praktische problemen oploste. Ostrom was politiek econoom. Ze ontwikkelde een theorie over eigendomsstructuren die ons helpen verstandig om te gaan met onze sociale en natuurlijke omgeving. Praktische problemen oplossen is natuurlijk prima. Als we maar niet vergeten dat niets zo praktisch is als een goede sociale theorie.