Sloopwerk

Olegs Tillbergs assembleerde zijn werk uit reststukken uit de Letse geschiedenis. En hij stopte daar bijvoorbeeld een bijenvolk in.

Dit werk van Olegs Tillbergs, uit Riga, is iets ruw fragmentarisch, of het zijn een paar overblijfselen samengevoegd op paneel van hout dat zo met donkere, droge kleur is bewerkt dat er een stug, korstig oppervlak ontstond. Daarop zien we een gerekt stuk metaal gespijkerd waarvan de kronkelige rand doet vermoeden dat het ergens van is afgescheurd – een stuk verweerd zink uit een dak bijvoorbeeld. Maar onderaan zit er nog een dwars stuk aan met een donker rond gat. Ik heb geen idee wat dat zou kunnen zijn. Tillbergs bracht nogal wat tijd door bij sloperijen om er stukken schroot te zoeken die hij voor zijn werk nodig had. Wie weet heeft hij dat stuk ijzer daar gevonden en meegenomen omdat de vorm hem deed denken aan een primitieve bijl. Het ding lijkt ook op een meetlat, met een rechte hoek, maar dan verbogen en nutteloos geworden. De driehoekige vorm die ertegenaan is gevlijd, lijkt me een gescheurd stuk zeildoek. Het is besmeurd met een zwavelkleurige substantie waardoor het hard is geworden. Ten slotte is er nog een rond soort vorm. Misschien de afdruk van een verfbus. Zo donkerblauw is die vorm dat die wegzakt in de donkerte van het oppervlak.

Toen ik in 1994 op bezoek was bij deze wonderlijk intense kunstenaar was Letland nog maar twee jaar onafhankelijk van de oude Sovjet-Unie, die ook bezig was uit elkaar te vallen. Tillbergs woonde in een houten huisje in een tuin aan de rand van de stad. Overal rondom stonden zulke huisjes, met tuintjes met lage hekken eromheen. Het was nat en modderig die dag. De omgeving en ook het soort huisje deden me erg denken aan de paar stukken platteland in Rusland waar ik wel eens was geweest. Olegs was begin dertig en nog in de Sovjet-Unie kunstenaar geworden. Nu was hij melancholiek. Veel werk was er niet te zien. In het verwarde vacuüm tussen de vervallen Sovjet-Unie en het nieuwe Letland dat nauwelijks nog bestond, waren eigentijdse kunstenaars een soort zwervers. Hij had op het plein voor het stadhuis van Riga een tijdelijke sculptuur gemaakt van zware ijzeren bakken, van die bakken waarmee modder werd opgehaald door een baggermolen – een hoekige lijn, 25 meter, van roestig ijzer. De bakken zaten vol met donker regenwater. Ook had hij schilderingen gemaakt door met breed zwaaiende gebaren een wand vol te smeren met afgewerkte smeerolie. Ze waren bruinzwart van kleur en zo vuil als roest. Ik heb er een gezien en ook de zware stank geroken. Zulke dwarse werken waren deel van een groot lamento.

De volgende dag nam hij me mee naar een woonwijk waar rond 1900 veel Jugendstil-­huizen gebouwd waren door de architect Mikhail Eisenstein, de vader van cineast Sergei. Alles daar was spookachtig verwaarloosd. Wat er uit die gebouwen was mee te nemen, was als schroot weggehaald. Dat Letland van ruïnes betrof zijn klaagzang. Hoe het nu gaat, weet ik niet. Maar toen, in de tijd van overgang, bestond zijn werk uit weggeworpen resten en brokstukken uit een industriële geschiedenis. Dingen die er, zoals de baggerbakken, obstinaat uitzagen en onbegrijpelijk als een rotsblok. De kleine assemblage van reststukken hier afgebeeld is eigenlijk net zo onbegrijpelijk, een hard, dwars raadsel.

Natuurlijk had Tillbergs van Beuys gehoord en van Kounellis – maar wat hij maakt is zo sterk in zijn eigen wereld en culturele omgeving ontstaan dat het geen namaak is. Want er is ook nog de eigenaardige verwantschap met Malevich. Een schilderij als Blauwe driehoek, zwarte rechthoek draagt in mijn ogen een herinnering aan de cultuur van het icoon, dat wil zeggen, het beeld dat heilig is. Die ernstige onverzettelijkheid voel ik bij Tillbergs. Het is te zien dat het suprematisme zijn vormenwereld is. Ik moet daarbij ook denken aan hoe in het eerste jaar van de revolutie een stel boeren uit de omgeving de bibliotheek van dichter Alexander Blok in de fik hadden gestoken. Vladimir Majakovski heeft daarover geschreven, in een poëem misschien, dat weet ik niet meer. Terwijl om hen heen de revolutie raasde, kwam Majakovski Blok op straat tegen: ‘Hallo Blok, hoe gaat het?’ En Blok: ‘Heel goed, mijn huis brandt ook.’

Zo’n optimist was Tillbergs ook. In 1994 probeerde hij uit wat door het Rode Leger in Letland was achtergelaten het karkas van een onklaar gemaakte Mig 22 te krijgen. Dat lukte hem. In de lege romp zette hij een levend bijenvolk, zodat in het overblijfsel weer nieuw leven kon groeien. Misschien zwaar op de hand en sentimenteel, maar toch ook een ontroerende gedachte.