Slordig leven

En toen kwam mevrouw Constance Wibaut in de klas.

Zij was beeldend kunstenaar, schrijfster en mode-deskundige.

Zij kwam ons dan ook vertellen over mode.

Het was 1968, denk ik. Ik moet vijftien zijn geweest.

Het was in de tijd dat ik me verbonden voelde met de provo’s.

We waren jong en goed opgevoed en dus stil in ons lokaal, hoewel we ‘mode’ iets voor meisjes vonden. En die mevrouw Wibaut (toen 48 jaar) vonden we maar een oude schommel.

Maar mevrouw Wibaut vroeg meteen: ‘Wie heeft er wel eens van de provo’s gehoord?’

Hé! De halve klas stak zijn vinger op. Ik ook. Ze wees naar mij: ‘Wat zijn provo’s, jongeman?’

Ai – daar had ze me even te pakken, want ik was zelf wel provo, maar wat waren het eigenlijk?

‘Jonge mensen die tegen alles zijn?’ zei ik.

‘En waar zijn ze vóór?’

‘Dat iedereen witte fietsen mag gebruiken, zodat je geen fietsen meer hoeft te kopen.’

Leven als een schets in een schetsboek. Motto: wetten bestaan niet voor ons

‘En hoe herken je provo’s?’

‘Ze dragen witte spijkerpakken’, wist ik en mevrouw Wibaut knikte zeer waarderend.

Dat zij de kleindochter was van de Amsterdamse politicus Floor Wibaut was mij onbekend, noch wist ik dat zij geparenteerd was aan de Van Gogh-familie – die kende ik toen nog niet.

In dat uurtje dat we les in mode kregen van mevrouw Wibaut leerde ik iets wat ik vandaag de dag nog weet: je kleedt je om ergens bij te horen of om je ergens tegen af te zetten. Ze illustreerde dat met verschillende foto’s van rode sjaals, lange jurken, Schiller-kragen, alpinopetten – ik heb niet het hele uur goed opgelet maar ik vond het wel interessant.

Jaren later, in 2008, werd ik genomineerd voor de titel ‘slechtst geklede Nederlander’. Hoe men in godsnaam bij mij was gekomen, wist ik niet – ik heb de titel dan ook niet gewonnen, want de zanger Jan Smit scheen nog slecht gekleder te gaan dan ik – maar ik vond mijn nominatie een eretitel. Mijn kleren waren schoon, maar slordig, een ratjetoe van kleuren en stijlen.

Niemand gelooft mij, maar ik dacht na over de kleren die ik droeg. Ik wilde expres een slordige indruk maken, want ik wilde slordig leven. Ik wenste niet beoordeeld te worden op kleren, en zo denk ik tot op de dag van vandaag.

Slordig leven was een exponent van de absolute vrijheid die ik voorstond en -sta. Slordig is: onaf, niet perfect, grof, smerig. Leven als een schets in een schetsboek. Ik probeer het nu wel eens aan jongeren uit te leggen, maar die kijken me aan of ik al dementie in het ergste stadium heb bereikt, maar wij meenden het. Wij wilden bohémiens zijn. Motto: wetten bestaan niet voor ons.

Bij de esthetiek van de slordigheid hoorde ook een bepaalde ethiek; wat goed is, bepaalde je aan de hand van de hoeveelheid vrijheid die iets bezit, wat slecht is, kent geen vrijheid. Godsdienst: niet vrij, slecht. Anarchisme: vrijheid, goed. We waren trouwens ook slordig in de strengheid van onze eigen leer. Communisme: veel vrijheid, goed dus. Wie totaal vrij is, is toch ook vrij om alles naar zijn eigen hand te zetten?

De strijd om slordigheid verloor ik. Ook ik heb me in de loop der jaren aangepast – er hangen twee donkere pakken in mijn kast die zich daar niet thuis voelen. De saaie esthetiek is norm; de geilheid in het bestaan, om maar eens wat te noemen, is zodoende aan het verdwijnen. Keurig gedrag moet, absoluut, maar ik vind er niets aan. Een mens moet de ruimte hebben om slordig te zijn.

Alles is geësthetiseerd. Als je meer dan drie keurige pakken in het nieuws ziet, en meer dan twee mantelpakjes, hangt er onheil in de lucht.

Ik wil een wit spijkerpak om het vies te maken.

Floris Tilanus