Hoofdcommentaar

Smetten op Europa’s toetredingsfeest

Dat was één week voor de grootste uitbreiding uit de geschiedenis van de Europese Unie geen fraaie aftrap. Critici waarschuwden jarenlang voor de problemen die versneld toetredende ex-Oostbloklanden zouden gaan veroorzaken, maar de eerste serieuze smet op de festiviteiten van 1 mei 2004 komt van een eilandje in de Mediterrané.

Met overweldigende meerderheid stemden de Grieks-Cyprioten zaterdag na intensieve regeringspropaganda tégen het plan van VN-secretaris-generaal Kofi Annan dat Cyprus op de valreep in zijn geheel bij de Unie moest brengen. De Grieks-Cyprioten, die het tegengeluid van eurocommissaris Günter Verheugen zonder schroom uit de ether hielden, hadden de toezegging dat ze toch wel tot de Unie konden toetreden. Daar waren de Turken, die in 1974 de helft van het eiland bezetten, niet voor nodig.

En passant legitimeerden de Grieks-Cyprioten door tegen hereniging te stemmen dertig jaar na dato de ontstane situatie. Maar dat is een historisch gegeven voor fijnproevers. Ernstiger is het dat waar iedereen bang voor was realiteit is geworden: vanaf komende week ligt binnen de grenzen van de om wille van de vrede begonnen Europese integratie een VN-missie gelegerd die toezicht houdt op een bestand tussen twee etnisch onderscheiden «strijdende» partijen.

Het debacle is niet alleen een persoonlijke afgang voor VN-chef Kofi Annan, ook Europese regeringsleiders die onder Griekse druk hun eis lieten vallen alleen een herenigd Cyprus tot de EU toe te laten, hebben hun vertrouwen beschaamd gezien. Zij voelen zich door de regering van president Papadopoulos, die de Grieks-Cyprioten niet in staat stelde bij het referendum een afgewogen keuze te maken, grotelijks bedonderd. Dit zal invloed hebben op de vaart waarmee de onderhandelingen worden ingezet over de toetreding van volgende kandidaat-lidstaten: Roemenië, Bulgarije en Turkije.

Tegenstanders van de omstreden Turkse toetreding weten hun argument verstevigd dat nooit beloftes over lidmaatschap moeten worden gedaan voordat aan alle door de EU gestelde voorwaarden is voldaan. Juist de beloning van een EU-lidmaatschap is een stimulans om hervormingen door te voeren. Met de toezegging dat een land «uiteindelijk» toch wel lid wordt — de Nederlandse minister Bot van Buitenlandse Zaken noemde voor Turkije zelfs een jaartal — wordt de noodzaak van dit aanpassings traject minder acuut. Ook al is een land «op de goede weg», zoals de Europese Commissie dat noemt.

Voordat over toetreding van nog meer lidstaten gesproken gaat worden, maakt de nieuwe Europese dynamiek voor het eerst ook uittreding actueel. En andermaal is het een referendum dat het definitieve oordeel moet brengen.

Volkomen onverwacht heeft de Britse premier Tony Blair zijn eigen opvattingen over een volksraadpleging over het nieuwe grondwettelijk verdrag bijgesteld. Als het de Europese regeringsleiders dit jaar lukt tot een compromis te komen, dan mogen de Britten daarover in november 2005, ná de parlementsverkiezingen in mei of juni, naar de stembus. Stemmen de Britten tegen, dan betekent dat volgens hun eigen eurocommissaris Chris Patten de facto het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. «Wat heeft het voor zin om erbij te zijn en eindeloos en onbarmhartig problemen te veroorzaken?» stelde hij in een van de Britse zondagskranten. «Is dat werkelijk in het nationaal belang?»

De Europese toekomst van het Verenigd Koninkrijk wordt zo inzet van Blairs herverkiezing. Graag zouden de Britten in een volksraadpleging hun stem over de Europese aspiraties van het Verenigd Koninkrijk laten horen, maar op dit moment is de bevolking volgens peilingen uiterst sceptisch. Wanneer Blair, mede dankzij zijn ommezwaai, volgend jaar herkozen wordt maar daarna het referendum verliest en het Verenigd Koninkrijk gedwongen wordt in de EU een nog vrijblijvender positie in te nemen, dan betekent dat het einde van zijn politieke loopbaan. Als hij erin slaagt de Britten de onmiskenbare voordelen van het grondwettelijk verdrag duidelijk te maken, dan zal hem dat het mandaat geven een soepeler Europese koers te varen, met uiteindelijk misschien wel de invoering van de euro als bekroning. Blair zwicht met zijn ommezwaai dus niet zozeer voor de Eurosceptici en de oppositie, maar hij beschouwt het als zijn taak de geneugten van een volwaardig EU-lidmaatschap aan de bevolking uit te leggen.

Zoveel staatsmanschap, kom daar maar om in Nederland. Het kabinet-Balkenende haalde opgelucht adem toen in december vorig jaar in Rome door de recalcitrante houding van de Polen en de Spanjaarden over het nieuwe grondwettelijk verdrag geen overeenstemming werd bereikt. De plannen van de oppositie en de VVD om gelijktijdig met de verkiezingen voor het Europees parlement in juni ook in Nederland een referendum uit te schrijven, werden zo gedwarsboomd. Nederland zou, vond het kabinet, een modderfiguur slaan als voorafgaand aan het voorzitterschap van de Unie in de tweede helft van dit jaar de bevolking het grondwettelijk verdrag zou verwerpen. Die kans was reëel. Staatssecretaris Nicolaï waarschuwde dat het referendum niet over het ingewikkelde verdrag zou gaan maar over Europa als geheel: moet Nederland mee blijven doen of niet. Dat is precies wat Tony Blair wél wil.

Op dit moment probeert het Ierse voorzitterschap de lidstaten alsnog op één lijn te krijgen. Dat is door de nieuwe Spaanse regering en de soepeler opstelling van de Polen gemakkelijker geworden. Slagen de Ieren, dan moet in november, tijdens het Nederlands voorzitterschap, alsnog een referendum worden belegd. Dat zal Nicolaï niet leuk vinden. Maar het verplicht hem simpel uit te leggen hoe «belangrijk» de EU voor Nederland nu werkelijk is.

Het is niettemin jammer dat een eerste nationaal referendum, met alle nadelen van het middel zelf, in Nederland over zo’n ingewikkeld en gevoelig onderwerp gaat. Stemt de bevolking tegen (ook de peilingen wijzen die kant uit) dan is het ambitieuze Nederlands voorzitterschap, inderdaad, geen knip voor de neus meer waard.

Maar dat betekent niet dat er maar beter geen spoedige overeenstemming over het grondwettelijk verdrag kan komen. Het verdrag omvat essentiële structuuraanpassingen om de EU, ook met 25 lidstaten, bestuurbaar te houden. De aandacht mag dezer dagen op voldongen feiten in Cyprus liggen, de wérkelijke smet op het toetredingsfeest dateert van december vorig jaar, toen regeringsleiders ondanks de naderende deadline (1 mei) het niet eens konden worden over de wijze waarop de grote Unie bestuurd moet worden. Referenda of niet, het is nu al de straf voor politici die om wille van een ideaal de boel de boel hebben gelaten.