Een spiegelend gebouw wordt onzichtbaar – het is iets wat architectuurstudenten vaak geloven als ze hun eerste ontwerpen maken. Een bezoek aan het Depot van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam kan iedereen voortaan van die illusie verlossen. Een met spiegelpanelen bekleed gebouw wordt helemaal niet minder opvallend, en het vergt vooral onderhoud en schoonmaak.

Zolang het Depot blijft glimmen – en vooralsnog zijn maar een paar van de 1664 panelen gebarsten – wordt de skyline van de stad er op een ongeziene manier door weerspiegeld, 360 graden in het rond. Natuurlijk is de reflectie eerder gebogen en gefragmenteerd dan getrouw: het lijkt soms of de omringende stad in een bolrond aquarium onder water staat. Toch functioneert dat spiegeleffect goed, en het veronderstelde Manhattan aan de Nieuwe Maas – met al die torens, relatief recent, die zich desondanks blijven aankondigen – leent zich uitstekend tot een dergelijke portrettering.

Bovendien houdt het Depot Rotterdam ook figuurlijk een spiegel voor, vooral wat betreft cultureel en stedelijk beleid. Er zijn niet veel steden die beschikken over een centraal en aangenaam bescheiden park waaromheen zich vijf culturele instellingen bevinden: de Kunsthal, Het Nieuwe Instituut (het voormalige Nederlands Architectuurinstituut), Museum Boijmans Van Beuningen, het Chabot Museum en het Natuurmuseum.

Samen met de Kunsthal van OMA/Rem Koolhaas kwam het Museumpark er in 1992, op basis van een ontwerp van de veelbelovende, maar jonggestorven Franse landschapsarchitect Yves Brunier, Petra Blaisse en OMA. Het is een park dat op geen enkele manier wil doen alsof het natuurlijk is – een uitgesproken stedelijk park, met andere woorden, opgebouwd uit stroken met een verschillende sfeer, met andere materialen en vegetatie, die elkaar als in een montage opvolgen.

Eigenlijk is het er niet eens gekomen om massa’s mensen te ontvangen: het is een open, onbebouwde plek, die de wandeling tussen de musea tot een ervaring kan maken, lichtjes irreëel, een beetje ironisch, cool en verfijnd. In 1994 sprak Adri Duivesteijn erover in De Groene Amsterdammer, vlak na zijn vertrek als directeur van het NAi: ‘Het zal hier, net als in Den Haag, altijd rustig blijven. Het moet hier ook geen Leidseplein worden, bij voorkeur niet.’

Dakbos op het Depot, mei 2021 © Ossip van Duivenbode / Depot Boijmans Van Beuningen

Dergelijke opvattingen – gebaseerd op de overtuiging dat museumbezoek nooit immens populair zal worden, en dat daar niets mis mee is – zijn sinds de eeuwwisseling zeldzaam, en ook Rotterdam ontsnapt niet aan de druk van de bezoekerscijfers. Vooral het Boijmans heeft het daar al een tijdje moeilijk mee. Wim Crouwel, directeur van 1985 tot 1993, suggereerde bij zijn vertrek meewarig dat het museum, mocht het in Amsterdam gelegen zijn, makkelijk twee keer zoveel bezoekers zou trekken. De volgende directeur, Chris Dercon, wilde een multidisciplinaire aanpak ontwikkelen, met meer ruimte voor hedendaagse kunst. Dat was niet makkelijk. Bij zijn vertrek in 2003 noemde hij Boijmans een ‘log en moeilijk instituut’, met een hang naar ‘blockbusters’, in een land gekenmerkt door ‘angst voor intellectualisme’.

Het Depot houdt Rotterdam letterlijk en figuurlijk een spiegel voor

Toen kwam, in 2004, Sjarel Ex, van 1988 tot 2004 directeur van het Centraal Museum in Utrecht. Zijn eerste taak was de verzelfstandiging van Boijmans, dat in 2006 transformeerde van een gemeentelijke instelling in een zelfstandige stichting, hoewel de stad de belangrijkste subsidiegever bleef. Ex nam zich voor het museum nadrukkelijker aanwezig te stellen; in een interview met Trouw in 2005 omschreef hij het als zijn missie ‘meer mensen te interesseren voor hedendaagse kunst dan de schamele 20.000 tot 30.000 heftige kenners’.

Al snel werd de museumarchitectuur medeverantwoordelijk gesteld. De door Dercon bestelde uitbreiding door Robbrecht en Daem architecten – discreet, fijnzinnig, op schaal van de woonhuizen langs de Westersingel – zou bezoekers afschrikken omdat ze de ingang niet kunnen vinden. Ex bereidde zich voor op een afbraak van de vleugel uit 2003: het gedeelte van het museum dat zeventien miljoen euro heeft gekost en nog geen twintig jaar oud is, wordt nu stelselmatig verwaarloosd, in afwachting van de sloopvergunning. Robbrecht en Daem sleepten het museum afgelopen zomer voor de rechter.

Volgende stap was de collectie, die zich grotendeels ophield in de kelder. In het boek gewijd aan het Depot staat een foto uit 2007: Sjarel Ex, met een zowel geamuseerde als verontwaardigde blik, elk been in een blauwe plastic zak, staand in de depots, of althans in de belendende kelderruimtes met het water een paar centimeter hoog. Ook deze noodsituatie werd meteen aangegrepen als een opportuniteit voor hogere bezoekersaantallen. Waarom een kunstcollectie ondergronds verbergen als er zoveel volk naar kan komen kijken? Het is een reflex die niet nieuw is, en een trend in de museumwereld die niet zo snel zal verdwijnen.

In het Metropolitan Museum of Art in New York worden sinds 1988 bijna twintigduizend kleine objecten in vitrines getoond, zij het voornamelijk aan studenten en wetenschappers. In 2008 opende Boijmans eenzelfde soort ruimte, het prentenkabinet, waar de bezigheden van conservatoren zichtbaar zijn achter een glazen wand. In het Museum aan de Stroom in Antwerpen, dat opende in 2011, is er een zogenaamd ‘kijkdepot’: een tijdelijke tentoonstelling die lijkt op een depot met metershoge rekken, maar die toch slechts een fractie van de collectie toont. In 2024 opent in Londen het Storehouse van het Victoria & Albert Museum waarin ‘talloze schatten voor het eerst sinds generaties aan het publiek zullen worden getoond’. En in 2025 wil ook het Centre Pompidou eenzelfde soort gebouw openen net buiten Parijs.

In het Depot © Ossip van Duivenbode / Depot Boijmans Van Beuningen

Het Depot in Rotterdam is, aldus Sjarel Ex en bestuurder Ina Klaassen in het voorwoord tot de publicatie, ‘het eerste museumdepot in de wereld dat toegang biedt tot een complete collectie beeldende kunst en vormgeving. In het hart van Rotterdam zijn de meer dan 151.000 objecten voor iedereen te bezoeken.’ Er kan gespeculeerd worden over de verlangens waarop een dergelijke onderneming inspeelt – of eerder: welke verlangens erdoor in het leven worden geroepen.

Het is een illusie dat een depotbezoeker echt met kunst in aanraking komt

Dat je als bezoeker een volledige collectie zou willen zien is, ten eerste, merkwaardig, en het is, ten tweede, praktisch onmogelijk. De verhouding tussen het depot en de werken op zaal is lang niet altijd een probleem geweest. Tot begin twintigste eeuw werden collecties integraal uitgestald in ruim bemeten museumzalen. Een depot was niet nodig. Het is omdat kunstcollecties exponentieel in grootte toenamen (en omdat er haast nooit kunstwerken worden weggegooid, en slechts zelden objecten worden verkocht) dat er al snel meer kunst voorhanden bleek dan dat er kunst tentoongesteld kon worden.

Wat evenmin hielp, was dat kunstwerken stelselmatig groter werden, meer plaats gingen vereisen, en niet altijd andere kunstwerken in de nabijheid verdragen. Om die reden ontstond de tijdelijke, meestal thematische tentoonstelling, en werd het belang van de curator groter, die zo beredeneerd en coherent mogelijk een klein deel van de collectie selecteert en aan het publiek toont.

In het boek bij het depot suggereert Sandra Kisters, hoofd collectie en onderzoek van Boijmans, dat dit historisch gegroeide probleem in Rotterdam op miraculeuze wijze is opgelost: ‘het depot wordt in de eenentwintigste eeuw het tentoongestelde depot’. Het is een retorische, haast wanhopige kortsluiting die het werk van tentoonstellingsmakers tot een lachertje reduceert. Een kunsttentoonstelling maken is toch veel meer dan alleen maar werken afstoffen, nummeren en zo efficiënt en veilig mogelijk in rekken zetten? En een kunsttentoonstelling bezoeken is toch al helemaal iets anders dan in een depot rondlopen en naar een op elkaar gedrukte collectie kunstwerken of naar museummedewerkers kijken, als slingeraapjes achter glas?

Het is een illusie dat een depotbezoeker echt met kunst in aanraking komt en op die manier kunst kan begrijpen, interpreteren of appreciëren. Het grote voordeel van een depot is dat de zogezegd subjectieve selectie van de curator, waartegen altijd wel iets is in te brengen, achterwege kan blijven, net als de mogelijk vermoeiende inspanning om je in afzonderlijke kunstwerken te moeten verdiepen. Maar wat leer of ervaar je tijdens een depotbezoek? Is het meer dan een kijkje in de keuken of in de cockpit, waarna je denkt: laat het eten maar komen, of: als dat maar goed afloopt? Uiteindelijk kijkt een depotbezoeker niet zozeer naar kunstwerken als wel naar objecten, bezittingen en dus naar kapitaal. De esthetische ervaring staat niet voorop, en is zelfs onmogelijk.

Waar het om draait is het raadsel van de aankoop en van de financiële en historische waarde van kunst. Het kunstdepot is daarom het antwoord op de maatschappelijke eis tot transparantie, en een gevolg van het primaat van de zichtbaarheid, om de titel van een boek van Camiel van Winkel uit 2005 te citeren. Eindelijk kun je als bezoeker met eigen ogen aanschouwen waaraan zoveel belastinggeld wordt besteed! En natuurlijk kan ook de droom ontstaan – de collectie van Boijmans bestaat grotendeels uit schenkingen van privé-verzamelaars – zelf ooit geld genoeg te hebben om zulke dingen thuis te hebben staan of hangen.

Ook déze puzzel is door de architecten goed gelegd © Aad Hoogendoorn / Depot Boijmans Van Beuningen
Zelden is de wil tot macht van een museumdirecteur zo kernachtig uitgedrukt

Om die reden wordt de architectuur van een depot zo belangrijk, als het enig aanwezige ‘kunstwerk’ dat je op een min of meer traditionele manier kunt aanschouwen en bezoeken. Dat Ex en het Boijmans bij Winy Maas zijn aanbeland, kan op het eerste gezicht verbazing wekken. Maas (1959) ging als pas afgestudeerde architect begin jaren negentig aan de slag bij OMA/Rem Koolhaas. In 1993 richtte hij met Jacob van Rijs en Nathalie de Vries het Rotterdamse bureau mvrdv op, voornamelijk om concepten ontwikkeld op de werkvloer van OMA in werkelijkheid om te zetten, zoals in de beroemd geworden Villa VPRO in Hilversum uit 1998. Op die manier werden ze een van de bureaus van de SuperDutch-stroming, en eigenlijk het enige collectief van die generatie dat nog steeds op grote schaal opereert, en wereldwijd bovendien.

Het werk van mvrdv is er niet voor wie houdt van verfijnde architectuur waaruit terughoudendheid en zelftwijfel spreekt. Ze zijn vooral goed in puzzelen – het in elkaar schuiven van vaak onverzoenbare onderdelen van gebouwen, zoals het woongebouw de Silodam uit 2002 in Amsterdam, of, een eind verderop bij het IJ, de verbouwing van het Lloyd Hotel in 2004. Wat Maas en zijn collega’s minder goed beheersen is enerzijds het bedachtzaam over architectuur spreken, en anderzijds het bedenken van een subtiele verschijningsvorm voor hun gebouwen, wat bijvoorbeeld in de Markthal in Rotterdam of in kolossaal angstaanjagende woonblokken in Madrid of Lyon tot uiting komt.

Het zijn natuurlijk net die twee tekortkomingen die het huwelijk tussen Ex en Maas hebben bezegeld. Het Depot moest en zou een spectaculaire attractie worden: een ongelooflijk gebouw dat ogenschijnlijk zijn gelijke niet kent – één antecedent is de spiegelende knikker La Géode uit 1985 in Parijs, met binnenin een bioscoopzaal – en het moest vooral meteen in het oog springen, de omgeving (en de concurrerende musea) domineren, en liefst ook over een duidelijke ingang beschikken. Ex droomde zelfs even van een kabelbaan die museum en depot met elkaar zou verbinden, maar dat is hem uiteindelijk uit het hoofd gepraat.

Hoewel de skyline er haast als een hommage door wordt weerspiegeld, is het Depot minder genereus voor de onmiddellijke omgeving. Het hni, in 1993 gerealiseerd naar een ontwerp van Jo Coenen, is gereduceerd tot een bijgebouwtje; op het caféterras kun je enkel nog naar het Depot kijken, of naar je kopje koffie of thee – een object dat de inspiratie leverde voor het gebouw, in de kantoren van mvrdv, zo heeft Maas met trots benadrukt. De Kunsthal houdt zich vooralsnog verscholen achter de bomen van het Museumpark, waarvan Maas dan weer beweert dat hij het groter heeft gemaakt dankzij het spiegelende Depot. Dat hij als architect een plek zo brutaal kan overheersen die ontworpen werd door OMA, en dat zoiets vadermoord mag heten voor iemand wiens carrière is gebaseerd op een karikaturisering van een handvol ideeën van Koolhaas: het is een prikkelende gedachte die vast ook bij Maas zelf is opgekomen.

Het mannetje van Maurizio Cattelan © Aad Hoogendoorn / Depot Boijmans Van Beuningen

Rotterdam heeft ondertussen plannen laten opmaken om het Museumpark weg te vagen en te vervangen door groen en gras, waar dan natuurlijk meer mensen zouden komen te zitten. Soortgelijke greenwashing doet zich hogerop voor: dat er bomen staan op het dak (of rondom de dakopbouw) maakt het Depot heus niet ecologisch verantwoord, want de invloed van die bomen is verwaarloosbaar in vergelijking met de hoeveelheden beton die voor het Depot vergoten zijn.

Het is een andere spiegel die de saga rond het Depot en het Boijmans kan aanreiken: hoe zinloos het is om jezelf als groen, progressief en ecologisch aan te prijzen, terwijl je alleen maar uit bent op economische groei, op aandacht, op het drukken van je hoogstpersoonlijke stempel, en op het vervangen van alles wat onmiddellijk aan je eigen interventies vooraf is gegaan.

Dat Ex vreest dat een dergelijke behandeling hem en het Depot ook te wachten staat, blijkt uit een eerlijke vraag in het boek, die hij meteen zelf beantwoordt: ‘Is het gebouw sterk genoeg om af te dwingen dat iedereen die na ons komt onze gedachten de komende decennia voortzet? Het lijkt me goed dat ons gebouw zo sterk is dat je het moet volgen.’ Zelden is de wil tot macht van een museumdirecteur zo kernachtig uitgedrukt.

Of de honderdduizenden bezoekers zullen volgen, is een andere vraag. Een toegangskaartje voor het Depot kost twintig euro voor volwassenen. Jammer genoeg kun je de opgestapelde werken en objecten slechts door een venster zien. Wie dichterbij wil komen, moet een groepsrondleiding boeken van maximaal zes personen voor 95 euro, exclusief entree. In een witte stofjas kun je dan inderdaad tussen de rekken lopen en bijvoorbeeld schilderijen van Mondriaan en Picasso zeer zijdelings bekijken, zij het niet langer dan een paar minuten, want dan komt de kunst in gevaar door blootstelling aan licht en lucht. In het hart van het Depot, een trappenhal met liften, hangen dertien glazen vitrines met niet meer dan een handvol werken of objecten, nog geen tiende van de overweldigende hoeveelheid op het computerbeeld waarmee mvrdv in 2013 de architectuurwedstrijd won.

Het parcours is helder ontworpen, de aparte zalen zijn, net als het restaurant helemaal bovenaan, probleemloos bereikbaar; ook deze puzzel is door de architecten goed gelegd. De hoop is dat dit gebouw van bijna honderd miljoen euro – voor een museum dat zoals alle culturele instellingen al decennialang moet besparen – zich snel zal terugverdienen, bijvoorbeeld omdat er ook private verzamelingen in het Depot worden bewaard. Het museum zelf is gesloten voor een renovatie die tot minstens eind 2028 zal duren, een project dat is beraamd op 260 miljoen euro, een bedrag dat nog niet op tafel ligt. In de tussentijd kunnen kunstliefhebbers, ‘heftige kenners’ of niet, een geweldig droste-effect creëren door met de rug naar het Depot te gaan staan en een selfie te nemen, om daarna, een paar illusies armer, elders in de buurt een echte tentoonstelling te bezoeken.