Nick Hornby, 31 Songs

Smaak

Nick Hornby

31 Songs

Vertaald door Anneke Goddijn

Uitg. Atlas, 179 blz., € 15,-

Tante Corry was mijn favoriete tante. Ze woonde in een tweekamerflat met een trijpen bankstel, een roze pluchen hoesje over de telefoon en een lamp die bestond uit een ijsberg met daarop een moederijsbeer en een kleintje. Toen ik op de middelbare school zat, kwam ik er niet meer zo vaak, maar ze bleef altijd even gastvrij. Als ik na een bezoek wegging, drukte ze mij een rijksdaalder in de hand. «Voor in de kroeg, dan kun je eens een rondje geven.» Soms kwam ze bij ons logeren en liet ik haar mijn nieuwste platen horen. In tegenstelling tot mijn ouders luisterde ze met belangstelling naar mijn enthousiaste commentaar en knikte dan: «Ik snap wat je er mooi aan vindt.»

Ze stierf in haar slaap. Op haar begrafenis besloot een van haar zoons zijn speech met: «Dan eindigen we nu met het lied waar moeder zo veel van hield.» Door de kerk klonken de eerste tonen van het Thema van de Verlaten Mijn van George Zamfir met James Last. Ik was geschokt! Wat een wansmaak! Hoe kon iemand begrijpen wat ik mooi vond en dan zelf voor zo’n weeïge panfluit kiezen!

Een muzieksnob was ik, en ook nog eens kortzichtig. Als ik me wat meer in mijn tante had verdiept, dan was George Zamfir niet als een verrassing gekomen. Bovendien hoef je bij je begrafenis geen rekening te houden met wat je nabestaanden ervan vinden.

Nick Hornby doet dat wel in zijn 31 Songs, waarin hij vertelt over zijn 31 favoriete popliedjes. Hij wil dat op zijn begrafenis Van Morrisons Caravan wordt gedraaid, de live-versie, van It’s Too Late to Stop Now. Het probleem met deze uitvoering is dat Van de band gaat voorstellen. Maakt dat geen rare indruk terwijl mensen jouw leven zitten te over denken? En zullen de mensen niet vinden dat hij een concessie doet aan de klassieke muziek als ze de strijkers in het nummer horen?

Bij dat laatste vervalt Hornby in een normatieve denktrant die mij bij de begrafenis van mijn tante ook parten speelde, en die samenhangt met de angst om van slechte smaak te worden beschuldigd. In de meeste stukjes lijkt hij zich hiervan echter te willen losmaken. De besproken artiesten variëren van Suicide tot Bruce Springsteen. Hij beschrijft het genot van weglopen tijdens een voorstelling (dat hij ontdekt door een ellenlange keyboardsolo tijdens een Led Zeppelin-concert) en hoe hij graag zijn maagdelijkheid had verloren op Samba pa ti van Santana (het werd echter Dixie Toot van Rod Stewart).

31 Songs is een genoegen om te lezen. Hornby geeft ook interessante achtergrond informatie over zijn romans High Fidelity en About a boy. Maar vooral zette hij mij aan het denken over mijn eigen smaak en over smaak in het algemeen. Ik heb gemerkt dat sommige mensen 31 Songs niet willen lezen omdat er artiesten in voorkomen met wie ze «niks hebben». Waarom Nick Hornby dan toch door zo’n artiest ontroerd wordt, vinden ze niet interessant.

31 Songs getuigt van een oprechte liefde voor muziek. De smaak van mijn tante was niet slecht. Ze genoot van de Verlaten Mijn en wist van nature al wat Nick Hornby schrijft in zijn stukje over Jackson Browne: «Schoonheid is een zeldzaam goed (…) dus na een poos lijkt alles wat je ervan weerhoudt om het te omhelzen op zelfkastijding. Ik kan me niet meer veroorloven om een popsnob te zijn, en als er ergens muziek is die over het vermogen beschikt om me te ontroeren, dan wil ik het horen, ongeacht wie het heeft gemaakt.»