Sluimeringen

Als je de tot leven komende tombe van Jan Fabre hebt gezien, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, geloof je niet dat even verderop Michiel de Ruyter echt dood is.

De tombe (misschien), zo groot als een tafel en onder bloemen bedolven, staat opgesteld in de middenbeuk van de Nieuwe Kerk in Amsterdam, op de grijze stenen vloer met veel graf­zerken – dicht onder het luisterrijke orgel. Een suggestieve plek voor een performance die Preparatio mortis heet, een theatraal werkstuk van Jan Fabre in de ernstige context van het requiem. De muziek van de componist Bernard Foccroulle wordt op datzelfde orgel ten gehore gebracht: donker ruisend van toon, soms schril fluitend, meest langzaam gedragen. De plaats van handeling, op die koude vloer, is een bont en groen rechthoekig tapijt van verse bloemen die (met hun stengel) dicht op elkaar en keurig gerangschikt zijn neergelegd – plechtig ook, zoals je bloemen op een graf legt. Gerbera’s, chrysanten, lelies, anjers (geel, rood, wit, roze, oranje) – sierbloemen dus van het gekunstelde soort. Midden op deze vloer van bloemen staat de tombe. In een strakke ordening staan hoge bloemen tegen de zijkanten geleund, witte gladiolen vooral. Op de bovenkant ervan zijn de bloemen nog kleur­rijker opgetast.

Midden op dat tapijt zien we een geheimzinnig volume verborgen onder bloemen. Daarop valt ook het meeste licht dat eerst gedempt is en gesluierd en rondom in een leeg donker wegglijdt. Het is avond, maar in de gotische ramen is bleek stadslicht zichtbaar. Het orgel speelt, rustig en onbestemd – een voorspel dat verwachting wekt en dat, denk je, misschien ergens heen gaat. Ik ervaar de ruimte van de kerk vooral als hoogte, vooral omdat in het verdere schemerdonker wel ook de hoge, golvende gevel van het orgel in zacht strijklicht glanst. We kijken naar een tableau waar ogenschijnlijk niets gebeurt. Toch blijven we kijken omdat het orgel dwingt en fluistert – en omdat ook, langzaam en vrijwel onmerkbaar, het licht wat sterker wordt. Na verloop van tijd begint zich dan, als het kruipend groeiende licht ons meer laat zien, iets te roeren in die bedekking van bloemen. Hier en daar lijkt een bloem te bewegen. Het is nauwelijks meer dan beven. Als dan heel geleidelijk het licht zich nader begint te concentreren (een verloop dat vrijwel onmerkbaar is) beginnen we onder die oppervlakte van bloemen korte golvingen te ontwaren, als de beweging van rupsen. Die worden dan sterker en langer en golvender. In het bloemendek ontstaan bewegingen alsof er iets doorheen wil breken. Dan ineens zien we boven de bloemen een arm en een hand uitsteken. Er was nog maar weinig licht boven de bloemen en net daarboven, waar de arm traag omhoog ging, was het eerst nog duister. Toen dat donker doorzichtiger werd, zag ik de arm pas – toen die, sierlijk als de hals van een zwaan, licht ging bewegen. Zo begint zich uit het volume van bloemen heel langzaam de figuur van een vrouw te ontpoppen, eerst kronkelend als een rups en met golvende bewegingen. De vrouw, gaat de choreografie verder, wordt een danseres (Lisa May) die als een ontwaakte vlinder tussen de bloemen een leven danst of herinneringen daaraan – totdat ze, na een klein uur, terugkeert in het schemerdonker van de tombe.

Het dramatische verloop van deze dans kun je volgen als een figuratieve vertelling. Ik zie Preparatio mortis echter als beeld dat bestaat uit bewegende scènes die in elkaar glijden. Het zijn korte passages die op elkaar aansluiten als strofes van een gedicht. De dansbewegingen zijn kort en kortaf. Jan Fabre is een beeldend kunstenaar die denkt door te tekenen: de choreografie van de bewegingen is zo pakkend dat hij ze misschien, pas voor pas, wel getekend heeft – althans ze op die manier heeft voorgesteld, in de omgeving van de kunst. Er zijn schilderijen van Rubens (stadsgenoot van Fabre) waarin de sluipende belichting een scène laat opdoemen en dan weer verdwijnen. (Aanbidding door de herders in de Antwerpse Pauluskerk). Dat licht wordt nooit echt dramatisch donker: het is een donker licht waarin zich, als verfijnde schemering, ook kleuren mengen. Dat zijdeachtige licht dat vormen streelt en die niet zwaar maakt (zoals vaak bij Rembrandt) was de inspiratie voor het onnavolgbare vloeien van het licht in dit werk van Fabre.

Met in mijn hoofd Fabre’s kronkelende vormgeving stond ik toen, elders in de kerk, te kijken naar het praalgraf van Michiel de Ruyter dat ik daarvoor vooral als imposant en overdreven had gezien. Maar omdat ik ook nog de bewegende bloemen voor me zag, gloeiend in het gedempte licht, viel me op met welk een zachte verfijning in de sculptuur van Rombout Verhulst de oppervlakte van het marmer gemoduleerd was, waardoor het geheimzinnig tot leven kwam. Het is alsof het marmer ademt. In het strijklicht dat het monument beroert lijkt het alsof de fragiele oppervlakte begon te kabbelen als water of te kloppen als bloed. Doordat het glanzende marmer licht reflecteert gaat er om de sculptuur een waas zweven waardoor het is alsof de admiraal niet dood is maar eigenlijk ligt te sluimeren – te dromen zelfs, met om zich heen herinneringen aan zijn heldendaden, terwijl baardige zeegoden op schelpen zijn eeuwige roem toeteren.

PS Het werk van Jan Fabre is tot 30 september te zien in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Preparatio mortis wordt nog enkele keren uitgevoerd. Zie nieuwekerk.nl