Economie

Slow Finance

Afgelopen zomer werd het Europese bank-wezen door de wringer gehaald. De autoriteiten voerden een stresstest uit op de 91 grootste bancaire instellingen van Europa om te weten hoe de vlag erbij hing, twee jaar na de kredietcrisis. Verondersteld werd een slechtweer-scenario met lage groei, dalende huizenprijzen, oplopende werkloosheid en nog zo wat ellende.

De resultaten waren tamelijk voorspoedig: slechts een zevental banken zakte voor de test en moest een paar miljard euro extra kapitaal aantrekken. Maar onmiddellijk na publicatie werd de test zelf in twijfel getrokken. Van werkelijke stress zou nauwelijks sprake zijn. Daarvoor was het scenario veel te lief en bleek allerlei narigheid buiten beschouwing gelaten. Sommigen spraken zelfs van een ‘relaxtest’.
Het beoogde doel - inzicht in de actuele soliditeit van het bankwezen en herstel van publiek vertrouwen in de sector - raakte helemaal buiten beeld toen dit najaar bleek dat de Ierse banken door hun hoeven zakten als gevolg van de zeepbel op de Ierse vastgoedmarkt. Dat bracht de Ierse overheid tot een reddingsoperatie die miljarden euro’s opslokte. Wat vervolgens Ierland rijp maakte voor miljardensteun uit Europa, gekoppeld aan een hard bezuinigingsprogramma waar veel Ierse burgers boos over zijn. Pijnlijk detail: dezelfde banken waren een paar maanden eerder probleemloos door de stresstest heen gekomen.
Deze gênante vertoning konden de ministers van Financiën van de Europese lidstaten niet over hun kant laten gaan, ook omdat de Verenigde Staten eerder hadden laten zien hoe het wél moest. Een test die pijn deed, met publiekelijke verantwoording over opzet en uitkomst, en tot forse extra buffers bij de banken leidde. Vorige week werd besloten tot een nieuwe Europese test in de komende maanden.
Tot dan moeten we wachten op een gefundeerd antwoord op een nogal cruciale vraag: zijn onze banken inmiddels veilig? Die vraag heeft alle onschuld verloren sinds de kredietcrisis vanaf 2008 en is - helaas - nog steeds behoorlijk actueel gezien de schermutselingen in het eurogebied. De hoogspanning rond de Europese schuldencrisis is een rechtstreeks gevolg van de verondersteld zwakke positie van bijvoorbeeld Duitse en Franse banken die in het afgelopen decennium goedkoop geld hebben geleend aan landen als Griekenland, Ierland, Portugal en Spanje. Het voorkómen van een tweede kredietcrisis was een belangrijke motivatie om in 2010 het Europese stabilisatiefonds in het leven te roepen. Net als in 2008 werden de overheden gegijzeld door fragiele banken.
De gang van zaken rond de Europese stress-test staat voor meer. Op diverse internationale podia als het IMF, de G20, het Basel-circuit (meetingpoint van de centrale bankiers) en Brussel wordt sinds 2008 gepoogd een internationaal antwoord te formuleren op de kredietcrisis. Het nettoresultaat daarvan stelt niet gerust. De internationale bankenlobby heeft zware druk uitgeoefend op de centrale bankiers om de nieuwe richtlijnen voor banken af te zwakken. Pas in 2019 worden de nieuwe eisen voor bijvoorbeeld kapitaalreserves volledig van kracht. Het ongereguleerde schaduwbankensysteem, dat in de afgelopen decennia ontstond middels hedgefunds, private geldfondsen en exotische financiële dochters van de banken zelf, wordt amper aangepakt. Vooral hier werden beruchte producten als gesecuritiseerde Amerikaanse rommelhypotheken, verhandeld buiten het zicht van de autoriteiten.
De nefaste impact van deze handel op het reguliere bancaire systeem bleek na de val van Lehman Brothers. De nieuwe Europese structuur voor grensoverschrijdend toezicht op internationale banken lijkt voorlopig vooral een oefening in formele bureaucratie en is geen voorbeeld van toezicht met tanden. Verdergaande voorstellen als het opsplitsen van banken, het terugdringen van de invloed van aandeelhouders en ratingbureaus, het keuren van complexe producten vóór toelating en hard terugdringen van de ontspoorde bonussencultuur maken vooralsnog geen kans.
Na de Grote Depressie van 1929 hebben de overheden de financiële sector grondig verbouwd. Dat karwei werd definitief geklaard met de conferentie van Bretton Woods in 1944 waarin de naoorlogse internationale monetaire orde het licht zag. De consensus heerste dat financiële crises van alle tijden zijn en dat stevige regulering van overheidswege nodig is. Niet alleen om zoveel mogelijk te voorkomen dat banken onderuitgaan, maar vooral ook om de effecten van onvermijdelijke financiële crises op de reële economie te beperken. Dat nobele besef ging in dertig jaar marktfundamentalisme verloren. De illusie van een kapitalisme zonder crisis mag na de Grote Recessie van 2008 mentaal begraven zijn, maar mist tot op vandaag een krachtig politiek vervolg.
Het ongenoegen over de dure reddingsoperaties, de hoge bonussen en een financiële sector die de relatie met de reële economie is kwijtgeraakt blijft zo onbeantwoord. Na de hoogtijdagen van High Finance toen banken als private winstmachines werden gerund, wordt het tijd voor een oefening in Slow Finance waarin de dienstbaarheid van de financiële sector aan de economie van alledag weer centraal staat. Een heidens karwei, maar er zit in het belang van ons allen weinig anders op.