De jaarverslagen van brievenbusfirma’s

Sluiproutes naar Barbados

Via Nederlandse brievenbusfirma’s ontduiken grote internationale bedrijven belasting. De Amsterdamse stichting Somo probeert daar al sinds 1973 iets tegen te doen. ‘We willen laten zien dat het ánders kan.’

Medium somo

‘Soms voel ik me net een detective. Die jaarverslagen stellen vaak niks voor, hooguit een paar pagina’s. Toch kun je daarin al informatie tegenkomen waarvan je denkt: hé, dit is verdacht.’ Het bureau van Indra Römgens ligt bezaaid met stapels papier, in het midden staan twee computerschermen. De jonge onderzoekster (29) opent de website van de Kamer van Koophandel. ‘Stap één is jaarverslagen opvragen en proberen de bedrijfsstructuur in kaart te brengen. Waar zit de moederonderneming, welke dochters heeft ze? Soms kun je alleen daar al dagen mee bezig zijn, en dan weet je nog niet of je alles hebt. Neem bijvoorbeeld Deutsche Bank, die heeft tienduizenden dochters. Zie dat maar eens goed in kaart te brengen.’

Römgens opent het jaarverslag van Eldorado Gold (Greece) BV, een Nederlandse dochter van een Canadees mijnbouwbedrijf dat gebieden exploiteert in Griekenland. Op de voorpagina staat een stempel met daarin handgeschreven de datum en een registratienummer. ‘Het eerste wat mij opvalt is het adres: Barbara Strozzilaan 101. Even intikken op Google en je ziet: de Zuidas, meerdere kantoren gevestigd op één adres. Grote kans dat we hier te maken hebben met een brievenbusfirma.’

Vluchtig scrollt ze door het jaarverslag, dat vijf pagina’s telt. ‘Op de balans staat meer dan vierhonderd miljoen euro. Best bijzonder toch, voor een bedrijf zonder medewerkers?’ In een Excel-sheet heeft ze alle relevante bedragen onder elkaar gezet, van verscheidene dochterondernemingen van het Canadese mijnbouwbedrijf over de afgelopen vijf jaar. ‘De kunst is om de data en je kennis van het belastingbeleid met elkaar te combineren. Dan ontdek je dat de ene dochter geld leent aan de andere, en daar rente voor ontvangt – zonder daarvoor belasting te hoeven betalen. En je ziet: uiteindelijk belandt de winst op Barbados, waar opnieuw vrijwel geen belasting wordt geheven.’

Anderhalf jaar lang heeft Römgens samen met haar collega’s van Somo, Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen, onderzoek gedaan naar de handel en wandel van Eldorado Gold. ‘Dit Canadese mijnbouwbedrijf kapt ongerept bosgebied in Noordoost-Griekenland om goud en koper te kunnen winnen’, zegt Römgens. ‘In Griekenland wordt daar volop tegen gedemonstreerd, maar in Nederland horen we er nooit iets over, terwijl ons land een grote rol speelt.’ Het onderzoek van Somo toont aan dat Eldorado Gold via een Nederlandse brievenbusfirma Griekse belastingen ontwijkt, waardoor de Griekse overheid de afgelopen twee jaar ten minste 1,7 miljoen euro zou zijn misgelopen. ‘Multinationals kunnen vanwege fiscale regels geld wegsluizen, waardoor wereldwijd veel te weinig belasting wordt afgedragen – inkomsten die bedoeld zijn om publieke voorzieningen van te betalen, zoals infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg’, zegt Römgens. ‘Onrechtvaardig, en voor landen die gebukt gaan onder een economische crisis een financiële strop.’

Op 1 april presenteerden Römgens en haar collega’s hun onderzoeksrapport Fool’s Gold in Athene. Zij riepen de Nederlandse regering op een einde te maken aan de dubbele moraal: als we Griekenland echt uit het economische slop willen halen, zullen we ons beleid moeten veranderen, stelden zij. Ze kregen bijval van Eva Joly, vice-voorzitter van een speciale commissie van het Europees Parlement over belastingontwijking, die de rol van Nederland ‘op z’n zachtst gezegd hypocriet’ noemde. ‘Volgens haar wordt het tijd dat Nederlandse burgers beseffen hoe onze regeringen al decennialang op industriële schaal diefstal plegen’, zegt Römgens. ‘Maar staatssecretaris Wiebes liet weten dat het aan Griekenland zelf is om de problemen rondom belastingontwijking aan te pakken. Hij schuift de verantwoordelijkheid van zich af.’

Met nog zo’n dertig economen, politicologen, historici en bedrijfskundigen doet Indra Römgens bij het Amsterdamse Somo onderzoek naar multinationale ondernemingen, waarbij ze zich vooral richten op thema’s als maatschappelijk verantwoord ondernemen en economische rechtvaardigheid. Wereldwijd geven ze cursussen en trainingen aan medewerkers van lokale ngo’s om duurzame ontwikkeling te stimuleren. Hun rapporten over misstanden in bijvoorbeeld de farmaceutische industrie, de energiebranche en de kledingindustrie leiden in Den Haag dikwijls tot Kamervragen en krijgen ook internationaal steeds meer aandacht.

Maar de stichting krijgt ook kritiek: in de zomer van 2013 stelden werkgeversorganisaties vno-ncw en MKB Nederland dat Somo aan ‘stemmingmakerij’ doet door te beweren dat Nederland een toevluchtsoord is voor bedrijven die mensenrechten schenden. Volgens hen scoort Nederland juist consequent hoog in internationaal onderzoek naar maatschappelijk verantwoord ondernemen en kan belastingontwijking alleen worden aangepakt in internationaal verband. En afgelopen maand nog vroeg Elsevier zich in een groot stuk af waarom Somo overheidssubsidie krijgt – jaarlijks zo’n twee miljoen euro van het ministerie van Buitenlandse Zaken – ‘om multinationals dwars te zitten’. Het rapport over Eldorado Gold moest het in dit artikel ontgelden. Volgens de auteur vallen de miljoenen die Griekenland mogelijk aan inkomsten heeft gemist door de belastingontwijking van dit mijnbouwbedrijf ‘in het niet bij de tientallen miljarden die opeenvolgende Griekse regeringen door wanbeleid hebben verkwist’.

‘Wij worden soms weggezet als ideologisch, alsof we per definitie tegen grote bedrijven zijn’, zegt Ronald Gijsbertsen, managing director van Somo, in zijn werkkamer met uitzicht op de Sarphatistraat. ‘Maar ons werk is juist gericht op analyse, bovendien zoeken we creatief naar oplossingen en alternatieven. We willen laten zien dat het ook ánders kan.’ Volgens hem gebruiken grote bedrijven als reactie op kritiek vaak het argument dat ze in een ‘internationale ratrace’ zitten. ‘Als zij betere arbeidsstandaarden of milieunormen zouden gaan hanteren, zouden ze hun prijzen omhoog moeten gooien – waardoor ze direct zouden worden weggeconcurreerd. Dat is hun verhaal, en dat is de reden waarom ze nooit structureel veranderingen doorvoeren.’

Hetzelfde argument ziet Gijsbertsen bij de Nederlandse regering. ‘“Belastingontwijking kun je niet in je eentje aanpakken”, zeggen politici. “Als wij ons systeem veranderen, gaan grote bedrijven direct naar een ander land.”’ Maar zo is het volgens de Somo-directeur helemaal niet: ‘Nederland heeft juist uitzonderlijke fiscale regels waar multinationals nog altijd dankbaar gebruik van maken. Onze regering kan daar best zelf wat aan doen: we moeten de hand in eigen boezem steken en erkennen dat we een schuilplaats bieden aan bedrijven die zorgen voor economische en sociale ontwrichting op mondiaal niveau. In plaats van een afwachtende houding aan te nemen, zou Nederland actief maatregelen moeten nemen. Gelukkig komt er ook vanuit de internationale gemeenschap steeds meer druk om ons fiscale beleid te herzien. Op een gegeven moment is het onhoudbaar.’

Op die druk – vanuit de Europese Unie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso) en de Verenigde Naties – probeert Somo steeds meer in te spelen. ‘Wij werken samen met internationale partners en proberen met onze rapporten niet alleen het debat in Nederland, maar in heel Europa te beïnvloeden. Juist dáár zit uiteindelijk de mogelijkheid om echt iets te kunnen veranderen.’ Gijsbertsen vindt dat er veel kritischer moet worden gekeken naar de mondiale geldstromen en de gevolgen die deze hebben voor de ontwikkeling van armere landen. ‘We sturen weliswaar hulpgeld naar deze gebieden, maar aan de andere kant trekken we een veelvoud van dat bedrag weer terug door onze belastingconstructies. Netto vloeit de geldstroom nog altijd naar het Noorden. Dat moeten we doorbreken. Alleen dan is het mogelijk om effectief armoede te bestrijden en te werken aan meer gelijkheid wereldwijd.’

‘Wij worden soms weggezet als ideologisch, alsof we per definitie tegen grote bedrijven zijn’

De economische crisis in Griekenland is volgens hem een goed voorbeeld van hoe makkelijk er wordt gewezen naar interne oorzaken van de problemen, in plaats van naar het internationale systeem. ‘Nederlanders hebben een eenzijdig beeld van Griekenland gekregen. Alsof het één corrupte bende is die er een enorm zooitje van heeft gemaakt, met sinds kort een onbetrouwbaar, extreem-links bestuur. Terwijl deze democratisch gekozen regering juist tot doel heeft de corruptie en vriendjespolitiek aan te pakken. Die tweedeling in “goed” en “slecht” – en wij zijn dan natuurlijk goed en de Grieken slecht – is volstrekte onzin. Ik zie het als onze missie om daar alternatieve informatie tegenover te zetten, waardoor duidelijk wordt dat wij wél verantwoordelijkheid dragen voor wat er op dit moment in Griekenland en de rest van Europa gebeurt.’

Op dit punt kreeg Gijsbertsen recentelijk bijval van Paul Tang, europarlementariër voor de pvda. ‘Nederland moet in de spiegel durven kijken’, schreef deze politicus begin april in een blog als reactie op het Somo-rapport over Eldorado Gold. ‘Het is aan niemand te verkopen dat werknemers en kleine ondernemers een groot deel van hun inkomsten afstaan aan de belastingdienst, terwijl de grote bedrijven gratis meeliften. Het is aan niemand te verkopen dat er daardoor minder geld is om publieke diensten zoals onderwijs en zorg te betalen. Niet in Griekenland, en niet bij ons.’

somo is niet de enige ngo die de belastingontwijking van multinationals via Nederlandse brievenbusfirma’s op de agenda probeert te zetten. Samen met Oikos, Oxfam Novib, Action Aid en enkele andere maatschappelijke organisaties richtte zij in 2007 het netwerk Tax Justice NL op, met als doel de krachten te bundelen en zo meer aandacht te krijgen voor dit thema. Dat leek te lukken, vooral nadat Barack Obama ons land in 2009 een belastingparadijs had genoemd – en dat onder diplomatieke druk snel weer terugnam – en enkele jaren later het boek Het belastingparadijs: Waarom niemand hier belasting betaalt – behalve u verscheen. Belastingontwijking werd definitief een sexy onderwerp.

Wel is Somo een van de weinige ngo’s die het thema decennia geleden al in het vizier had. ‘De eerste wonderlijke constructies ontdekte ik begin jaren zeventig in de Rotterdamse haven’, vertelt Dick de Graaf (69), de allereerste medewerker van Somo en tegenwoordig voorzitter van het bestuur. ‘Ik kwam commanditaire vennootschappen tegen, waarvan ik wist dat die bedoeld waren voor situaties waarbij een zoon het bedrijf van zijn vader overneemt. Maar ik zag deze constructie bij gewone bedrijven, en ik vroeg me af: waarom doen ze dat toch? Ik ging ermee naar een specialist, en die legde me uit: dit is een trucje om belasting te besparen.’

Toen De Graaf zich verder ging inlezen, ontdekte hij ook de deelnemersvrijstelling, die nog altijd de basis vormt voor belastingontwijking in Nederland. ‘Omdat wij van oudsher een paar multinationale ondernemingen hadden, is er een fiscale regel bedacht waardoor bedrijven die internationaal zaken deden niet in meerdere landen belasting hoefden te betalen. Al gauw kwam ik erachter dat bedrijven goud geld verdienden door deze vrijstelling. Ik probeerde er aandacht voor te krijgen en uit te leggen dat deze regeling niet in het belang is van de gewone mensen. Maar niemand die het interesseerde. Het was veel te abstract, alleen fiscalisten begrepen hoe het precies zat.’

Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen werd in 1973 in Amsterdam opgericht, als reactie op de gewelddadige omverwerping van de regering van president Allende in Chili. ‘De bevrijdingsbeweging in Zuid-Amerika leefde heel erg in die tijd’, vertelt De Graaf in een bedrijfskantine bij station Sloterdijk. ‘Het regime van Allende werd actief ondermijnd door de Verenigde Staten, voornamelijk onder invloed van de Amerikaanse multinational itt, International Telephone Telegraph. Na de coup tegen zijn socialistische bewind organiseerden we een protestbijeenkomst in Utrecht. Tot verbijstering van mezelf en anderen kwamen we erachter dat itt ook in Nederland actief was. Ze hadden onder meer de Nobo-spritsfabriek in Ede. Verrek! dachten we. Zo dichtbij? Daar moeten we wat aan doen!’

De Graaf werd door de initiatief nemende organisaties Sjaloom en X-Y aangesteld als de eerste onderzoeker van Somo. ‘Wij realiseerden ons hoe weinig we eigenlijk wisten van de multinationale ondernemingen. We besloten zelf informatie te gaan verzamelen om tegengas te kunnen geven.’

De Graaf had economie gestudeerd en in de roerige jaren zestig en begin zeventig al veel geschreven over uitbuiting en onderontwikkeling, voor bladen met illustere titels als Tijdschrift voor Anti-Imperialisme Scholing, met als eerste nummer Nederlandse Ontwikkelingshulp in dienst van kapitaalsbelangen. ‘Zulke lange titels zouden we nu niet meer bedenken’, lacht hij, ‘maar het paste er allemaal op.’ In de eerste maanden werkte hij vanuit zijn huis in Haarlem. ‘Mijn opdracht was om de wereld van multinationale ondernemingen in kaart te brengen. In de Bibliotheek van de Economische Voorlichtingsdienst in Den Haag ontdekte ik al gauw de Who Owns Whom, een publicatie waarin alle multinationale ondernemingen stonden vermeld, met hun dochterondernemingen wereldwijd. Ook hadden ze daar tijdschriften als Mining Journal en Oil Gas Journal. Voor mij was dat een goudmijn – er was natuurlijk nog geen internet. Wekenlang zat ik daar om al die publicaties door te spitten. ’s Middags ging ik er heel even uit om een sneetje brood te eten, en dan ging ik weer door. Op een gegeven moment kenden ze me wel, in die bibliotheek. Ondertussen ontdekte ik steeds meer van de machtsrelaties in de wereld, heel spannend.’

Na een half jaar verhuisde het kantoor van Somo naar de Paulus Potterstraat in Amsterdam, tegenover het Van Gogh Museum. ‘Iemand vond dat wij bezig waren met de goede zaak en stelde zijn souterrain aan ons beschikbaar: een donkere kamer met twee bureaus en een archiefkast. Niet veel later kreeg ik mijn eerste collega. Samen volgden we de top-honderd van grote bedrijven: Shell, Philips, Unilever, Akzo, ksh, Meneba, shv, en ook buitenlandse ondernemingen die een vestiging hadden in Nederland. Alles wat we over hen konden vinden knipten we uit. We hadden twee abonnementen op Het Financieele Dagblad, zodat we alles netjes konden archiveren, ook als er belangrijke artikelen stonden op de achterkant van een pagina waarin we al geknipt hadden. Per sector of bedrijf hadden we een hangmap, op een gegeven moment puilden de artikelen daar natuurlijk uit.’

De Graaf en zijn collega’s (niet veel later waren ze met z’n drieën) schreven bedrijfsprofielen en gaven cursussen en trainingen aan vakbonden en ondernemingsraden. ‘We maakten machtsanalyses en probeerden arbeiders bewust te maken van de internationale verhoudingen. We wilden de andere kant van de waarheid laten zien.’ Toch raakte De Graaf na een paar jaar gefrustreerd. ‘Terwijl wij de kapitalistische productieverhoudingen aan het ontmaskeren waren en het gevoel hadden met wereldschokkende dingen bezig te zijn, was Somo politiek en maatschappelijk niet zo relevant. Niemand had notie van wat wij deden. We waren ook helemaal niet publiciteitsgericht: als we een boekje hadden gepubliceerd, stuurden we geen persbericht uit. De media werkten in die tijd ook heel anders, het was heel moeilijk een stukje in de krant te krijgen.’ Zo schiet het niet op, dacht De Graaf. ‘Er veranderde niks door wat wij deden. Ik dacht: wat heeft het voor zin dat ik al deze kennis heb, in mijn hoofd? Het is waardevol om dingen te weten, maar het is nog waardevoller om dingen te doen.’ In 1977 vertrok De Graaf naar de vakcentrale fnv.

‘Met discussies over de aanschaf van printerpapier worden de onderzoekers niet meer lastiggevallen’

‘Heel andere tijden’, lacht Irene Schipper, sinds 1993 onderzoeker bij Somo, die inmiddels van de Paulus Potterstraat was verhuisd naar de Keizersgracht. ‘Toen ik hier binnenkwam, werkte de organisatie nog steeds volgens het systeem van arbeiderszelfbestuur. Er werkten toen zo’n dertien mensen. Over alles werd democratisch besloten, ook over de aanschaf van printerpapier.’ Schipper vond het wel interessant, dat systeem. ‘Ik kreeg bij binnenkomst – net afgestudeerd – direct de verantwoordelijkheid over personeelszaken, omdat ik aan de beurt was volgens het interne roulatiesysteem. Geweldig, zo’n kans zou ik nergens anders hebben gekregen.’

Toch groeide de onvrede onder de medewerkers: niet iedereen had zin om altijd maar over alles mee te moeten beslissen, bovendien verdienden de mensen die voor Somo advieswerk deden bij ondernemingsraden veel geld voor de organisatie, dat vervolgens werd gepompt in de afdeling die nobel, maar weinig rendabel onderzoek deed naar uitbuiting in de Derde Wereld. ‘Sommige collega’s dachten: waarom richt ik niet zelf een adviesbureautje op?’

Eind jaren negentig belandde Somo op een dieptepunt. Er waren nog maar vijf medewerkers, het advieswerk voor ondernemingsraden hield op en de inkomsten namen af. Met de komst van het internet leek de noodzaak van het bijhouden van een groot archief bovendien al gauw vervlogen. ‘Opeens ging het zo snel, daar kon je niet meer tegenop knippen en plakken’, zegt Schipper. ‘We verzamelden niet alleen krantenberichten, maar ook de jaarverslagen van zo’n dertienhonderd multinationale ondernemingen. Wat moesten we er nu allemaal mee?’ Ze daalt de trap af naar de kelder van het Somo-kantoor, dat in 2007 van de Keizersgracht verhuisde naar de Sarphatistraat. ‘Uiteindelijk is het grootste deel bij het oud papier beland. Het enige wat we hebben bewaard is de grijze literatuur: de rapporten van alle organisaties die kritisch onderzoek doen naar multinationals.’

Schipper loopt langs de meterslange boekenplanken tegen de wand, zeker nog een paar duizend publicaties. ‘Deze verzameling is uniek’, zegt ze, terwijl ze op een stoel gaat staan en een titel pakt, Unilever in de tweede industriële revolutie, 1945-1965. ‘Veel kun je tegenwoordig op internet vinden, maar dit niet. Als je deze publicaties doorbladert, zie je dat de werkwijze van multinationals in de afgelopen decennia helemaal niet zo veel is veranderd. In 1984 is er bijvoorbeeld al een boek gepubliceerd over belastingparadijzen.’

Rond de millenniumwisseling begon Somo samen met onder meer Novib en FNV Mondiaal het mvo-platform, een netwerk voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Daarnaast ontving Somo een nieuwe subsidie van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking voor onderzoek naar productieketens. Dat was het omslagpunt. ‘We werden meer een onderzoeks- en netwerkorganisatie’, vertelt Ronald Gijsbertsen, die in 2003 werd aangetrokken als managing director. ‘Ik was medewerker nummer zeven en werd aangenomen omdat ze voor het eerst hadden besloten om functiescheiding door te voeren. Onderzoekers beslissen nog steeds mee over de grote vraagstukken, maar discussies over de aanschaf van printerpapier, daar worden ze niet meer mee lastiggevallen.’

In de afgelopen tien jaar groeide Somo uit tot een toonaangevende organisatie op het gebied van duurzame ontwikkeling. Internationale netwerken en campagnes als GoodElectronics, OECD Watch en Make IT Fair worden vanuit het kantoor in de Sarphatistraat gecoördineerd. ‘We zijn ervan overtuigd dat je veranderingen kunt bewerkstelligen als je maar genoeg mensen bereikt met je verhaal’, zegt Indra Römgens, de onderzoeker die zich gespecialiseerd heeft in belastingontwijking. Het rapport Fool’s Gold heeft internationaal veel media-aandacht gekregen en in zowel Nederland, Griekenland als Canada discussies aangewakkerd over de werkwijze van multinationals en de rol die nationale overheden daarin spelen. ‘We zien dat de bewustwording steeds groter wordt, en dat mensen zeggen: “Dit willen wij niet meer.”’ Aan de muur naast haar bureau hangt het uitgewerkte schema van de bedrijfsstructuur van Eldorado Gold. ‘We zijn ondertussen al weer met andere onderzoeken bezig’, lacht Römgens. ‘Want we willen erop hameren: Eldorado Gold is geen uitzondering.’

Het rapport Fool’s Gold is in z’n geheel te vinden opsomo.nl


Nederland belastingparadijs

Dat het vestigingsklimaat voor buitenlandse bedrijven in Nederland gunstig is, blijkt uit het feit dat bijna alle grote multinationals – van Wal-Mart tot Gazprom en van Apple tot Nestlé – hier zetelen. Deze bedrijven maken (legaal) gebruik van de belastingverdragen die Nederland heeft gesloten met meer dan negentig landen om dubbele belastingheffing te voorkomen. Vanuit Nederland sluizen ze hun geldstromen door naar landen als Zwitserland, Monaco, Bermuda of de Kaaimaneilanden, waar ze opnieuw nauwelijks belasting hoeven te betalen. Jaarlijks gaat het om zo’n vierduizend miljard euro – bijna acht keer zo veel als ons bruto binnenlands product. Hoeveel brievenbusfirma’s Nederland precies telt is niet zeker, maar de schattingen lopen uiteen van twaalf- tot twintigduizend.

De kritiek op de fiscale regels voor buitenlandse ondernemingen zwelt aan. Maatschappelijke organisaties pleiten voor meer transparantie en een rechtvaardiger systeem: waarom zouden gewone burgers belasting moeten betalen terwijl multinationals nauwelijks een bijdrage leveren aan de staatskas? Ook vanuit de internationale gemeenschap komt steeds meer druk op landen als Nederland om te hervormen.

Het IMF concludeerde in een recent rapport dat het oneigenlijke gebruik van belastingregels schadelijke effecten heeft op de economische groei van ontwikkelingslanden. En de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) kondigde in 2013 een actieplan aan om belastingontwijking door multinationals aan te pakken. Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft in een recente Kamerbrief laten weten dat hij de oproep om oneerlijke belastingconcurrentie tegen te gaan ‘omarmt’ en dat hij ‘actief’ mee zal doen aan de discussies hierover met andere Europese landen.


Beeld: Tunnel in de Olympias-goudmijn bij Ierissos op het Griekse schiereiland Chalkidiki. De mijn wordt geëxploiteerd door Hellas Gold en Eldorado Gold Corp. (Angelos Tzortzinis / Bloomberg / Getty Images)