Smakelijk oud zeer

In vergelijking met ‘Charlie Hebdo’ en de andere aanslagen in Parijs en Brussel lijken de Molukse acties in de jaren zeventig een zweem van goeiigheid om zich heen te dragen. Of ten minste knulligheid.

De Molukse jongeren wilden eigenlijk een vliegtuig kapen, zoals ze op tv zagen, maar ze waren nog nooit op Schiphol geweest. Dus werden het Wijster, De Punt en Bovensmilde, plaatsjes die anders geen Nederlander op een landkaart zou kunnen aanwijzen. Als er geen doden bij zouden zijn gevallen, zou je er bijna met nostalgie naar kijken: de kapers droegen geen bomvesten, schoten niet wild om zich heen. Ze waren (soms) bereid te sterven, maar hun dood was niet het doel op zich; het waren geen aanhangers van een doodscultus als IS, ze wilden met hun daden communiceren.

Small sfa001005613
Treinkaping bij De Punt. Een van de Zuid-Molukse kapers met een RMS-vlag, 3 juni 1977 © (Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / Anefo)

Frank Westermans razend interessante nieuwe boek Een woord een woord gaat over communiceren met terroristen. In zijn proloog stelt hij vragen als: ‘Wat kan een redenaar uitrichten tegen een moordenaar? Kunnen woorden opgewassen zijn tegen kogels?’, wat een vorm van vals spelen is, want ze suggereren een filosofische insteek die Westerman nooit echt nastreeft. Liever heeft hij het over de ‘Dutch approach’, de methode die al doende tot stand kwam tijdens de treinkapingen bij Wijster en De Punt, met respectievelijk drie en acht doden, en de gijzeling van de basisschool in Bovensmilde, waarbij geen doden vielen. Dat de schade beperkt bleef, was te danken aan twee psychologen verbonden aan de politie, Mulders en Havinga. Westerman laat Havinga uitgebreid aan het woord, die hoewel hoogbejaard nog altijd smakelijk oud zeer koestert als het om zijn collega gaat. Want Mulder was de expert die door het kabinet werd ingevlogen toen hij in het buitenland zat en een nieuwe treinkaping zich ontvouwde, Mulder was de glamourboy die alle interviews gaf, Mulder was de man die hun overlegstrategie voor het gemak de ‘drie fases van Mulder’ noemde.

In zijn beschrijving van de kapingen zit het page turner-gehalte van Westermans boek. Hij doet dat lekker behendig, met cliffhangers en al, en vertelt het verhaal niet alleen vanuit de politieonderhandelaars, maar ook vanuit de buurtbewoners – Westerman groeide in de streek op, een van de kapers werkte op zijn school. Een gijzeling is altijd een dubbele gijzeling, zegt Westerman. De passagiers kunnen nergens naartoe door de gijzelnemers; de gijzelnemers kunnen nergens naartoe door de politie. De onderhandelaars moeten de gijzelnemers door de drie fases heen werken. In de eerste fase voelen de kapers zich oppermachtig en werk je als politie mee. Dus als de kapers eten van een specifiek restaurant willen, breng je dat. In de tweede fase draai je de rollen langzaam om, laat je ze wennen aan het idee dat zij ook dingen voor jou moeten doen; je bent wel bereid schone onderbroeken voor de gijzelaars te leveren, maar zij moeten dan alle maten voor je opzoeken. In de derde fase laat je de kapers accepteren dat ze nergens naartoe kunnen en het slechts een kwestie van tijd is voor ze moeten opgeven.

Poetin onderhandelde niet, met als gevolg dat er honderden doden vielen

Over de journalistieke en literaire kwaliteit van Een woord een woord kun je het volgende zeggen: Frank Westerman is zo goed dat je soms zou willen dat hij beter was. Bijvoorbeeld dat hij een politieofficier niet beschrijft als iemand met ‘een blauw uniform met her en der een goudkleurig onderscheidingsteken’, maar dat hij met een eigen, originelere beschrijving zou komen, want iedereen weet wel hoe een politieofficier eruitziet. Of dat hij niet schools de Van Dale citeert om uit te leggen wat een gijzelnemer is. Hij zou meer op zijn lezer kunnen vertrouwen, zonder stroeve inkadering van het onderwerp vooraf, want de verhalen die Westerman vertelt zijn spannend, de personages die hij opvoert zijn levendig, en de thema’s die hij aanboort hebben natuurlijkerwijs al genoeg dwarsverbanden om de lezer volledig geabsorbeerd bij de les te houden.

De vraag die boven het boek hangt, is natuurlijk contemporain, namelijk of je ook met IS-terroristen kunt praten. Westerman schrikt ervan als hij verschillende experts hoort zeggen dat dat niet kan, en schrikt van zichzelf als hij het met ze eens is. Want wie niet praat, die schiet. Tegenover de Nederlandse benadering zet Westerman de ‘Russische benadering’, al is dat eerder zoals een sloopkogel een vervallen gebouw ‘benadert’. Poetin onderhandelde niet met de Tsjetsjeense gijzelnemers van een opera in Moskou (2002) en een basisschool in Beslan (2004), met als gevolg dat daar honderden doden vielen, veelal jonge kinderen.

Natuurlijk was dat een ander land, in een andere tijd. De Dutch approach was een gevolg van een breed gedragen sympathie voor iedereen die zich vrijheidsstrijder noemde. In de jaren zeventig werd er gedemonstreerd voor de vrijlating van de raf-leden, iets wat je nu niet snel meer zal zien gebeuren. Westerman haalde zelf nog geld op voor allerlei linkse bewegingen in Zuid-Amerika en nam vanuit Cuba een brief mee voor een gevlucht raf-lid. Volgens hem zorgde die coulantie er ook voor dat het Molukse verzet langzaam uitstierf. De kapers kregen milde straffen. De voormalige knil-militairen kregen alsnog een klein pensioen en een medaille voor hun verdiensten in Indonesië. In Utrecht werd het Moluks Historisch Museum geopend, waar het bebloede hemd van een van de kapers uit De Punt werd tentoongesteld. Nederland zorgde dat er minder was voor de ‘verharde’ Molukse jongeren om zich tegen te verzetten.

Westermans boek is geen pleidooi voor een meer coulante aanpak van geradicaliseerde jongeren of Syrië-gangers, en is ook niet nostalgisch over ‘de gouden jaren van het linkse levensgevoel’, toen een beetje marxistische terrorist nog als vrijheidsstrijder werd gezien. Als Een woord een woord al een moraal heeft, dan is het dat ook als het schieten al begonnen is, praten nog altijd effect kan hebben.