Het proza van Fleur Jaeggy vermoedt voortdurend onraad © Basso Cannarsa

Appenzell is een kanton in het noordoosten van Zwitserland, vlak onder het Bodenmeer. Het is het gebied waar het vriendelijke heuvelland van de Zwitserse hoogvlakte overgaat in het ruige bergland van de Alpen, geliefd als wandel- en skigebied. Menige literatuurliefhebber zal nu aan Robert Walser denken die hier, in een gesticht in Herisau, de laatste dertig jaar van zijn leven doorbracht.

De gelukzalige jaren van tucht van Fleur Jaeggy speelt in Appenzell en begint prompt met een herinnering aan Walser. Dat hij hier wandelde, natuurlijk, en stierf in de sneeuw. Maar dan volgt een onverwachte wending: ‘In Appenzell ontkom je niet aan wandelen’, aangezien daarbinnen, ‘in die netheid, de vrede en idylle des doods heersen’, het is ‘een Arcadië van ziekelijkheid.’ En zij, de naamloze vertelster, in wie we veel van de schrijfster herkennen, kan het weten. Ze heeft hier van haar achtste tot haar zeventiende op diverse kostscholen gezeten. Nu kijkt ze, als volwassene, terug op haar tijd op het Bausler Instituut, veertien was ze toen.

Walsers proza is van een opperste onnozelheid, onbekommerd groet het ’s morgens de dingen, zich van geen valkuilen of hinderlagen bewust; aanvankelijk was bij hem de eerste versie ook meteen de definitieve. Jaeggy’s proza daarentegen vloeit nooit soepel. Het sluipt wantrouwend in kleine passen over de pagina’s, vermoedt voortdurend onraad, houdt in op onverwachte momenten. Het tegenwoordig zo veel, te veel gebruikte woord ‘schuren’ is hier volledig op zijn plaats. En wat daar schuurt, steekt en botst is vaak ook gruwelijk komisch.

Jaeggy’s vertelster is afstandelijk én wil contact

Le style, c’est la femme – Jaeggy’s vertelster is extreem afstandelijk, tegelijk hunkert ze naar contact. Avances van andere meisjes wijst ze bot af, op de slaapzalen heerst een ‘ kuise promiscuïteit’, haar kamergenote noemt ze consequent en met onverholen afkeer ‘de Duitse’, en bij alles wat de Duitse zegt, doet, bezit of aanraakt stijgen ‘Duitse geuren’ op die rechtstreeks uit het graf lijken te komen. Maar meestal volgt op een afwijzing de spijt, direct of jaren later – naar die afstanden is het vaak raden. Want ja, ze zocht de eenzaamheid, maar ‘was jaloers op de wereld’.

Die tegenstrijdige emoties komen nadrukkelijk in het geding als er ‘een nieuwe’ op het Bausler komt. De nieuwe heet Frédérique, is uiterst hooghartig en ‘afkerig van alles’; van haar leert ze het woord ‘esthete’, haar handschrift was van een esthete, ‘haar algemene minachting’ idem. Geïmponeerd door zoveel kille distantie zoekt ze haar vriendschap; ooit hoopt ze haar te ‘veroveren’ en daarmee bewondering te oogsten bij de andere meisjes. Als zij Frédérique laat weten dat ze geïnteresseerd is in kunst, verleent zij haar ‘het voorrecht om haar in de gangen en op haar wandelingen te vergezellen’. Maar ze is ook ‘een nihiliste zonder passie’, haar fanatieke ordelijkheid trekt het gezichtsvlees over haar schedel strak en hard. ‘Ik dacht aan haar als aan een halve maansikkel (…). Terwijl alles slaapt, maait zij hoofden af.’

Het Bausler, geleid door nonnen, heeft iets van een mortuarium. Het autoritairatholieke regime eist gehoorzaamheid en discipline, de meisjes hebben dat haast volmaakt geïnternaliseerd. Behalve heel af en toe, in een plotselinge oprisping, bijvoorbeeld als de vertelster bekent dat ze ‘kinderen wel kon begrijpen die van de bovenste verdieping van een kostschool springen alleen om iets onordelijks te doen’. Een moeder-overste noemt ze de ‘grande dame van de zerken’, haar gezicht stond ‘op het punt weer tot stof te worden’. Een meisje ‘met oudevrouwenogen’ heeft een ijle zangstem ‘die uit een ander, weer opgegraven lichaam’ komt. En dit is misschien het pijnlijkste beeld, à la Topor: het gezicht van zelfs het lieftalligste meisje lijkt ‘bedekt met een kanten lijkwade. Het is haar eigen huid die hem heeft geborduurd.’

Het duurt even voor we iets begrijpen van die doodsobsessie. Ze heeft natuurlijk wel ouders, bijvoorbeeld. Maar haar moeder kent ze alleen uit de verte (we weten het ook uit ander werk van Jaeggy), ze noemt haar consequent ‘de briefschrijfster uit Brazilië’, vanuit Brazilië geeft ze haar pedagogische orders. Om door de grond te zakken van verdriet en compassie is de scène waarin ze afscheid van haar neemt. Acht jaar jong stond ze in kostschooluniform ‘met initialen’ op een tochtig perron in de buurt van de Sint-Gotthard op de trein te wachten om ‘haar te zien passeren, op doorreis, daarna zou ze zich inschepen op de Andrea Doria en de oceaan oversteken, zij, maman’.

En haar vader? ‘Herr Dr.’ woont in een hotel in Zürich. Hij schrijft haar af en toe een brief. Ze schrijft ook terug, ‘saaie, nietszeggende brieven’, net als die van hem; ‘hij vroeg waarom ik zo vaak schreef ’. Als ze weer ‘een nieuw meisje’ leert kennen, de Belgische Micheline, die zonder complexen lijkt, zelfs extravert, vrolijk en spontaan, begint zij te ontdooien. Net als de Belgische noemt ze haar vader zelfs haar ‘daddy’. Ze weet dat ze op hem lijkt, op ‘die oude meneer met zijn witte haar, zijn kille, heldere, droefeestige ogen’, met die blik die ook de hare zou worden. En die bepalend zou worden voor die dubbelzinnige, even donkere als verlangende Jaeggy-toon. Hartverscheurender proza heb ik zelden gelezen.