De Duitse stagnatie

Slow-motion-land

Duitsland liep altijd voorop in Europa, op vele gebieden. Maar die voorsprong is verworden tot een achterstand, mede als gevolg van het politieke systeem. Het hervormen van Duitslands pseudo-federalisme zou de naoorlogse stagnatie kunnen doorbreken.

Het Duitse Wirtschaftswunder kwam ergens in de jaren tachtig tot een einde. De productiviteitsgroei daalde en de werkloosheid steeg tot zeven procent in het westen en achttien in het oosten. Bovendien is de demografische situatie slechter dan in de meeste Europese landen. Tien Duitsers krijgen gemiddeld zes kinderen en niet meer dan vier kleinkinderen.

We kunnen eindeloos cijfers blijven noemen. Maar om te begrijpen waarom Duitsers niet harder zoeken naar oplossingen voor hun problemen moeten we ook beseffen dat dertig jaar sterke groei niet in tien of vijftien jaar kan worden uitgehold. De Duitsers zijn nog steeds rijker dan de Engelsen.

In het verleden was het handelsmerk van dit land een koel economisch realisme. De Duitsers accepteerden de regels van een concurrentiemaatschappij. We kennen de gevolgen: meer dan twintig jaar lang sterke economische groei en volledige werkgelegenheid. Dat succes genereerde een nieuwe consensus. De vakbonden sloten eerder dan in de meeste andere Europese landen vrede met een marktsysteem, zelfs wanneer dat leidde tot tijdelijke werkloosheid.

Duitsland anno 2002 is een heel ander land. Wie na 1950 is geboren, heeft niets dan voorspoed gekend. Maar dat verklaart niet waarom Duitsland minstens vijftien jaar door politieke lethargie is verstikt. Waarom is Duitsland een politiek «slow-motion»-land geworden dat debatteert over belastingherzieningen die in vergelijkbare landen al bijna een decennium van kracht zijn, of dat twintig jaar sleutelt aan arbeidsmarkthervormingen zonder iets te veranderen?

Neem de immigratie. In de jaren tachtig was die hoger dan in de Verenigde Staten, Canada of Australië. Toch herhaalden politici, vooral van rechts, steeds weer de slogan «wij zijn geen immigratieland», ondanks het feit dat in veel schooldistricten in de meeste grote steden meer dan tachtig procent van de kinderen uit buitenlandse families kwam. Hetzelfde geldt voor de werkloosheid of de pensioencrisis. Terwijl andere landen, zoals Denemarken of Nederland, hun arbeidsmarkten hervormden en werkgelegenheid schiepen, deed Duitsland niets.

De reden dat Duitsland niet in staat is problemen direct aan te pakken, is dat het het meest gecompliceerde binnenlandse systeem van politieke checks and balances in de westerse wereld heeft. Na de oorlog hielpen die checks and balances een pro-groei-consensus te versterken. Maar met het verstrijken van de jaren blokkeerden georganiseerde lobby’s dit systeem. Die lobby’s hebben meer macht dan in de meeste landen omdat de machtsstructuur zo gefragmenteerd is. Volgens de grondwet is Duitsland een federaal land. In formele zin is dat ook zo, maar het Duitse federalisme is heel anders dan Amerikaans of Zwitsers federalisme. In feite wordt Duitsland bestuurd door een soort consensueel centralisme waarbij de macht altijd evenwichtig verdeeld is tussen Länder (deelstaten) en federale regering, tussen vakbonden en werkgevers, enzovoort. De Länder hebben bijvoorbeeld geen noemenswaardig zelfstandig recht om belasting te innen. Inkomstenbelasting en BTW worden geïnd door de federale regering en dan verdeeld tussen de federale overheid en de Länder. De rijke deelstaten subsidiëren zo de arme staten. Zelfs op gebieden waar je meer autonomie zou verwachten, zoals onderwijs, komen Länder-ministers gezamenlijk tot nationale regels voor alles van basis- tot hoger onderwijs.

Deze regering-van-alle-partijen creëert een soort negatieve concurrentie tussen de partijen — versterkt doordat er voortdurend stemmen gewonnen moeten worden, als gevolg van regelmatige Länder-verkiezingen (in februari zijn er weer twee). Voor een politieke partij is het heel moeilijk om twee of drie jaar lang moedige maar onpopulaire dingen te doen én verkiezingen te winnen. In de laatste verkiezingscampagne, toen bondskanselier Schröder enkele ideeën presenteerde voor hervorming van de arbeidsmarkt, gaf zijn uitdager Stoiber te kennen tegen elke bezuiniging op de werkloosheidsuitkeringen te zijn.

Natuurlijk exporteert Duitsland nog steeds meer dan 25 procent van zijn Bruto Binnenlands Product. Het bedrijfsleven is nog altijd zeer concurrerend. Maar in een moderne economie wordt tweederde van de werkgelegenheid geleverd door lokale diensten. En op dat punt is het Duitse systeem zwakker dan in de meeste vergelijkbare landen.

Daarnaast heeft het onderwijssysteem — ooit benijd door Europa — het buitengewoon moeilijk. Veel leerlingen maken de middel bare school niet af voor hun twintigste, gaan naar de universiteit met 21 of zelfs 22, en zijn pas klaar met studeren als ze 28 of 29 zijn. De meeste jonge Duitsers beginnen hun loopbaan zo laat dat er geen tijd is om te experimenteren met andere mogelijkheden. Het gevolg is dat veel mensen voor de rest van hun carrière blijven zitten in de eerste baan die ze na de universiteit vinden.

Als we de huidige ontwikkelingen doortrekken, ziet het er slecht uit. Maar dit is Weimar niet. Onder de oppervlakte zijn er enkele positieve bewegingen waarneembaar. Schröder is zijn tweede termijn slecht begonnen en hij zal méér risico moeten nemen dan gebruikelijk als hij terrein wil terugwinnen. Het publieke debat is ook grimmiger en emotioneler dan normaal, wat een teken kan zijn dat mensen beginnen in te zien dat het niet kan blijven zoals het is. Daarbij hebben enkele van de sterkste Länder-presidenten, van beide grote partijen, hun buik vol van de alle-partijen-regering. Het hervormen van Duitslands pseudo-federalisme zou de naoorlogse stagnatie kunnen doorbreken.

© Prospect

Vertaling: Rob van Erkelens