Sluipwegen naar Arcadië

Hoe kunnen we terroristen begrijpen? Beatrice de Graaf, die elegante doctor Clavan van de jihad, vertelde laatst dat we daarvoor niet bij politici, sociologen of psychologen moeten aankloppen maar bij romanschrijvers.

Niemand aan de tv-tafel vroeg door, naar namen of titels. Men was, neem ik aan, te verbluft door haar opmerking. Zodra van schrijvers iets meer verwacht wordt dan dat ze ‘práchtige’, ‘hartverscheurende’ of ‘zinderende’ blokken vrijetijdslectuur afleveren, begint iedereen met z’n ogen te knipperen. Alsof je een ballerina vraagt om je motorolie te verversen.

Terwijl elders in Europa na 13 november vanzelfsprekend en zelfs wat gretig wordt uitgekeken naar wat Michel Houellebecq, Salman Rushdie en Julian Barnes Er Allemaal Van Vinden, moeten wij het hier doen met wat voetnoten van Arnon Grunberg. Die ons regelrecht naar de psychiater doorverwijst: de oorzaak van terrorisme staat immers gewoon ‘in de DSM-5’, een ‘psychiatrische stoornis’.

Hem had Beatrice dus niet op het oog. Maar wie wel? Gelukkig schreef ze er vorig jaar zelf een stuk over in Trouw, waar ze een lijst terrorismeromans geeft. Een aantal daarvan, lang niet allemaal, heb ik gelezen, zoals John Updike, Martin Amis of Doris Lessing. Maar toch, hoe goed die ook zijn, hoe dicht ze ook in het terroristenbrein kruipen, je blijft het gevoel hebben net een beslissend stapje te missen. De meeste blijven toch steken in het model Zola-Balzac: slechte jeugd, slecht milieu; kommer, kwel en foute vrienden, dus ja wat wil je…

Al die krachten spelen vast mee, maar de beslissende kortsluiting, zeker bij de kamikazeterrorist, blijft onbevattelijk. En waarom worden niet alle kansloze en uitgesloten jongeren terroristen? Met een omweggetje loodsen die romans ons toch weer de wachtkamers in van de shrinks en de welzijnswerkers, de doctor Clavannen van de geest en de gemeenschap. Ik zoek het liever in ‘dat wat alleen de roman kan zeggen’, zoals die formule van Milan Kundera luidt.

Wie de jihadist wil vatten heeft misschien meer aan Homerus dan aan Updike

Twee titels komen dan spontaan in me op: Siegfried en De elzenkoning. In het eerste probeert Harry Mulisch de figuur Adolf Hitler te begrijpen, maar gepsychologiseer of duiding van de sociale context komt er niet aan te pas. ‘Na de dood van God stond het Niets voor de deur, en Hitler was zijn eniggeboren zoon.’ Dat klinkt eerder bijbels. Dat is de taal van de mythologie: ‘Het geloof aan Niets, en Nietzsche is zijn profeet.’

Nietzsche speelt ook op de achtergrond van De elzenkoning van Michel Tournier een rol, die roman over een garagehouder die, naar eigen overtuiging voortgedreven door het noodlot, uiteindelijk carrière maakt als ronselaar voor SS-jongetjes. Ook hier ontbreken de psychologie en de sociologie, maar via zijn ‘sinistere dagboek’ komt de garagist zelf aan het woord en beleven we – zeer overtuigend – hoe allerlei mythische krachten zich in hem manifesteren, hoe hij (en wij daarmee ook) gelóóft in de tekenen van het noodlot, en hoe vervolgens de _amor fati-_gedachte van Nietzsche in hem zijn explosieve werk verricht: de zeldzame kracht die vrijkomt wanneer iemand bereid is samen te vallen met zijn lot. Hoeveel boeken er ook over gekken en halvegaren gaan, pas met dit boek leerde ik er echt een kennen.

In dit tijdsgewricht is het kelderluik naar de mythologische dimensie wat weggemoffeld onder de toevallig in zwang zijnde tapijtjes van harde feiten, journalistiek en wetenschap, maar dat verschijnsel is maar tijdelijk. En bovendien zeer plaatselijk, want de jihadisten en Syrië-toeristen zijn juist extreem ontvankelijk voor mythologie. Lees het manifest van Breivik, met z’n allegaartje van oude sagen, Tempeliers-romantiek en Lord of the Ringerige rimram. Lees de geschriften van IS-ronselaars. Lees de bijbel, waar Abraham zijn zoon wil vermoorden in opdracht van God. Lees Ovidius, waar de goden en halfgoden elkaar voortdurend afmaken en verslinden. De beslissende kortsluiting in het hoofd van de jihadist vindt plaats ergens tussen dat mythische vlak en de realiteit. Een psychische stoornis of een sociaal isolement helpt daarbij vast, als geleider, maar is niet de ontsteking zelf, laat staan de ontvlambare lading.

Die moet je bestuderen, in die duistere, chtonische regionen moet je binnendringen wil je een glimp opvangen van die doodsdrift, van helse excessen, het zwart voor je ogen, het extatische doodsfeest in de Naam van Allah de Barmhartige, de Genadevolle.

Ayaan Hirsi Ali schreef laatst in de Volkskrant over ‘de sirenenzang van het kalifaat’. Inderdaad: wie de jihadist wil vatten heeft misschien wel meer aan Homerus dan aan Updike. In hun mentale kortsluiting zijn de Syrië-reizigers vatbaar geworden voor een mythe die in allerlei varianten in alle culturen voorkomt, die van een paradijselijke wereld, een walhalla, nirvana of eden, en de sirenenzang belooft dat er een sluiproute naartoe is. Zoals je in Ikea slinkse paden direct naar de kassa hebt, zonder de lijdensweg langs spiraalbedden en spaarlampen te hoeven afleggen, zo is de suïcidale terreurdaad een sluipweg naar Arcadië.