Smakelijk samenraapsel

De Vere, van 11 tot en met 15 maart in Antwerpen.
Het is een weerkerende droom. We wonen in een vervallen landhuis in Toscane. De eigenaresse is een stokoude toneelspeelster die beweert dat ze Eleonora Duse (een toneeldiva uit het vorige fin de siècle) nog heeft gezien in de Arena Goldoni in Florence. De feiten van haar verhaal kloppen, maar wij geloven haar niet. De ‘baronessa’ is niet oud genoeg om zo'n optreden te hebben gezien.

Op een mooie voorjaarsdag arriveert er een bus met toneelspelers. In de grootste ruimte van het huis bouwen ze een theater met houten vloeren en wankele coulissen. Een paar dagen later wordt er ‘een voorstelling’ aangekondigd. Na een gezamenlijke maaltijd spelen ze voor ons hun favorieten. Scènes uit stukken, hele bedrijven, gedichten, verhalen, flarden uit hun eigen geschiedenis. Wij mogen ook voorstellen doen, zeggen ze. En de 'baronessa’ speelt iedere avond mee. In een rolstoel leest ze teksten uit Rosmersholm van Ibsen, dat ze nog heeft gezien met Eleonora Duse in de hoofdrol. De toneelspelers geloven haar wèl. Ze blijven een week en spelen iedere avond. Op een ochtend zijn ze vertrokken. Er ligt een briefje: 'Volgend jaar zijn we terug. Misschien.’
Aan die weerkerende droom moest ik denken na een bezoek aan De Vere, de Belgisch-Nederlandsche Repertoirevereeniging, een samenwerking tussen Maatschappij Discordia en jonge groepen als Stan, DitoDito, Het Barre Land, De Tijd, Dood Paard en De Roovers. We werden vorige week ontvangen in de Zuilenzaal van Felix Meritis in Amsterdam. Er was een vloer van oud hout, er waren coulissen van vlonders, boven ons hingen gordijntjes waartussen lampen. De spelers brachten hun favorieten: flarden Shakespeare, Tsjechov en Musil. Er was een lezing van Freud over toneelspel, kinderspel, fantasie en werkelijkheid. Een vrouw zong 'Show me the way to the next whiskeybar’ uit Mahagonny van Brecht & Weill, en deze evergreen klonk opeens als nieuw. Vóór de pauze speelden ze een tekst van Herman Heyermans, Artikel 188, waarin politici vergaderen over het verbieden van toneelstukken, zoals De koopman van Venetië van ene 'Sjaak Spier’, omdat die tekst tegen de 'publieke zedelijkheid’ zou ingaan. Daarna waren we moe, maar we wilden niet weg. Alles bij elkaar duurde De Vere vier uur. Zonder een spoor van verveling.
De dag erop ontmoette ik een collega. Hij was ook geweest (godzijdank een àndere avond). En hij had zich geërgerd. Het was zo'n samenraapsel, zo zonder concept. Ik hoefde me niet te verontschuldigen voor mijn enthousiasme: iedere avond bij De Vere is immers anders. De avond dat ik er was werd de samenhang gevormd door teksten van Karl Valentin, een clown en komiek uit het München van vlak na de Eerste Wereldoorlog (Brecht speelde klarinet in zijn orkestje, en leverde daarna teksten voor Valentin). Er werden drie sketches van hem gespeeld. En ze gingen alledrie over één woord: nee. In het gefingeerde interview met Valentin zei hij 'nee’ tegen zijn geboortedatum. In een andere tekst werd 'nee’ gezegd tegen alle genotmiddelen. En uiteindelijk zei een acteur op àlle vragen alleen nog maar 'nee’. Het leek een statement van De Vere: een luid 'nee’ tegen concepten, dichtgetimmerde analyses, kunst die 'af’ moet zijn. De avond werd een ontmoeting met toneelspelers die ons confronteerden met dierbare teksten, die ons deelgenoot maakten van dromen die ze hebben over voorstellingen die ooit nog eens gemaakt konden worden. Geen concept, geen samenhang. De verbindingen tussen de teksten mochten wij leggen, ieder voor zich. 'Wij bestaan uit het spul/ waar dromen uit gemaakt worden’, dichtte Shakespeare ooit. Die nacht waren de toneelspelers in mijn droom. Ze bezochten ons landhuis. Wij verstrekten hun voedsel en drank. Zij gaven ons hun dromen. En ze beloofden met de hand op het hart: volgend jaar zijn we terug.