Smakelijk eten

Deze tekst werd op vrijdag 1 april in de Amsterdamse Balie door de schrijver uitgesproken in het kader van de lezingenserie over taboes, georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.
Stront is taboe. Maar stront verstikt ons. We zullen door onze stront worden opgevreten, als we het niet zelf gaan vreten. Een bescheiden voorstel voor de oplossing van het wereldvraagstuk. door Gerrit Komrij

Men zal het iemand die volop bezig is met een boek dat Kakafonie heet en dat binnen niet al te onafzienbare tijd zal verschijnen niet euvel duiden dat hij bij het woord taboe onmiddellijk denkt aan stront en drollen.
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het noemen en opschrijven van die woorden is een verdwenen taboe. ‘Doorbroken en afgeschaft.’ De drol, de scheet en de stoelgang zijn wel degelijk bespreekbaar geworden. De hondedrol op straat werd zelfs tot vervelens toe besproken. 'Maar zijn we werkelijk zo ruimdenkend dat we zonder taboes kunnen? Is het niet veel waarschijnlijker dat waar oude taboes worden opgeruimd vanzelf nieuwe ontstaan? Of zijn dat eenvoudig de oude in een nieuwe vermomming?’ vroegen de organisatoren mij toen ze me voor deze avond uitnodigden.
Dat noem ik iemand een antwoord in de mond leggen.
Natuurlijk is stront een taboe gebleven. We praten er wel over, maar we zijn nog steeds niet van plan onze drollen op te vreten.
Zelfs de gedachte daaraan is taboe. Niet zomaar kokhalsverwekkend of afstotelijk, gewoon en voor honderd procent taboe. Behalve op verbaal niveau is er aan onze omgang met eigen en andermans uitwerpselen niets veranderd. We hebben niet eens een allereerste begin gemaakt met het, zeg maar, bevingeren, vercommercialiseren, publiek maken en verorberen van onze stront. Zelfs van onze populaire sterren en sterretjes, van wie we alles willen en moeten weten, krijgen we de stoelgang niet voorgezet, in beeld noch geschrifte. Was het een gezonde druk of juist een bedenkelijk torentje van niks, waterig van aard en rood aangelopen? Een drol als een biervat of een misgeboorte met witte puntjes, onder veel gesteun tegen het platform van de pot gekwakt? Het zou ons alles kunnen vertellen over hun leefwijze, hun karakter, over the night before, over hun plannen voor de toekomst.
Zeg me hoe u schijt en ik vertel u wie u bent of wat u te verbergen hebt.
We horen daar nooit iets over. Hoewel het al een oude kunst is, het piskijken en het voorspellen uit faecalien, het is nooit publiek domein geworden. Zelfs in het geheim zijn de karakterlezende piskijkers en waarzeggers er niet meer. Tot het toch zo ontstellend ruimhartige bekentenis- en gooi-maar-in-de-groepcircuit is de drol niet doorgedrongen. Er wordt niet gespeculeerd over de expressieve en communicatieve signalen van een scheet. We zijn er niet van gediend. Een uitgemergelde aidskop, borstkanker en open wonden daarentegen: geen enkel bezwaar.
Seksuele wapenfeiten of aberraties, we verslinden ze of we lopen er mee te koop. Maar over iemands prestaties op de pot of juist zijn vergeefs broeden op dezelve, met gekwelde blik en uren achtereen (een verschijnsel dat in olijfolielanden gelukkig minder voorkomt dan in onze margarinecontreien), geen talkshow snijdt het aan.
Toiletreinigers in reclamespots maken steevast blinkend gepoetste toiletpotten schoon. Nooit zien we eens hoe voortreffelijk ze een complete diarree of desnoods een bescheiden hoeveelheid bruine spetters de wacht aanzeggen. Luiers worden bevuild met blauwe inkt.
Wie een scheet in het openbaar laat krijgt geen nieuwsgierige signaalduider aan zijn broek, maar zal dat feit zijn hele leven als een anekdote met zich meedragen. Men zal niet verzuimen er melding van te maken als er weer eens gespot of gegniffeld moet worden. Niet hoe hij het deed, maar dat hij het deed, is van belang.
Het wordt nog altijd als pijnlijk ervaren, lees ik in Taboe in taal van Michael Elias, die op zijn beurt weer Ileen Montijn citeert, 'wanneer iemand dreigt een zojuist door ons met vrucht gebruikte wc te betreden’. Bij zo'n ontmoeting zwijgen wij 'in stille wanhoop’.
Wie kan zeggen dat hij zijn vrienden of geliefde heeft zien schijten? Men kent alles van elkaar, de kuchjes, de zwarte nagelranden, de tranen, het schaamhaar, de snotneus, de roos en het oogvuil, de hurkzit en nu en dan een remspoor wellicht, maar niet de drol zelf. Niet hoe veel, hoe groot, hoe hard.
En nogmaals, hoeveel grapjes we ook over stront maken, we vreten het niet.
Meer is er niet nodig, dunkt me, om u duidelijk te maken dat het latrinaire gebeuren (zoals de titel van een recent boek over dit onderwerp luidt) onverminderd een taboe is gebleven, al schokken we geen mens meer door poep te roepen.
’t Is niet netjes. Maar het heeft vanzelf niets met fatsoen van doen, of met omgangsvormen, of met provocatie en baldadigheid, zoals we ons zelf graag wijsmaken. ’t Zit gewoon diep, en nu misschien dieper dan ooit tevoren in de geschiedenis.
Elders heb ik geschreven: 'We beseffen dat ook degene met wie we, in innige verstrengeling, de wereld zouden dienen te vergeten in een orgie van liefde niet meer is dan een zak met slijm, kraakbeen, bloed en stront. (…) Op de toppen van de extase blijven we heel dicht bij de stront. Altijd hebben we die bij ons, ook in ons zelf. We zeulen, al kijken we op de eenzaamste kaap naar de indrukwekkendste zonsondergang, onze drol met ons mee. Iedere onsterfelijke dichtregel, ieder visioen, iedere uitvinding die de wereld een ander aanzien gaf is onveranderlijk ontstaan op, laat ons zeggen, vijfenvijftig centimeter afstand van een hoop stront een ondraaglijke gedachte. Het menselijk vernuft kon nog zo op hol slaan, de geest kon zulke hoge vluchten nemen, zich verwijderen van die drol konden ze nooit.’
Aan de ene kant zou dit besef ons nederigheid kunnen bijbrengen. Aan de andere kant komt de onderdrukking van dat besef, zich uitend in een taboeisering en een afkeer van de stront, die immers een tijdlang een onlosmakelijk deel van ons was, neer op een vorm van zelfhaat. Onze hoogmoedige walging voor iets wat we zelf hebben geproduceerd en met ons meegedragen lijkt, als we er over nadenken, vreemd en onnatuurlijk. Kortom, we hebben een verstoorde verhouding met onze stront.
Wie schijt laat zijn zorgen niet (ook letterlijk) achter zich. Wie schijt duikt in een cultureel en existentieel wespennest, in een wirwar van atavismen, metaforen, associaties van het onderbewuste, verdringingen. We praten er met elkaar niet over, maar we beseffen uiteraard dat het diep in ons verankerd ligt, die hele schijterij, al was het louter vanwege het feit dat we het allemaal doen, dat we het elke dag doen, en dat het geen kwestie van mogen is maar van moeten. Schijten is een politieke, een rituele daad, een daad op de weegschaal van macht en vrijheid.
Stront is leerzaam. Ook komisch natuurlijk, omdat het zo'n mooi gegeven vormt om er het contrast tussen het hogere en het lagere mee te benadrukken. Of om het te gebruiken om taboes en vooroordelen op de proef te stellen. Hoe luider we er over schateren, 'hoe meer we ons zelf als stervelingen accepteren’. Stront is, in die zin, een embleem van het humanisme. Maar als we nu eens weigeren te geloven aan een tegenstelling tussen het hogere en het lagere? 'Tussen stront en pis worden wij geboren’, zei Augustinus, dus ofwel zijn we net zo nietswaardig als stront en pis, ofwel stront en pis zijn van hetzelfde gehalte als waarvoor we ons zelf aanzien - en dat is, zoals genoegzaam bekend, geen bescheiden gehalte.
Van de hoge dunk die we van ons zelf hebben sluiten we de stront niet ongestraft uit. Ons taboe lijkt vooral neer te komen op het taboe dat rust op de diepere betekenis van stront. Met hier en daar een uitzondering. De schilder Francis Bacon, zo vernemen we uit een recente biografie over hem, verloor zijn geloof door het lezen van Nietzsche en door het bekijken van hondedrollen op de stoep. Vaclav Havel beschreef eens hoe hij, toen hij al president van Tsjechoslowakije was, de betekenis van hoop (no pun intended) in een absurde wereld leerde kennen toen hij in het donker struikelde en in een strontput viel.
Op de ontlasting rustte eertijds het taboe van vuil en onreinheid. Het is nog een hele weg geweest van de eerste hygienische regelgeving, binnen het kader van de godsdienst, naar de huidige eenpersoonstroonzalen met porseleinen pot en blinkend marmeren wanden. Op de vlucht voor onze eigen drollen lieten we ze vroeger achter, in het bos of op straat, in later eeuwen werden ze ingezameld of liep de strontkoerier met zijn emmer of kruiwagen van behoeftige naar behoeftige, en ten slotte bouwden we onze drollen in - in ons bestaan, in ons huis. Zodat het extra verheimelijkt moest worden. In de eerste perioden van de inwonende plee waren er nog 'tweezitjes’ waarop men in groepsverband poepte, nu is er de solo- pot achter de deur met het haakje. In het bos of op straat lagen onze drollen open en bloot, de emmer en de kruiwagen kenden een 'cape’ of een doek waaronder men zich even kon schuilhouden, de huidige toiletten staan ons toe urenlang in afzondering te drukken.
Een ontwikkeling van publiek naar prive. Van de vrije natuur die iemand tot een gevangene van nieuwsgierige blikken maakte naar een cel die iemand juist optimale vrijheid garandeerde.
Maar ook een ontwikkeling, zou je kunnen zeggen, in de richting van meer schaamte in plaats van naar minder schaamte.
Het taboe en de verdringing lijken sterker geworden, als we nagaan welke status de entourage van het schijtgebeuren heeft gekregen. Niet langer een houten doos of een graspol om je reet mee af te vegen, maar sanitair van een Italiaanse designer en superzacht, supersterk, supergebloemd toiletpapier. De ontwikkeling lijkt nog steeds niet afgerond, want de laatste decennia heeft een verschuiving plaatsgehad van de keuken naar de badkamer als welvaartssymbool, als de ruimte waaraan men de status van de eigenaar afleest. De moderne mens kan het niet meer stellen zonder een ware balzaal met badkuip, wastafels, pleepot en bidet, met closetrolhangers, wc-borstelhouders, zeepbakjes en kranen, alles in bijpassend design. Glimmend dank zij Ajax met citroengeur en Glorix met sinaasappelsmaak. En vooral duur.
Over het onafzienbare assortiment artikelen dat de lucht parfumeert en het spoelwater doet schuimen als de golven van de Caribische zee praat ik niet eens.
De badkamer is de tempel geworden waar men schijt en zich reinigt, waar men door het stof gaat en de wederopstanding beleeft: de voorlopige apotheose van het drieluik stront, dood en zonde.
Van een gat in de aarde naar een narcistische spiegelzaal.
Hoe krampachtiger we proberen de dood te ontkennen en macht over het verval uit te oefenen, hoe meer we er tegenaan moeten gooien om onze drol te vergulden.
De badkamer als het purgatorium op doorreis naar de hemel, de eeuwige jeugd.
Stront en macht, een belangwekkend thema. Koning, keizer, admiraal, de volksmond weet het. Dat koningen zouden schijten, het zou betekenen dat koningen dicht bij de aarde staan, en zoiets kan natuurlijk niet. Als ik naar een foto kijk van de toiletpot van koningin Victoria, in een speciale coupe van haar trein, vervult ook mij dat met enige huiver. Ik betrap me er op dat ik er langer naar tuur dan naar het gemak van een gewone sterveling. De Zetel waarop Zijzelve scheet! De opening, de ronding, de bril waardoor Haar Doorluchte Bolus in het niets verdween! Als bolus onder de bolussen, of toch nog met iets van een imperialistisch air? Kletterde haar drol op de bielzen tussen de rails -godslasterlijke gedachte!- of werd hij in een speciaal koninginneschaaltje opgevangen en met zijden handschoenen teruggedragen naar het praalgraf van Harer Majesteits persoonlijke stront in het paleis?
De stront van de paus en de koningin stinkt net zo erg als de onze. Het wegdrukken en reguleren van de stront ging daarom van de machtigen uit. De staat wenste het machtsmonopolie over het bruine goedje. En maakte er meteen een belangrijke bron van belastinginkomsten van.
Orde is zowel synoniem met de staat als met het opruimen van rotzooi, afval, stront. De staat hield de onderdanen schoon en rein en uit dankbaarheid brachten de gelouterde onderdanen de staat offers.
Stront werd goud, goud is de monarch, de monarch zit op de troon, de troon is de kakstoel, de kakstoel is stront, stront brengt weer geld in het laatje, en zo in een eeuwigdurende cirkel.
Nog steeds verdwijnen al onze drollen in een door de staat aangelegd en onderhouden wegennet, riolering genaamd. Nog steeds is er rioolbelasting.
De voortzetting van een lange reeks heffingen, van Romeinse keizers tot Franse koningen. Potentaten die ons voor hun almacht om onze duivelse resten onzichtbaar te maken lieten bloeden.
Wat is er over stront en geld niet allemaal geschreven! Het dukatenmannetje. De duivel schijt op een grote hoop. Iemand die 'stinkend’ rijk is. Pecunia non olet. Stront is altijd een metafoor voor geld geweest, ook al heet het in een anders gevooisde volksmond: 'Nur ungern nimmt der Handelsmann/ Statt barer Munze Scheisse an.’
De wc is het bankkantoor van onze drollen. Banken zijn, net als badkamers, van glimmend marmer. Het opstapelen van geld wordt in de psychologie als een anale fixatie gezien: het verlies van iets van je eigen ziel of lichaam als het equivalent van angst voor armoede. Vrekken worden meestal als geconstipeerd voorgesteld: ze willen alles bij zich houden. Het is net zo not done om over je drol te spreken als over je inkomsten of banksaldo.
Hoe rijker en hoogmoediger we werden, hoe sjieker onze banken en kleine kamertjes er uit gingen zien. Hoe stinkender rijk de maatschappij werd, hoe meer de stank moest worden uitgebannen.
Geld heeft, zoals het aforisme luidt, met stront gemeen dat het, wil er iets uit groeien, verspreid moet worden. Het ene moet in de economie gepompt, het andere over de akkers verstrooid. Op zichzelf zijn een bankbiljet in een kluis en een drol op een platform niets vuilnis beide. In omloop gebracht zijn ze allebei levengevend.
Allebei, stront en geld, kennen ze een weergaloos ophopingsvermogen.
Dat stront nog steeds een hardnekkig taboe is, hardnekkiger wellicht dan ooit tevoren, en dat dit taboe niet een graantje heeft kunnen meepikken van de profanisering en democratisering die allerwege inzette, het komt mede door het feit dat de strontophoping in onze tijd huiveringwekkende proporties heeft aangenomen, proporties die om een nieuwe bezwering en beheersing vragen.
Wij denken bezig te zijn met de beheersing van ons afval zelf, maar in werkelijkheid zijn we het drukst in de weer met het beheersen van onze angst. Onze angst voor een confrontatie -terugdeinzend en vol heilige huiver- met de gigantische stronthoop die de wereld aan het worden is. Dwangmatig moeten we af en toe naar onze mondiale drol kijken en al even dwangmatig willen we hem ontkennen. Het grote riool dat de wereld bezig is te worden roept bij ons dezelfde reflexen van verdringing en uitvluchten op als ten overstaan van onze particuliere stront. We hebben een verstoorde verhouding met al ons afval.
De milieuproblematiek hield het taboe op de been.
Dus we doen aan allerlei rituele bezwerinkjes om de realiteit niet onder ogen te hoeven zien. Het gekste bijgeloof en de sulligste bijzaken worden onder het mom van Milieubewust en Groen en GroenLinks verkocht.
We richten onze pijltjes van gramschap op de uitwerpselen van de arme honden in de stad, die wanhopig op zoek zijn naar gras en die geen kant uit kunnen, omdat we ons zelf verbeelden geheel en al in een van eigen stront verschoonde wereld te leven, omdat we zelf van hogerhand -door het baasje- in staat zijn gesteld onze stront efficient uit onze buurt weg te duwen, de grasvelden van marmer en porselein in, waarna automatisch wordt gezorgd voor een staatsbegrafenis. Een hond zou zijn drol tenminste nog zelf inkuilen, als hij de kans had.
Er zijn milieu-activisten die denken dat ze de wereld al verbeteren en wonder wat hebben gedaan door een baksteen in het waterreservoir van het toilet te leggen. In feite doen ze het uit zuinigheid een atavistische knieval voor de oertweeling stront en geld. De milieubeweging komt er doorgaans op neer dat je in een badkamer van dertigduizend gulden de goedkoopste rol papier ophangt die je kunt vinden.
In tegenstelling tot de dieren bevuilt en beschijt de mens alles opzettelijk. Hij heeft er duizenden jaren over gedaan de spoelbak uit te vinden, en net nu hij klinisch en schoon en hygienisch en wat niet al is, stinkt hij meer dan ooit tevoren. We eten te veel, we drinken te veel, we verbruiken te veel en we gooien te veel weg. We produceren te veel en we planten ons te uitbundig voort. We krijgen een sigaar uit eigen doos gepresenteerd en doen opnieuw of het om een beheersbaar gevaar van buitenaf gaat, waar de staat ons van dient te verschonen.
Ik ben blij dat ik van de laatste zuurstof in de wereld gebruik mag maken om u het volgende te zeggen.
De ingewanden van Parijs zijn die van de hele aarde geworden. De wereld is een darmkanaal. Er wordt steeds meer afval geproduceerd, in een duizelingwekkend versnelde beweging. Alles schijt, de hele maatschappij, in hoeveelheden die alle verstand te boven gaan. Wie echt milieubewust zou zijn was allang milieuduizelig. Milieu- kierewiet. Milieubewustzijn is een onmogelijkheid het bewustzijn is niet capabel zoveel stront en vuil en afval in zich op te nemen.
Zwijgzaam zijn we over onze eigen spijsvertering, maar enthousiast en hardnekkig houden we onze economische spijsvertering gaande. Het politiek lichaam dat de schijt moet opruimen is zelf de grootste schijter geworden. Het wil groeien, groeien, groeien. Meer produktie, meer consumptie. De verzorgingsstaat is een geldschijter. En uit geld, zoals we hebben gezien, groeit weer nieuwe stront.
Afvalbeheersing is aan de ene kant een voorwaarde voor maatschappelijke orde, voor schoonheid en kunst derhalve, maar aan de andere kant is het onmogelijk geworden om te doen alsof het (uiteindelijk) beheersbaar is. Dat is wat ecologische bewegingen en GroenLinks zo ridicuul en deerniswekkend maakt. Ze besodemieteren de boel en om hun propaganda te bekostigen stelen ze uit de ruif van de staat die als vanouds de burger, om hem dankbaar te stemmen, belast voor zijn afvalproduktie. Hun onheilsberichten worden door afval gefinancierd en zijn dus zelf weer afval. Milieuheffingen zijn niet anders dan ordinaire accijnzen, maar ze worden door de burger gehoorzamer betaald omdat hem -als ruilhandel- door de milieubewuste politici de illusie wordt geboden dat het met ons aller kwaadaardige vuil ooit nog weer goed komt.
Als we in een woonwijk op een gifbelt wonen verwachten we van de staat dat hij voor de opruiming zorg draagt, en dat hij ook nog eens de afbraak en wederopbouw van onze huizen bekostigt. Terwijl de vrachtwagens met gif wegrijden naar een of andere plek waar door de bevolkingstoename vroeg of laat wel weer een nieuwe woonwijk zal moeten verrijzen, voeren we actie om ook onze nieuwe parketvloer en badkamer door de staat vergoed te krijgen.
Chemisch en nucleair afval, de stront waar geen geavanceerde maatschappij zonder kan (en milieubewegingen maken deel uit van een beetje geavanceerde maatschappij), worden van staatswege overgebracht naar derde-wereldlanden en de bodem van oceanen. Om af en toe weer teruggehaald te worden of verderop gelegd.
Het is een verplaatsing in de ruimte en uitstel van executie.
Opnieuw ontkennen we de nabijheid.
We noemden de wereld toch een dorp?
De milieubeweging heeft het afval, onze gezamenlijke uitwerpselen, bespreekbaar gemaakt en tegelijkertijd wordt er op een regressieve wijze op gereageerd, net als op onze individuele stront. De verzwegen rituelen van het stronttaboe werden geruisloos overgenomen.
We ouwehoeren door over een oplossing en voor het eerst is het probleem onoplosbaar geworden. Het taboe bewijst hierbij zijn nut: het stierf geen langzame dood, het werd juist gerevitaliseerd.
Zonder het taboe op stront zou GroenLinks ons meteen in alle naaktheid verschijnen: als hypocriet en leugenachtig, als onderdrukkend en totalitair.
Wat hebben ze het ook moeilijk, de schatjes!
Onlangs werd in de Volkskrant een circulaire geciteerd van de GroenLinkse raadsleden van Haarlem, waarin stelling wordt genomen tegen het gebruik van wegwerpluiers. 'Wat is het geval?’ schrijft de verslaggever. 'In Haarlem verdwijnen per jaar zo'n 6,5 miljoen luiers in het afval. Hiervoor zijn negenduizend bomen gekapt, zo heeft men berekend. Dat is een slechte zaak. “Zindelijk worden na gebruik van katoenen luiers!” luidt dan ook het GroenLinkse devies.’
De verslaggever tekent daarbij aan dat hem dit een voorbeeld lijkt van het 'hoog kneuterigheidsgehalte’ van de lokale democratie. Mij lijkt het daarentegen dat dit bericht de essentie weergeeft van het dilemma van GroenLinks. Het betekent dat de GroenLinksers een belangrijke verworvenheid, de vrijheid, de vrije tijd en het recht op een baan van vrouwen, zonder blikken of blozen overboord hebben gegooid. Iemand zal die 6,5 miljoen katoenen luiers toch moeten wassen. Het is een van de twee: we houden de bomen of de vrouwen in ere. Allebei gaat blijkbaar niet. Goed, we hebben de wasmachine. Maar over de waspoeders en bleekmiddelen voor die 6,5 miljoen katoenen luiers wordt met geen woord gerept. En helemaal hangt er een doodse stilte om al de kak en de diarree die zich in de 6,5 miljoen luiers, hetzij van papier of van katoen, hebben opgehoopt. Vergeleken bij zoveel stront is de verpakking uiteraard maar bijzaak.
Daarbij komt dat de GroenLinksers zelf de grootste strontproducenten zijn. In een artikel over 'De linkse twijfelaar’ in HP/De Tijd lees ik dat GroenLinks, zoals uit onderzoeken blijkt, 'van grote gezinnen houdt met vier of meer kinderen’. D66'ers hebben er doorgaans maar een.
Een gezin van vijf personen produceert per jaar, zo is wel eens berekend, ongeveer 1500 kilo stront.
Geen wonder dat ze in Haarlem doen alsof hun neus bloedt. De stront werd ritueel afgevoerd en bestaat niet meer. Het taboe schoot te hulp, de schaamte werkte.
De mens doet gemakkelijk afstand van zijn drol, terwijl hij toch de rechtmatige eigenaar is. Maar de staat kan niet van zijn mest af.
Het vuil zal terugkeren uit de grond, opwellen uit de riolen, om ons tot boven onze kruin te verstikken. De wereld explodeert, terwijl GroenLinks rustig doorfokt en ons zijn dubbele boekhouding presenteert.
Afval verdwijnt niet, het wordt alleen maar ontgeurd, verschoven en buiten de directe woonsfeer gehouden. Er komt alleen maar afval bij. Uit afval ontstaat nieuw afval. Op een dag zal het niet meer onder controle kunnen worden gehouden. Op een dag zal de bevolkingsexplosie er voor zorgen dat al onze stront van wegwerpverpakkingen tot nucleair afval door onze brievenbussen bij ons thuis terugkeert.
Wat is ons lichaam zelf anders dan afval, stinkend afval?
Er komt een dag dat er meer lijken op aarde zijn dan levenden, en de levenden zullen hun stank bij de lijkenlucht voegen. Of ze zullen elkaar doodslaan, bij ontstentenis van voldoende ruimte voor hun stront.
Wat is het racisme anders dan hele groepen mensen voor afval houden? In riolen die ze getto’s noemen?
De mensen zullen niet langer gereinigd en gelouterd uit dit proces te voorschijn komen, zoals Vaclav Havel uit zijn beerput.
De mens kan maar moeilijk wennen aan 'de notie dat hij een dierlijk organisme is dat geleegd moet worden’, ondanks al zijn heldendaden en machtsvertoon. Hij hield zich voor beschaafd. Maar hoe verder hij van de natuur verwijderd raakte en degenereerde, hoe verschrikkelijker hij ging stinken. Zijn afval zorgt nu niet meer voor nieuw leven, voor een eeuwige wederkeer, het is buiten de kringloop geraakt.
En dat gaat rechtstreeks van mestoverschot naar mensenoverschot.
De milieubeweging heeft het afval misschien nodig om zichzelf gewassen, rein en schoon te voelen, maar ze kan niets meer bijdragen aan de redding van de wereld. ’t Zijn brave schatten, maar even nutteloos als de stront van hun grote kindertal.
De consumptiemaatschappij is een groot spijsverteringsorgaan. Alles wat in de mond van de samenleving gaat moet er ook weer uit. De milieubeweging kakelt intussen wat over kringloop, zonder te beseffen dat het opruimen of verwijderen van afval de natuurlijke kringloop juist verstoort.
We zullen door onze stront worden opgevreten, als we het niet zelf gaan vreten. We kunnen het alleen nog beteugelen als we het weer in onze eigen kringloop opnemen. Tegenover de strontproduktie zullen we, op straffe van de ondergang, de strontconsumptie moeten stellen. Mijn bescheiden voorstel is om het verorberen van onze eigen stront verplicht te stellen, te beginnen bij de milieubeschermers met hun talrijke kroost.
Deskundigen beweren dat het niet onsmakelijk is en voldoende voedingsstoffen bevat.
Alles stinkt wat is verbruikt, ook wij zelf, alles wat wordt verbruikt levert accijnzen op, alle ontlasting is belast.
Geen staat evenwel die iemands stront rechtstreeks als belasting accepteert. Het dient eerst in goud te worden veranderd. Alleen door het opvreten van onze eigen stront gaan we tegen dat alle belastingen op het laatst milieuheffingen zijn geworden. Alleen zo maken we een begin met het werkelijk doorbreken van de eeuwige cirkelgang tussen stront en geld.
Tot het zover is zijn alle GroenLinksers ordinaire kapitalisten.
Of we staan morgen op als coprofagen en houden het misschien nog een tijdje vol, of we gaan meteen naar de bliksem, zo simpel ligt het.
Aldus mijn bescheiden voorstel voor de oplossing van het wereldvraagstuk.
Ik heb al aan het begin geconstateerd dat het taboe op stront sterker is dan ooit. Er is dus geen oplossing.