Sluipend door de Oudeviezemanhuispoort

In dit pornografische internettijdperk is het bijna niet meer voor te stellen, maar ooit, zo’n twintig jaar geleden nog maar, moesten mannen voor hun kicks de deur uit, en konden echtgenotes huiselijk zwabberend de vieze blaadjes nog onder het echtelijk bed vandaan vegen. De schaamte en ontzetting waren er overigens niet minder groot om, misschien nog wel groter. Vonne van der Meer laat in haar verhaal Het limonadegevoel (1985) haar zwangere protagoniste het monster recht in de muil kijken als die het bed wegschuift en een onverwachte afbeelding haar aanstaart: ‘Tussen haar opgetrokken benen door keek ik recht in haar glimmend roze schaamlippen. De lange roodgelakte vingernagel van de hand die in haar lies lag, wees als een pijl naar de clitoris.’ Haar man blijkt een habit te hebben. Wie was eigenlijk het substituut, zo begint de vrouw zich af te vragen, de papieren vrouw of ik?
Schrijver, dichter, essayist Willem Jan Otten, in het dagelijks leven gehuwd met Vonne van der Meer, antwoordde zijn vrouw in hetzelfde jaar nog met het essay Denken is een lust. Een elegant stukje verdediging, waarin Otten hardop nadenkt over waarom mannen behoefte hebben aan pornografie, of er zoiets bestaat als een vrouwelijk equivalent en wat er zou gebeuren als we pornografie afschaffen. Bijzonder aan het essay, en meteen ook de reden dat het onverminderd opwindende literatuur is, is de persoonlijke urgentie die in iedere zin voelbaar is. Een eerlijk soort doorredeneren dat af en toe dreigt af te buigen naar verliefdheid op de eigen zinnen, maar over het algemeen tot lucide inzichten leidt. Het is verleidelijk veel van die inzichten te citeren of aan te strepen, zoals ook de vele lezers van dit boekje vóór mij moeten hebben gedacht. Alleen al het verlangen naar een onbeduimeld, onbeschreven exemplaar van dit essay rechtvaardigt een herdruk.
Otten spaart zichzelf niet bepaald, zoals hij zijn gang richting Sperm-à-go-go beschrijft, oftewel de seksshop, sluipend door de Oudeviezemanhuispoort, bang een bekende tegen te komen. ‘Wij, die uit zijn op kijken, hebben het grootste belang bij onze eigen onzichtbaarheid.’ De macht van de verkoper is gigantisch: alleen híj weet immers precies waar zijn klantjes op aanslaan.
Het is juist de bedachtzame intellectualiteit van Otten die bij dit onderwerp zo goed werkt. Niet eerder, en ook niet meer daarna, las ik zulke doordenkenswaardige dingen over lust, verlangen, trouw en liefde. Mooi ook dat hij eindigt met een soort hartenkreet richting zijn vrouw. Dat ze vooral niet moet proberen hem te begrijpen. Begrip zal immers uiteindelijk de begeerte doen verlammen. ‘Bewaar je afgrijzen, en verdoezel tot geen prijs de schaamte.’
Van der Meer, als ik zoveel jaar na dato de boel even schaamteloos autobiografisch mag herleiden, was in haar eerder genoemde verhaal via haar personage al tot een wijze, maar trieste conclusie gekomen. Ieder verbergt voor de ander zo zijn/haar fantasie, diep weggestopt in een plastic zak, bungelend ieder aan zijn eigen verwarmingsknop.

Willem Jan Otten, Denken is een lust. Essay, Querido, 1985