Slot op de mond

Nog t/m 3 mei te zien in de Flashlight Studio’s in Amsterdam (aanvang 21.00 uur). Daarna van 9 t/m 24 mei in Hal 4 in Rotterdam (aanvang 21.00 uur). En van 27 t/m 31 mei in Theater aan het Spui in Den Haag (aanvang: 20.30 uur).
In de openingspassage van Het boek der omhelzingen van Eduardo Galeano neemt een vader zijn kind mee naar de zee. Het joch heeft nog nooit een zee gezien. Bij de eerste aanblik vanaf de laatste duintop is het kind overweldigd. Hij kan tegen zijn vader nog maar één ding stamelen: ‘Leer mij kijken.’ Mooi motto voor een theateravond.

In een grote hal is een ruimte gecreëerd (ontwerp: Tom Schenk). Een grijze halfronde wand met negen kleine openingen, de ommuring van een lege vloer, ook grijs. Zodra het licht verandert (aanvang voorstelling!) steken enkele figuren in tegengestelde richtingen gehaast over. De toon is onmiddellijk gezet: dit is een openbare ruimte, een plein. Iets anders is na enkele minuten ook duidelijk: hier zal niet worden gesproken. De bedenker van deze wonderlijke voorstelling is de Oostenrijkse schrijver Peter Handke. Hij gaf zijn ‘spel’ een mooie titel mee: Het uur waarop wij niets van elkaar wisten. De gebeurtenis duurt anderhalf uur, of meer, ik weet het niet, het is alsof de tijd hier stilstaat. Zestien spelers verbeelden woordloos ruim tweehonderd dolenden over een plein.
Het uur waarop wij niets van elkaar wisten dwingt iets ongewoons af: stilstaan op een plein. Een plein is een ruimte om over te steken, of om eraan te gaan zitten. Dat doen wij nu. We zitten op een tribune en kijken naar een kunstmatig plein. Zittend aan een echt plein doen we dat maar zelden. We gaan dan op in elkaars conversaties, we schenken nog eens bij, we zien niet meer wat het plein aan geheimen verbergt. Nu dwingen de theatermakers ons tot het kijken naar die geheimen.
Eén man woont op dit plein. In het script van Handke heet hij de 'pleingek’. Esgo Heil speelt hem als de mens die aan kijken verslaafd is geraakt. Hij vertegenwoordigt het ideale oog. In het idyllische middendeel is hij de vredesstichter, de rustbrenger. Wanneer na dat middendeel de onrust van de avond (in deze, bij Het Nationale Toneel door Ger Thijs geregisseerde versie is dat eigenlijk de wanhoop van de nacht) met haar grauwe licht weer invalt, dan zie je de 'pleingek’ ook een beetje wanhopig worden.
Het uur waarop wij niets van elkaar wisten is een liefdevolle voorstelling, een oefening in het kijken naar mensen. In de loop van de avond leer je er een aantal goed kennen. De jonge vrouw die haar zwangerschap eerst op haar rug, daarna op haar borst, en uiteindelijk in haar buik draagt. De oude man met de kaars - als de kaars wordt uitgeblazen sterft hij, en als een toevallige passant de kaars weer aansteekt, komt hij opnieuw tot leven. De tengere vrouw met de hamer en de spijkers in haar mond, die wordt achtervolgd door een radiografisch bestuurde speelgoedauto. Ger Thijs en zijn spelersploeg hebben de voorgeschreven handelingen in een eigen volgorde gezet. Dat het speelgoedautootje de tengere vrouw met de hamer in haar hand en de spijkers in haar mond (Barbara Duyfjes) achtervolgt, heb ik bij Handke niet aangetroffen. Ook niet dat het autootje treiterend langzaam tegen haar benen opkruipt. Het levert een memorabele scène op. En een van de talloze geestige details in deze voorstelling. Met geluid. Want dat is een bijzonder detail aan Het uur waarop wij niets van elkaar wisten: wij, de toeschouwers, verzorgen vaak het enige geluid op deze theateravond. We zuchten, we sissen, we lachen, we stoten elkaar hoorbaar aan, terwijl de zestien acteurs zijn beroofd van hun voornaamste manier van communiceren: taal, tekst, geluid. Misschien werd ik daarom wel zo vrolijk van deze voorstelling. Wij mogen iets wat zij voor één keer helemaal niet meer mogen. Ik kreeg de onbedwingbare, kinderlijke neiging om te gaan praten: 'Kijk uit’, 'Pas op.’ Maar de grote concentratie van de zestien spelers deed een slot op mijn mond. Zij leerden mij opnieuw kijken.