Sluit het Rijks (niet)

Voorpublicaties moeten lezers naar de boekhandel lokken. Zaak is dan wel om een exemplarisch of sterk hoofdstuk te kiezen.

Probleem: schrijvers weten zelf lang niet altijd welke dat zijn. Dit bleek onlangs weer eens toen Maarten Doorman het eerste hoofdstuk van zijn De navel van Daphne in een dagblad liet verschijnen, onder de kop: ‘Het Rijksmuseum moet dicht’. Hij haalde Friedrich Nietzsche erbij om uit te leggen hoe de immense bewondering voor oude meesters getuigt van een vermoeide, uitgebluste blik. Vrij naar Nietzsche: wie zoveel museale energie stopt in een ver verleden kan het hedendaagse niet op waarde schatten. Iets groots tot stand brengen is al helemaal kansloos. En dus moet het Rijks dicht.

Toch neemt Doorman al aan het slot van dit hoofdstuk gas terug. En niet zo’n beetje ook. Hij noemt zijn eigen voorstel ‘absurd’. Hij overdrijft, zegt-ie zelf, om een punt te maken.

Oké.

Je zou bijna willen ophouden met lezen, want als Doorman zichzelf al niet eens serieus neemt… Maar ophouden zou dom zijn. Want alleen dit eerste is een matig hoofdstuk, in een verder prachtig, fascinerend boek, geschreven door een filosoof met een aanstekelijke belangstelling voor hedendaagse beeldende kunst, iemand die zich bovendien nooit achter vage of wollige praat verschuilt, kom daar maar eens om in de hedendaagse beeldende-kunstkritiek.

Toegegeven, Doorman schrijft soms wel een tikje schools, met tussenzinnetjes als ‘zoals we nog zullen zien’ en ‘daarom zijn we terug bij de vraag of…’. Maar wat is daar eigenlijk mis mee als de les interessant is? Hij maakt zich bovendien nooit schuldig aan name-dropping: alle denkers, kunstenaars en collega’s met wie de dichter-filosoof in dit boek in gesprek gaat, staan in dienst van zijn betoog. Dat is een hele prestatie, want in niet meer dan 150 bladzijden passeren meer dan 130 kunstenaars de revue.

Bij politiek geëngageerde kunst verveelt hij zich als goed en kwaad hem in het gezicht worden gesmeten

En dat betoog? Zo beknopt mogelijk, met het gevaar een slechte leerling te zijn: nu kunst haar urgentie niet meer ontleent aan de geschiedenis of een onwankelbaar geloof in vooruitgang kan kunst de wereld iets bieden juist door haar afstand ertoe. Om de wijsheid te citeren die Doorman uit de brieven van Friedrich von Schiller haalt: onmisbaar – voor ons en in het heden – is een autonome wereld waarin de dingen niet zijn wat ze lijken.

Minder abstract: Doorman houdt van kunst die verwart en geeft weinig om expliciete boodschappen, politiek of artistiek. Bij politiek geëngageerde kunst betekent het dat hij zich verveelt als goed en kwaad je in het gezicht worden gesmeten, terwijl hij kan genieten als een kunstenaar de kijker verantwoordelijkheid in de maag splitst. Doorman geeft talloze voorbeelden, waaronder verschillende door hem uitvoerig geprezen werken van de Chinees Ai Weiwei. Gelukkig noemt hij ook een eenvoudig werk dat mij beter bevalt dan de tikje bombastische werken van Ai Weiwei: de vissen van Marco Evaristti. In een Deens museum zette de Chileen tien Moulinex-blenders op een rij, alle met water en een levende goudvis erin. Iedere bezoeker kon op een aan-knop drukken. Nadat iemand dat had gedaan, belandde de museumdirecteur voor de rechter.

Doorman meent dat Evaristti laat zien dat ‘de morele provocatie van de autonoom geachte kunst deel uitmaakt van een moreel debat buiten de wereld van de kunst’. Doorman prijst dat. Tegelijk krabt hij zich op het hoofd bij werk waarin een kunstenaar zijn ‘autonoom geachte’ positie inzet om een bijdrage te leveren aan het morele debat ‘buiten de wereld van de kunst’. Vooral als zoiets nogal eendimensionaal gebeurt. Doorman noemt onder meer de kunstenaar Tinkebell. Zij wil dat haar politieke stellingnames serieus genomen worden, maar ze wil tegelijk profiteren van de vrijgestelde positie die kunstenaars sinds de Romantiek genieten – of hebben veroverd. Zo kreeg ze veel publicitaire aandacht voor een uitgezette Afghaan, door een filmproject van haar. Maar toen haar verhaal dat de van oorlogsmisdaden beschuldigde man was gemarteld niet bleek te kloppen, beriep ze zich op haar status van kunstenaar. Die hoeft niet aan waarheidsvinding te doen. Die speelt een spel.

Dat is juist, maar al het activisme slaat dan wel dood. Sterker: Tinkebell overbrugde niet de afstand tussen kunst en wereld, maar hielp uitgezette Afghanen aan een twijfelachtige reputatie, van mensen die maar wat zeggen. Tegelijk brengt ze de positie van kunstenaars in gevaar door die in te zetten, nee, te misbruiken, voor een niet-artistieke zaak.

Wie Doormans redenering volgt, krijgt aan het eind van het boek zelfs begrip voor die voorpublicatie. Die actie is op te vatten als een soort spiegeling, of commentaar, op de krampachtige pogingen van kunstenaars om de kloof tussen hun kunst en de wereld te overbruggen met een geruchtmakende provocatie of een keihard statement. Ze hopen uit de cocon van de kunstwereld te breken en de wereld te ‘raken’, pats, in één keer op de voorpagina of in De w __e_ reld draait door_. Even krampachtig is Doormans poging om met de oproep ‘sluit het Rijks’ de kloof te overbruggen tussen het bescheiden lezerspubliek van boeken waarin meer dan dertig denkers worden aangehaald (als bij Doorman) en het gigantische publiek dat bestsellers koopt vol eenduidig engagement en gesimplificeerde boodschappen. Boeken als die van Alain de Botton, Noam Chomsky of Malcolm Gladwell.

Zou hij het daarom hebben gedaan? Wie zich heeft laten overtuigen van Doormans liefde voor de dubbelzinnigheid – kijk maar, je ziet niet wat je ziet – zou denken van wel. Eigenlijk hoop ik het een beetje. Mij heeft hij in ieder geval te pakken; ik weet niet meer wat ik ervan moet denken.