Perquin

Sloot

Ik vind hem tijdens een zonovergoten fietstocht door de polder: een grote lapjeskat. Zijn achterlijf in het water, zijn voorpoten vastgehaakt in de met riet begroeide oever. Hij jammert - een krankzinnig, haast machinaal snerpen. Het klinkt alsof iemand een staafmixer in een bak met kiezelstenen drukt. Ik weet niets van katten, maar dit is het minst katachtige geluid dat ik een kat ooit heb horen maken. Ik buig me voorover en pak hem zo voorzichtig mogelijk vast. Omdat zijn vacht zich heeft volgezogen is hij lastig te tillen, maar het gaat. Hij verzet zich niet. ‘Jochie’, zeg ik, 'hoe is dit nou gekomen?’ De kat rilt. Als ik hem in het gras neerleg stopt het gejammer. Hij moet opwarmen, denk ik. Ik trek mijn trui uit en leg die over het verfomfaaide kattenlijf, zodat alleen de kop nog zichtbaar is. Het rillen wordt heviger. Moet ik hem droogwrijven? Maar wat als hij inwendige bloedingen heeft? Of botbreuken? Of hersenletsel? Wat als ik hem per ongeluk doodmaak? In de verte komt een tractor aanrijden. Ik loop naar de weg en zwaai. De tractor houdt stil. 'Meneer’, zeg ik tegen een boomlange jongen in een blauwe overall, 'kunt u even komen, er ligt daar een kat.’
De jongen zet de motor af en springt uit de cabine. Hij loopt achter mij aan het weiland in. Als we bij de kat komen zie ik hetzelfde als hij. Tegen beter weten in steek ik nog een hand onder de trui, om te voelen. Hij rilt niet meer. 'Nee’, zegt de jongen. 'Die is dood.’ We kijken naar de dode kat. 'Daarnet leefde hij nog’, zeg ik schuldbewust. 'Tja’, zegt de jongen. 'Zo gaat het.’ Even later lopen we naar de tractor. De natte kat hebben we in de trui gerold. De jongen legt hem naast de stoel in de cabine. Hij zal hem straks begraven, dat heeft hij beloofd. Achter op het erf. 'En je trui?’ vraagt hij. Ik haal mijn schouders op. Hij rijdt weg zonder te zwaaien. Ik kijk hem na en stap op mijn fiets. Het is kouder geworden, voel ik. Nog vijftien kilometer te gaan.