Sloopoorlog

Glamour downtown Los Angeles, augustus 1955. Actrice Susan Hayward ® wordt klaargemaakt voor een scène in I’ll Cry Tomorrow © Bettmann / Getty Images

Wie als Europeaan Los Angeles bezoekt, beseft dat die stad in Californië anders is dan welke stad in de Oude Wereld ook. Alles is gloednieuw of nieuw, maar nooit oud, laat staan eeuwenoud. De stad strekt zich uit als een fragmentarische pannenkoek tussen de Mojavewoestijn en de Grote Oceaan. Er is geen echt centrum, er lijkt geen weg naar het stadshart te lopen. Bijnamen heeft Los Angeles genoeg: Autopia, The Big Orange, Internal Combustion City, Surfurbia, Smogville, War Factory, Dream Factory.

Al die bijnamen spelen een rol in het prachtige prozaboek The Long Take van de Schotse dichter Robin Robertson. De titel van de voortreffelijke Nederlandse vertaling, verzorgd door de dichter Hans Kloos, legt niet de nadruk op het filmthema (Hollywood!) maar op het fenomeen stad en wat een oorlogsveteraan daarin overkomt: Hier maak ik mijn stad. Het is de slotzin van een enerverend verhaal, dat zich ontvouwt in sprongen en flarden, lyrisch is en de regels nooit laat vollopen. En in een wisselende typografie die de meerdere lagen zichtbaar en leesbaar maakt, en die lagen vervloeien ook nog zodat stad, oorlog en verleden tezamen een hevige innerlijke strijd opleveren.

Hoofdpersoon is de getraumatiseerde Walker en hij doet die naam eer aan door als een verdwaalde gast en geest even rond te lopen in New York en San Francisco, en heel lang in Los Angeles: van 1947 tot 1957. Walker is een Canadese D-Day-veteraan die de oorlog heeft meegemaakt in Frankrijk, België en Nederland (in Nijmegen heeft hij ook gevochten). Dat verhaal presenteert Robertson in ‘onderkast’. De korte cursieve fragmenten gaan over zijn jeugd in Nova Scotia en zijn onverwerkte D-Day-ervaringen. De derde typografische variant is de schreefloze letter, die is gereserveerd voor buitengewone rake en zeer compact geformuleerde dagboekaantekeningen. Met deze uitleg wil ik zeker niet de suggestie wekken dat Hier maak ik mijn stad een buitengewoon ingewikkeld verhaal is met allerlei moeilijke overgangen. Integendeel, Robertson is zeer helder in de opbouw van zijn relaas. Daarbij helpen hoofdmotieven als film, stadsontwikkeling, racisme, antisemitisme en McCarthy’s heksenjacht op vermeende communisten. Die motieven zorgen ervoor dat er een eenheid ontstaat. Bovendien weet Robertson in zeer kort bestek – een enkele zin – meer te zeggen dan traditionele vertellers in een paar pagina’s.

Robertson zag ongetwijfeld alle Hollywood-films tussen 1947 en 1957

Terug in de Nieuwe Wereld, New York, beseft Walker dat hij, geestelijk gewond, onmogelijk kan terugkeren naar Nova Scotia en zijn verloofde. De vervreemding is totaal. Hij wordt havenarbeider en vertrekt, na een korte ontmoeting met een filmregisseur, in 1947 per trein naar Los Angeles, waar hij niet toevallig een kamer huurt in Bunker Hill. Zelf is hij ook een bunker waarin een geheim rondtolt. Hij is gefascineerd door de zelfkant van de stad, die permanent wordt afgebroken ten faveure van De Auto. De stad is een permanent slagveld. De personificatie van die zelfkant is de zwarte leesverslaafde en taalbewuste Billy Idaho, die de sloopmentaliteit van de corrupte bestuurders scherp verwoordt tegenover Walker: ‘Ze noemen het “grote schoonmaak” om de “misdaad” uit te roeien – ze bedoelen zwarten – om de stad uit te roken en te ontsmetten, tegen “ziektes” – ze bedoelen de zwarten en de armen – om “sloppenwijken” en “achterbuurten” te slopen – ze bedoelen de huizen en buurten van de zwarten, armen en ouderen.’ Billy Idaho waarschuwt Walker: laat die oorlog jou niet alsnog kleinkrijgen.

Walker is voortdurend op de vlucht voor dat wat hij in die oorlog in zijn eentje heeft uitgevreten nadat de 12.SS-Pantzer-Devision Hitlerjugend in Noord-Frankrijk krijgsgevangen gemaakte kameraden van hem heeft afgemaakt. Terreur tegen terreur. Walker wil binnen zijn vlucht nóg een keer vluchten: in de jazz maar vooral in films. Robertson heeft ongetwijfeld alle Hollywood-films tussen 1947 en 1957 gezien. Hij laat de fictie uit die rolprenten subtiel botsen op de keiharde dagelijks werkelijkheid in de stad, in Skid Row, waar de dronken daklozen talrijker en talkrijker worden. De droomfabriek Amerika produceert nachtmerries, die van het racisme (lynchpartijen), de apartheid en het rabiate anticommunisme. En in de stad woedt een permanente (sloop)oorlog om ruimte voor de bezitters. Bunker Hill wordt gesloopt, en Walker ook.

De coyote is het dier dat Walker twee keer in de stad signaleert: gevaar! Billy Idaho, wiens lievelingsroman Lowry’s Under the Volcano is (en vast ook Ellisons stadsroman Invisible Man), waarschuwt Walker voor de zoveelste keer: ‘Ah, de schelmen. Zoals Reinaert, Broer Konijn, Anansi. En ze brengen vuur, zeggen de indianen. De coyote, de raaf. Ze stelen het vuur en brengen het naar de mens. Je kunt maar beter hopen dat ze wegblijven.’

De ‘forced exile in this city’, zoals Robin Robertson het in zijn gedicht ‘Strindberg in Berlin’ omschrijft, loopt voor Walker uit op Skid Row, de zelfkant. Daar kan hij zich de vergetelheid in drinken. Alle Hollywood-films zijn vastgelopen, en Billy Idaho is ook gesloopt. Hier maak ik de stad is een pakkende alternatieve geschiedenis van Amerika, het land dat worstelt met zijn zuivere geheugen.