Sloop het sloopbedrijf

Jane Jacobs’ kritische blik op de moderne, onpersoonlijke stad is nog steeds actueel. Maar de biografie stelt teleur.

De verschijning van een biografie van Jane Jacobs wekt hoge verwachtingen: deze bevlogen vrouw die in de jaren zestig de Amerikaanse architectuur- en stedenbouwwereld wakker schudde met haar ongezouten kritiek op de moderne stedenbouw. In Amerikaanse steden vierde het moderne idee van ‘stedelijke vernieuwing’ hoogtij, waarbij sloop en nieuwbouw troef waren en de rommelige stadsbuurten met slechte voorzieningen in rap tempo verdwenen. De nieuwe appartementengebouwen en zonering van functies boden volgens velen een ideale stad, met licht, lucht en ruimte. Jane Jacobs zag de keerzijde van deze ontwikkelingen en vond de nieuwe stad ongelooflijk saai, zonder enige sociale samenhang en diversiteit. Die levendige kant van de stad zag Jacobs bij uitstek in de oude wijken, zoals West Village in New York waar zij woonde: rommelige buurten waar wonen en werken, winkels en bedrijven allemaal tegelijk naast elkaar bestonden, waar kinderen op straat speelden en mensen elkaar kenden.

Jane Jacobs was niet geschoold in architectuur of stedenbouw, maar ze was een scherp observerende journaliste die onder meer werkte voor het Amerikaanse architectuurtijdschrift Forum. Daar schreef ze over projecten van stedelijke vernieuwing, aanvankelijk meejuichend over wat de moderne architectuur vermocht, maar steeds meer in twijfel gebracht door de realiteit van de nieuwe woongebieden die ze bezocht in New York, Philadelphia en andere Amerikaanse steden. Ook de voorgenomen vernieuwing in haar eigen wijk in Manhattan die, zo vreesde Jacobs, de teloorgang van de levendige stedelijkheid zou betekenen, deed haar stelling nemen: zowel in geschrift als op de barricades.

Haar artikelen in Forum werden steeds scherper van toon, en toen ze uitgenodigd werd om op Harvard een lezing te geven formuleerde ze haar kritiek voor een verrast publiek, dat in haar een heel nieuwe, kritische stem herkende. Ze kreeg een bescheiden beurs van Rockefeller om haar visie uit te werken, een gelegenheid die resulteerde in haar bekendste boek: Death and Life of American Cities.

In dit boek probeerde ze te vatten waar stedelijke levendigheid om draaide, hoe de stad werkte. Ze keek naar de oude buurten en zag het belang van straten en stoepen als sociale ruimte van de stad. Ze herkende in de schijnbare chaos van oude stadswijken, met hun mix van verschillende functies, bewoners en activiteiten, een complexe structuur die zorgde voor sociale interactie en sociale controle: eyes on the street. De activiteiten die gedurende de dag plaatsvonden in haar eigen straat beschreef ze metaforisch als een stedelijk ballet waarin elke inwoner, gebruiker of passant een rol speelde: zelfs zijzelf wanneer ze ’s ochtends haar vuilnisbak buiten zette.

Medium hh 4364200
Jane Jacobs in New York, 1961 © NYT / HH

In Death and Life nam Jacobs stelling tegen de planners en politici die de oude wijken als sloppen beschouwden. Ze was het weliswaar eens met de observaties dat op het niveau van de woningen verbetering nodig was, maar stelde dat de buurten als sociaal-ruimtelijke structuren goed functioneerden. En sterker, dat dergelijke sociale structuren in de moderne projecten ontbraken en zelfs onmogelijk werden gemaakt.

De activiteiten die overdag plaatsvonden in haar straat beschreef ze metaforisch als een stedelijk ballet

Jacobs hield een pleidooi voor diversiteit, en die bestond volgens haar in de buurten uit de volgende elementen: een mix van verschillende inkomens, etnische groepen en verschillende vormen van bedrijvigheid; korte bouwblokken zodat er variëteit en fijnmazigheid ontstond in het stratenpatroon; een mix van oude en nieuwe gebouwen; en een hoge dichtheid van mensen. Precies die aspecten die bij de grote stedelijke vernieuwingsprojecten in de VS teloorgingen.

Ook haar latere boeken, zoals The Economy of Cities en The Wealth of Cities and Nations gaan in op haar centrale onderwerp: het leven in de stad. Waar in Death and Life de sociale mechanismen van stadsbuurten werden besproken, hield Jacobs in haar volgende boek, The Economy of Cities, een pleidooi voor kleinschaligheid en innovatie: ze toonde hoe economische groei ontstaat op plekken waar ‘nieuw werk wordt gecreëerd uit oud werk’. Niet de grote bedrijven en industrieën staan centraal in Jacobs’ visie, maar het proces van innovatie dat plaatsvindt bij kleine ondernemers die bestaande producten in een nieuw licht zien.

Hoezeer ze ook aan kritiek onderhevig waren, haar stellingen blijken lang houdbaar. Vandaag de dag zien we veel van haar ideeën terug in de huidige populariteit van de ‘creatieve stad’, een visie die erop gebaseerd is dat het succes van steden samenhangt met de innovatieve capaciteit van bewoners. In Nederland zijn succesvolle alternatieve projecten zoals de ndsm -werf en De Ceuvel in Amsterdam, het Schieblok in Rotterdam en de creatieve bedrijfsverzamelpanden de Caballero Fabriek, De Besturing en Binck 36 op voormalig industriegebied de Binckhorst in Den Haag voorbeelden van deze visie op stedelijke ontwikkeling: plekken die in Nederlands beleidsjargon broedplaatsen worden genoemd.

Op de barricades verscheen Jacobs als een onvermoeibare strijdster voor de oude wijken. Tegen wil en dank, lijkt het. Steeds weer werden haar geliefde oude buurten bedreigd door plannen voor stedelijke vernieuwing en grootschalige infrastructuur. En steeds weer kon ze niet anders dan zich met alle macht inzetten om deze rampen af te wenden. Met haar ervaring als journaliste was ze sterk in het verzamelen van feiten, het formuleren van scherpe commentaren en het benaderen van de betrokken partijen. Met succes organiseerde ze buurtcomités, petities en protesten. Ze riep een halt toe aan plannen voor sloop en nieuwbouw in haar wijk West Village, stopte de bouw van de Lower Manhattan Expressway en hield een vergelijkbare snelweg tegen in haar latere woonplaats Toronto.

De waarde van Robert Kanigels biografie van Jacobs, Eyes on the Street, is dat het verhaal van haar leven en werk uitgebreid en voor een breed publiek beschreven wordt. Het proces van de totstandkoming van ideeën, van haar artikelen en boeken, van haar acties in New York en Londen is uitgebreid belicht. Ook de ontvangst van haar werk, de verpletterende indruk die haar radicaal alternatieve visie in die tijd maakte, en de kritische reacties zijn uitvoerig besproken.

Toch stelt de biografie teleur. De scherpte en flair die het werk van Jane Jacobs kenmerkten missen totaal in deze biografie. Kanigel, die eerder biografieën schreef van de Indiase wiskundige Srinivasa Ramanujan en van de ingenieur Frederick Winslow Taylor, heeft uitgebreid onderzoek gedaan en veel mensen gesproken, maar de overdaad aan geciteerde bronnen doodt de biografie. Van bijpersonen moeten we lezen waar en wanneer ze geboren zijn en welke studies ze gedaan hebben alvorens ze Jacobs ergens tegenkomen. Neefjes, nichtjes, anonieme klasgenoten, kennissen van buren van vrienden.

Een ander heikel punt is dat Jacobs bij voorbaat gezien wordt als geniaal en uitzonderlijk. Anekdotes uit haar jeugd worden gebracht als voorbodes van haar latere werk: elke eigenwijze uitspraak van Jane als puber wordt gezien als bewijs van haar genialiteit. Dat ze een onconventionele route heeft afgelegd – zonder opleiding maar door kritisch te leren observeren bereikte Jacobs haar positie als cruciale speler in het Amerikaanse debat – wordt te vaak aangehaald met een toon van ongeloof; van een ongeschoolde vrouw, moeder van drie kinderen wordt blijkbaar niet verwacht dat ze zich ontwikkelt. Beter is het om haar eigen werk te lezen. Dan blijkt dat Jane Jacobs’ ideeën springlevend zijn in het huidige denken over de stad, ook in Nederland. De energie spat nog steeds van de pagina’s af.