Commentaar

Sluiproute tegen Wilders

Soms heeft Geert Wilders het bij het rechte eind. ‘Dit hoort allemaal in de politieke arena te worden uitgevochten, niet bij de rechter’, zei hij in een interview naar aanleiding van zijn door het Amsterdamse Gerechtshof bevolen vervolging, wegens haat zaaien. Het Openbaar Ministerie moet hem nu aanpakken om zijn uitspraken tegen moslims. Tot nu toe voelde het daar niets voor.
Tegenstanders van vervolging beriepen zich de afgelopen week direct op de vrijheid van meningsuiting. Voorstanders wezen op de rechten van minderheden om niet gediscrimineerd of gekwetst te worden. Die voorspelbare discussie is weinig relevant. Hoezeer het de afgelopen jaren ook als argument wordt ingezet om alles te kunnen zeggen, een absoluut recht op meningsuiting bestaat niet in Nederland. Het commentaar van de Wall Street Journal, dat ‘Nederlandse rechters wel eens kunnen slagen waar de doodsbedreigingen van jihadisten tekortschoten’, is goedkope retoriek. De vrijheid van meningsuiting was en is altijd begrensd. Oproepen tot geweld mag niet, net zomin als discrimineren of opzettelijk kwetsen. Zelfs majesteitsschennis is nog altijd niet toegestaan in dit land. Uiteindelijk is het de rechter die de afweging moet maken. Laat dat nou net zijn wat er gaat gebeuren.
Desondanks begaat het Amsterdamse Hof een vergissing. Het is gevallen voor de verleiding een streep te trekken door de hele problematiek die samengevat wordt met trefwoorden als integratie, islamofobie, moslimsfundamentalisme en rechtspopulisme. Niet voor het eerst wordt gepoogd een sluiproute te nemen in wat het ‘multiculturele drama’ is gaan heten. Dat biedt slechts een schijnoplossing. Het gedachtegoed waar Wilders voor staat, verdwijnt er niet mee. Of, zoals NRC Handelsblad het in zijn hoofdcommentaar verwoordde: ‘De rechtszaal zal de komende jaren dus het belangrijkste toneel zijn van het moslimdebat. Het accent zal liggen op de strafwaardigheid van Wilders’ uitlatingen en pas in tweede instantie op de (on)juistheid ervan. Dat is geen wenkend perspectief.’
Temeer omdat de gang naar de rechter per definitie een zwaktebod is. Wie in de politiek zijn zin niet krijgt, probeert het in de rechtszaal. De leer van de trias politica ten spijt ligt de werkelijke macht in de samenleving uiteindelijk echter niet bij de rechter. Als die te eigenwijs wordt, zoals tijdens het vorige kabinet-Balkenende in het kader van de war on terror het geval was, verandert een minister gewoon de wet. En tegen politieke aardverschuivingen is al helemaal geen rechtsgang opgewassen. Zo werd Hans Janmaat eind jaren negentig nog veroordeeld voor kritiek op de multiculturele samenleving en kreeg de extreem-rechtse CP’86 een partijverbod aan de broek. Tien jaar later zijn veel van hun leuzen gemeengoed.
Bij sommige politieke kwesties zijn er geen sluiproutes. Zo ook bij Wilders, een fenomeen dat niet op zichzelf staat. Hij is het laatste hoofdstuk in de grotere rechts-populistische revolte die voorbereid is door Bolkestein en uitgevoerd door Fortuyn. En die geschiedenis is weer een voorbeeld van het aloude probleem van het Nederlandse liberalisme: zijn weke rechterflank. Vanaf het moment dat een bange liberale elite in de negentiende eeuw het nationalisme omarmde als maatschappelijk bindmiddel – en later om behalve onder de elite ook onder ‘het volk’ stemmen te trekken – drijven om de zoveel tijd groepjes liberalen af naar uiterst rechts, richting autoritarisme en zelfs racisme.
Een veroordeling van Wilders zou in die zin opnieuw de symbolische grens tussen burgerlijk en onfatsoenlijk rechts afbakenen, tussen de nette critici van de islam en de racisten. Dat is misschien comfortabel voor het politieke midden, maar zo’n heldere grens bestaat niet. Wilders schreeuwt over Marokkanen wat andere partijen zeggen. Door zo nu en dan op te spelen, fungeert die weke rechterflank tenminste nog als waarschuwing dat democratische politiek en rechten voor minderheden niet vanzelfsprekend zijn, zelfs niet in Nederland.
Beter nog is het om de woorden van Wilders zelf te volgen: vecht het uit in de politieke arena. Waaronder niet alleen het Binnenhof moet worden verstaan, maar ook de straat of het intellectuele klimaat. Alleen via politiek engagement, in de breedste zin van het woord, kan het gedachtegoed van Wilders en zijn honderdduizenden kiezers werkelijk worden aangepakt.
Eén kanttekening: Wilders zal de laatste zijn die consequent gehoor geeft aan zijn eigen woorden. Als moslims dreigen met geweld, wordt hun te verstaan gegeven dat ‘we’ in een rechtsstaat de rechter over zoiets laten beslissen. Richten ze zich tot die rechter, dan moeten ze het in de politieke arena zoeken. Zoeken ze het in de politiek, dan horen ze daar met hun twee paspoorten en dubbele loyaliteit niet thuis. Of beter, ze hadden hier überhaupt nooit moeten komen.
Het is ook nooit goed. Uiteindelijk moeten moslims, misschien wel buitenlanders in het algemeen, van Wilders gewoon het land uit. Laat hem dat nu toch eerlijk zeggen – zonder tussenkomst van de rechter. En doe er vervolgens zelf, samen met anderen, alles aan dat het nooit zover komt.