Sluit de beurzen!

ER ZIJN DAGEN dat het NOS-Journaal met de beurs opent en sluit. Kranten en weekbladen citeren de ene deskundige na de andere om de dalingen en stijgingen te verklaren. En financiële instellingen proberen steeds weer nieuwe deelnemers te recruteren om het ook voor hen uiterst lucratieve piramidespel zo lang mogelijk in stand te houden. Nooit eerder volgden zoveel mensen de AEX- en Dow Jones-index en je zou bijna gaan geloven dat Jacobse en Van Es dankzij de beurs eindelijk hun gelijk krijgen: geen gezeik, allemaal rijk.

Sinds een aantal jaren eindigt het journaal van tien uur met de laatste stand van de dollar, de Dow Jones in New York en de AEX-index in Amsterdam. Waarom eigenlijk? Zouden er echt veel mensen vol spanning op het journaal zitten te wachten om te horen hoe het met hun vermogen gaat: ‘Stil nou, mama kan zo niet horen of ze morgen flippen en olies moet kopen of verkopen’? Dat is niet erg waarschijnlijk. In werkelijkheid vervult dit soort nieuwsvoorziening dan ook vooral een ideologische functie. Naast het weerbericht van Erwin Krol krijgen we ook de temperatuur van de economie in een paar simpele getallen gepresenteerd. Daarmee wordt ons aangepraat dat we allemaal belang hebben bij een gunstige koersontwikkeling op de beurs.
Deze steeds grotere aandacht voor wat er op de beurs en op andere financiële markten gebeurt, heeft een materiële basis: de wereldeconomie is sinds begin jaren tachtig in toenemende mate gefinancialiseerd en als er ergens sprake is van globalisering, is het in de financiële sector. 'De invloed van de financiële sector is sinds begin jaren tachtig groter dan ooit sinds de jaren twintig’, schrijft Doug Henwood in zijn onlangs verschenen, uitstekende boek Wall Street: How It Works and for Whom. Henwood, die ooit voor een bedrijfje op Wall Street werkte, analyseert wat er gebeurt op en rond de financiële markten en roept daarbij zelfs de hulp in van Keynes, Marx en andere politieke economen die tegenwoordig totaal uit de mode zijn.
MISSCHIEN EEN domme vraag, maar wat is eigenlijk het nut van de beurs? 'Het antwoord uit de economische theorie’, schrijven Arnoud Boot en Jeroen Ligterink in het economenweekblad ESB, 'is dat financiële markten onontbeerlijk zijn voor een efficiënte allocatie van financiële middelen.’ Op die veronderstelde efficiëntie valt echter heel wat af te dingen. De Amerikaanse liberal Robert Kuttner concludeert in zijn boek Everything for Sale dat het als gevolg van speculatie, korte-termijndenken en kuddegedrag van beleggers niet waarschijnlijk is dat financiële markten efficiënt werken. Bovendien komen andere maatstaven voor efficiëntie door de financiële markten in de verdrukking. Het heen en weer schuiven van kapitaal op zoek naar het grootst mogelijke rendement gaat namelijk vaak ten koste van de economische groei en de volledige werkgelegenheid (efficiëntie volgens Keynes) of van de technologische ontwikkeling op wat langere termijn (efficiëntie volgens Schumpeter): financiële markten offeren lange-termijninvesteringen op aan korte-termijnmeevallers.
Ook Henwood heeft geen hoge pet op van de efficiëntie van de financiële markten, maar hij plaatst een nog dodelijker kanttekening bij de veronderstelde maatschappelijke functie van de beurs. Investeerders in aandelen verstrekken zo goed als nooit kapitaal aan bedrijven, want wie aandelen aanschaft, koopt bijna altijd lang geleden uitgegeven stukken van andere investeerders die daar op dezelfde manier aangekomen zijn.
Het verhaal dat de aandelenmarkt van groot belang is om ondernemingen aan kapitaal voor hun investeringen te helpen is dan ook niet juist. Henwood rekent voor dat de beurs in de Verenigde Staten tussen 1901 en 1996 slechts vier procent van de netto kapitaaluitgaven van niet-financiële ondernemingen leverde. Het overgrote deel van hun investeringen financieren ondernemingen namelijk intern, uit afschrijvingen en winstinhoudingen. Tussen 1980 en 1996 leverde de beurs in de Verenigde Staten zelfs een negatieve bijdrage van elf procent, als gevolg van overnamen en de rage bij bedrijven om aandelen terug te kopen om meer shareholder value te creëren.
Cijfers van Bert Scholtens in Financiële & Monetaire Studies bevestigen dit beeld: in de jaren 1970 tot 1989 droegen aandelen in Duitsland, Japan, de Verenigde Staten en Engeland respectievelijk een, vier, negen en tien procent bij aan de netto financiering van niet-financiële ondernemingen. Voor Nederland berekent Scholtens voor 1985 tot 1993 dat van de netto investeringen 88,9 procent intern en 11,1 procent extern werd gefinancierd. Leningen, handelskrediet en obligaties zijn eveneens externe financieringsbronnen en dus is de bijdrage van de aandelenmarkt ook in ons land gering.
Henwood concludeert dan ook dat aandeelhouders 'geen nuttige functie vervullen’. Bezitters van aandelen presenteren zich graag als de ultieme risicodragers, maar lopen per definitie geen groter risico dan het bedrag dat ze voor hun aandelen betaald hebben en kunnen die altijd nog proberen te verkopen. Werknemers van bedrijven, hun klanten en toeleveranciers, lopen meestal veel grotere risico’s. Het feit dat aandeelhouders van buiten geen enkele nuttige rol spelen is voor Henwood het beste argument 'om ondernemingen aan hun werknemers te geven’.
Dat horen ze op de beurs natuurlijk liever niet en het is dan ook geen wonder dat Norman Pearlstine, voormalig executive editor van de Wall Street Journal, Henwood toevoegde: 'Jij bent schuim… het is tragisch dat je bestaat.’ In bladen als Barron’s en Newsday werd Henwoods boek 'dom’ en 'weerzinwekkend’ genoemd, maar in de Britse Financial Times werd hij onlangs serieus geportretteerd.
DE INDRUK WORDT wel gewekt dat op een paar sukkels na iedereen tegenwoordig meespeelt op de beurs. Analisten, beleggingsadviseurs en handelaren beleven gouden tijden en verdienen grof geld aan de aandelenhandel, zoals recentelijk nog weer bleek uit de halfjaarcijfers van de grote banken. Precieze cijfers over hoeveel mensen in ons land aandelen bezitten heeft de woordvoerder van de Amsterdam Exchanges niet, maar uit verschillende statistieken leidt hij af dat het eind vorig jaar om zo'n 800.000 huishoudens of 1,2 miljoen personen ging. Lang niet iedereen dus en bovendien zegt dat cijfer niets, omdat mensen met één van oma geërfd aandeel Shell en bezitters van uitgebreide portefeuilles even hard meetellen.
Zelfs in de Verenigde Staten, waar de beurs nog dominanter aanwezig is in de media, wordt slechts een minderheid van veertig procent van de bevolking tot de houders van aandelen gerekend. De economen Poterba en Samwick onderzochten daar de verdeling van aandelen en berekenden dat in 1992 van alle publiek verhandelde aandelen 58,6 procent in bezit was van 0,5 procent van aandelenbezitters, en dat de welvarendste vijf procent samen maar liefst 94,5 procent in handen had.
Omdat pensioenfondsen in toenemende mate in aandelen beleggen, doen veel mensen indirect mee op de beurs. Er wordt daarom wel beweerd dat we allemaal belang hebben bij hogere beurskoersen, want als die stijgen kunnen de premies omlaag en de pensioenuitkeringen omhoog. Maar velen (vooral vrouwen) komen nooit in aanmerking voor een pensioen boven op hun AOW-uitkering of zullen niet meer dan een klein pensioentje krijgen. Bovendien hebben premiebetalers aan pensioenfondsen niets te zeggen over het beheer en gebruik van hun geld. Robin Blackburn, hoofdredacteur van het Engelse tijdschrift New Left Review, pleitte daarom vorig jaar op een conferentie over linkse alternatieven voor het neoliberalisme voor verregaande democratisering van pensioenfondsen, die met hun beleggingen sociale en ecologische doelen zouden moeten gaan nastreven.
De beleggers bij de pensioenfondsen onderscheiden zich nu niet van gewone kapitalisten en worden alleen afgerekend op het rendement dat ze behalen. Zo liet Mensonides van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) onlangs via Trouw weten dat veel ondernemingen in Nederland te matig presteren en dat hij met 'zijn’ 260 miljard gulden belegd vermogen meer aandacht bij managers en commissarissen wil voor de performance op de beurs. Aangezien loonmatiging en personeelsreducties goed zijn voor hogere koersen, kan je baan dus worden bedreigd doordat de directie van je bedrijf indruk wil maken op het pensioenfonds waar je trouw premie aan betaalt. Managers hebben door de toename van optieregelingen overigens steeds vaker zelf ook direct belang bij hogere koersen. De ondernemingsraad bij Daimler-Benz keerde zich daarom ook tegen optieregelingen voor de directie.
In de Verenigde Staten is al langer sprake van een toenemend zelfbewustzijn van aandeelhouders, die meer invloed verlangen op de gang van zaken in bedrijven en hogere dividenden eisen. De bedrijven in de Verenigde Staten keerden volgens Henwood in de jaren vijftig en zestig 45 procent van hun winst na belastingen uit als dividend. In de jaren 1990-1995 is dat echter gestegen tot 78 procent. Omdat deze pay-out ratio bij de beursgenoteerde NV’s in ons land de laatste jaren gemiddeld 55,7 procent is, valt te verwachten dat ook in ons land aandeelhouders meer dividend en hogere winsten gaan eisen.
DE VOORTEKENEN van zo'n actievere rol van aandelenbezitters zien we al. Volgens Mensonides is de rol van aandeelhouders in ons land in de jaren zeventig en tachtig volstrekt verwaarloosd: 'Het begint nu pas te komen.’
Dat belooft niet veel goeds voor werknemers van beursgenoteerde bedrijven. Toen het personeel bij Scania in Meppel onlangs in staking ging tegen een dreigende bedrijfssluiting, verklaarde de directiewoordvoerder dat wordt overwogen de totale afmontage in Zweden te concentreren omdat de aandeelhouders ondanks 250 miljoen winst over het eerste halfjaar meer efficiëntie eisen.
Een ander teken van toenemend renteniersactivisme zijn de aanbevelingen van de commissie-Peeters, waarin beleggers en deskundigen aanbevelingen doen voor een beter ondernemingsbestuur. De commissie pleit onder andere voor een wetswijziging om het voor bedrijven fiscaal aantrekkelijker te maken aandelen terug te kopen. Managers in de Verenigde Staten gebruiken hun overvloedige kasgelden nu al regelmatig voor zulke transacties, om de koers van de overblijvende aandelen en de dividenduitkering per aandeel omhoog te jagen.
'HET INDIVIDU DRAAGT zijn sociale macht en zijn band met de samenleving in zijn zak’, citeert Henwood instemmend uit de Grundrisse van Marx, want geld is niet neutraal maar gaat in essentie over invloed en dwang. De kleine groep rijken, grote beleggers en speculanten stemt elke dag op de financiële markten over het beleid van regeringen en over de ontwikkeling van de werkgelegenheid en kan overheden en bedrijven de wet voorschrijven.
Door ingrijpende veranderingen in de wereldeconomie en door de neoliberale contrarevolutie in de economische wetenschap is sinds begin jaren tachtig het gewicht van de financiële sector sterk toegenomen. Zo sterk, dat Henwood een klassiek citaat van Keynes over het Amerika van de jaren twintig op een toenemend aantal landen van toepassing verklaart: 'Als luchtbellen op een gestage stroom van ondernemingen kunnen speculanten misschien geen kwaad. Maar de toestand is ernstig wanneer het ondernemen de luchtbel wordt op een maalstroom van speculatie. Als de kapitaalsontwikkeling van een land het bijprodukt wordt van de activiteiten van een casino, is het waarschijnlijk dat het werk slecht wordt gedaan.’
Deze dominantie van de financiële sector, die op zich niets produceert, heeft ingrijpende gevolgen voor de ontwikkeling van de reële economie en voor de verdeling van inkomens en vermogen.
'Koortsige koersen’ was de noemer waaronder het Amsterdamse politiek-culturele centrum De Balie en economenweekblad ESB onlangs een debat organiseerden over de financiële markten. Tijdens deze bijeenkomst zette Laurens Blom van Financiêle Diensten Amsterdam (FDA) uiteen dat het uitstekend gaat met de beurs omdat de lonen in Nederland nu al vele jaren worden gematigd en de arbeidsinkomensquote (AIQ) - die aangeeft welk deel van het nationaal inkomen naar lonen en salarissen gaat - drastisch gedaald is. Het zal voor menig vakbondslid nieuws zijn dat de werkgelegenheidseffecten van het in 1982 door Wim Kok (toen nog FNV) en Chris van Veen (VNO) afgesloten loonmatigingsakkoord vooral op de beurs merkbaar zijn. Sinds 1982 daalde de AIQ jaarlijks gemiddeld met één procent en al dat geld ging linea recta naar de winsten. Dat verklaart waarom de economie sinds 1977 reëel met 56 procent groeide, terwijl de koopkracht van modaal sinds datzelfde jaar met slechts 2,5 procent toenam en de minima er zelfs tien procent op achteruit gingen. Geen wonder dat de bedrijven in ons land zo'n 120 miljard gulden in kas hebben en dat de beleggingsanalist van FDA de hoop uitsprak dat deze gematigde ontwikkeling van de lonen nog vele jaren doorgaat.
Voor mensen die een deel van hun spaargeld in click- of andere fondsen hebben geparkeerd is het natuurlijk leuk dat ze een graantje meepikken van de huidige beursgekte, maar aan de records brekende stijgingen komt natuurlijk een keer een einde. Bovendien raken de consequenties van de toenemende financialisering van de economie ons allemaal. Want de werkelijke macht in de wereld raakt steeds meer geconcentreerd in steeds minder handen en sociale en ecologische prioriteiten die iedereen aangaan, worden opgeofferd aan winstkansen op korte termijn.
Verder leiden de nu al jaren volgehouden loonmatiging en inflatiebestrijding tot werkloosheid, minder groei en overaccumulatie - uitpuilende kassen waar ondernemers niet voldoende winstgevende investeringsmogelijkheden voor zien. Omdat met dat kapitaal vaak sneller rendement te behalen is op de financiële markten dan met investeringen in de reële economie, sluizen ook grote bedrijven steeds grotere sommen naar de financiële markten. Maar terwijl individuen geld opzij kunnen zetten voor de toekomst, schreef de oude Keynes al, kunnen samenlevingen als geheel dat niet straffeloos doen: een samenleving garandeert haar toekomst alleen met reële fysieke en sociale investeringen. En de financiële markten eisen juist besnoeiingen op publieke en private investeringen, in naam van 'financiële prudentie’.
Keynes had nog het naïeve idee dat de renteniers, de functieloze investeerders, zouden instemmen met hun eigen euthanasie, schrijft Henwood. Zolang het kapitalisme niet op een veel radicalere manier veranderd wordt dan Keynes had voorzien, blijft de financiële sector echter dominant. Daarom pleit Henwood voor het opnieuw instellen van controle op kapitaalverkeer, voor hogere belastingen voor de rijken en voor een belasting (Tobin-tax) op transacties op wisselmarkten en op de beurs. Het lange-termijndoel moet 'het terugdringen van de financiële en leidende rol van de beurs zijn, in het perspectief van haar uiteindelijke verdwijning’. Dat is, zegt Henwood ter toelichting, mogelijk en wenselijk, want 'aandelenprijzen geven notoir slechte signalen af en externe aandelenhouders verstrekken niet of nauwelijks kapitaal, maar tappen met dividenduitkeringen en door het terugkopen van aandelen slechts middelen van bedrijven af’. Als alternatief pleit Henwood ervoor dat werkenden de eigendomsrechten van hun eigen onderneming bezitten en dat bedrijven onder de gecombineerde controle van arbeid(st)ers, klanten, toeleveranciers, gemeenschappen en publieke instanties worden geplaatst.