Het publieke omroep bestel

Smijten met miljoenen

Het publieke bestel lijkt na vijftig jaar tv niet meer van deze tijd. Daarom investeert de NOS vermogens in nieuwigheden als internet en een 24-uurs nieuwskanaal. Maar willen de omroepen dat? En waarom is er bijna geen geld voor Nederlands drama?

BBC2, zaterdagavond. TOTP2 draait, al lang voordat het modieus werd, muziek uit de jaren tachtig: Soft Cell zingt Tainted Love, Boy George Do You Really Want to Hurt Me? en Madonna Live to Tell. Dan een western of een oorlogsfilm met Audie Murphy, James Stewart of Dean Martin. Of een opera van Verdi. Waarna een journalist in Correspondent vertelt over Zuid-Afrika, Afghanistan of Israël. Vervolgens een aflevering uit de I Love 19..-serie, een baanbrekend programma over populaire cultuur uit de jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig. Gevolgd door een film die aansluit bij het zojuist besproken jaar, bijvoorbeeld Pulp Fiction van Quentin Tarantino, zoals alle films bij de BBC uitgezonden in het originele breedbeeldformaat. Ter afsluiting van de avond een Franse film. Dat is nog het minst interessante onderdeel van een in alle opzichten perfect voorbeeld van wat publieke televisie zou moeten zijn nu het medium tijdens het digitale tijdperk verregaand wordt vercommercialiseerd.

In het steeds groeiende oerwoud van televisiekanalen — straks komen er tientallen bij door digitale ethertelevisie — kun je blind afstemmen op BBC2. Dat heeft niets te maken met een elitaire cultuurbeleving. In Nederlandse discussies staat «BBC» uitsluitend voor natuurseries, programma’s over de kunsten en journalistiek hoogwaardige actualiteitenprogramma’s als Newsnight. Dat is een grote misvatting. In Engeland kijken «gewone mensen» naar BBC2. Het unieke aan BBC2 als publieke televisiezender ligt juist in het vermengen van hoge en lage cultuur. Op één avond de postmoderne mix programmeren van John Wayne, Rigoletto, het moslimfundamentalisme in Azië, de skateboard-rage in de jaren tachtig en de donkere ogen van Uma Thurman waar John Travolta gek van wordt in Tarantino’s filmmeesterwerk — hierin ligt de genialiteit van de BBC.

Cultuurrelativisme vormt een pijler van het programmabeleid van de BBC. En dus kan publieke televisie, zoals in het geval van BBC2, goede televisie zijn. De Britse openbare zendgemachtigde laat zien dat public broadcasting niet hoeft te bestaan uit eindeloze televisiemarathons waarin telefonisch geld wordt afgetroggeld van de kijker, zoals bij PBS in Amerika. Nog minder hoeft publieke televisie te lijden onder een onoverzichtelijk, bureaucratisch systeem dat gespeend is van elke vorm van creativiteit en levenslust, zoals in Nederland. «De omroep» of «Hilversum», zoals men vroeger kortweg zei, vervult al vijftig jaar lang een prostitutiefunctie: voor de één een politieke speelbal ter bevordering van een of andere levensbeschouwelijke ideologie, voor de ander een flink gesubsidieerd kunstenatelier waar ongeïnspireerde, nauwelijks getalenteerde programmamakers hun «visies» kunnen botvieren.

Tegenwoordig heet «de omroep» de «publieke omroep» — een gevaarlijke benaming, want al gauw wordt de connectie gemaakt met het idee van een nationale omroep. Jo Bardoel, verbonden aan de vakgroep communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, stelt in het standaardwerk Omroep in Nederland (1994): «De grondslag van publieke omroep, in verleden en toekomst, berust op de gemeenschappelijke notie dat binnen de openbare communicatie een nationaal podium voor het politieke en morele debat en voor cultuurbeleving — uitgevoerd door onafhankelijke journalistieke en creatieve werkers — verzekerd moet zijn. De samenleving zal, in onderling debat, in de komende jaren moeten vaststellen in hoeverre deze noodzaak nog aanwezig is, en op welke wijze deze organisatorisch gestalte moet krijgen.»

Anno 2001 is deze «noodzaak» weg. Alle taken die aanwezig zijn in de definitie worden tegenwoordig ook door commerciële zenders vervuld, met name door RTL4. Bovendien nemen de verzuilde omroepverenigingen hun traditionele maatschappelijke rol in heroverweging door de vorig jaar aangenomen Concessiewet. De veranderingen creëren een gevaarlijke, onzekere situatie — temeer omdat de NOS veel macht heeft gekregen wegens haar rol als concessiehouder voor de komende tien jaar. In feite zijn de omroepen nu niet veel meer dan productiehuizen. Nederland 1, 2 en 3 krijgen elk een eigen gezicht vanwege de «netprofilering». Doel: een marktaandeel van veertig procent. De unieke dualiteit van het Nederlandse bestel ligt in de samenstelling van de omroepgelden: de verenigingen worden zwaar gesubsidieerd door de rijksbijdrage, terwijl ze ook nog miljoenen verdienen met reclame. Vraag: waar blijft de Nederlandse BBC2? Waar blijft goede televisie?

Overzichtelijk is de besteding van de omroepgelden allerminst. In het jaarverslag van de Vara staat bijvoorbeeld geen enkel bedrag vermeld. «Bel de Kamer van Koophandel maar», blaft een Vara-woordvoerder. Dat is typisch. Vanuit de Tweede Kamer pleiten politici al jaren vergeefs voor een transparante financiële verantwoording. Bekend is wel dat de publieke omroepen 6,5 procent van de totale zendtijd mogen aanwenden voor reclame. Bij de commerciële omroepen is dat vijftien procent. Ondanks het verschil schuiven de reclameminuten van Nederland 1, 2 en 3 behoorlijk. In 2000 verdienden de gezamenlijke omroepen een slordige 526 miljoen gulden aan reclame op de publieke netten — het beste jaar uit de geschiedenis van de Stichting Etherreclame (Ster). Voeg hierbij de jaarlijkse bijdrage uit de rijksbegroting — 1,4 miljard gulden — en de opbrengsten van de programmabladen — twintig miljoen in het geval van de VPRO — en het is duidelijk dat de kas van de omroepverenigingen wel degelijk wordt gespekt.

Zelfs een kleine omroepvereniging als de VPRO kon vorig jaar rekenen op bruto bedrijfsopbrengsten van zo'n 133 miljoen gulden. Toegegeven, de vereniging eindigde met een negatief bedrijfsresultaat, maar het punt is dat de middelen rijkelijk aanwezig zijn voor het maken van goede televisie. Ook de VPRO profiteert immers van de gigantische bedragen die via de Ster binnenstromen. Julius Minnaar, algemeen directeur van de Ster: «Vorig jaar stonden alle seinen op groen: economisch ging het zeer goed. De media profiteerden hier sterk van doordat veel geld werd uitgetrokken voor marketing. En er waren twee grote evenementen: het EK-voetbal in Nederland en de Olympische Spelen. Hier komt bij dat er in de eerste helft van het jaar een hype bestond in de internet- en telecombranches waardoor bedrijven reclame maakten voor hun www-adresjes.»

Maar volgens Minnaar zal het in de komende maanden wat minder snel gaan. De economie hapert; de internethype is wat afgenomen; de budgetten van telecombedrijven zijn fors verminderd. Een «aardig lichtpuntje» is het komende koninklijk huwelijk. Minnaar: «Dat zal zeker veel geld opleveren. Helaas gaat het maar om een dag.»

Waar worden de geldpotten in Hilversum voor gebruikt? In zijn controversiële notitie Mediabeleid wijst D66-mediaspecialist Bert Bakker erop dat de NOS tien procent van het geld centraal beheert. De besteding roept veel vragen op. Zo kreeg het volstrekt mislukte De tv-kapper een miljoen gulden uit dit potje. Bakker concludeert dat de NOS hiermee wilde wedijveren met de commerciëlen. Daartegenover kreeg de dramaserie Wilhelmina geen cent; de serie werd gefinancierd door de NCRV (twee miljoen) en Joop van den Ende (zes miljoen). Bakker pleit voor een «maximering» van de Ster-reclame. Zodoende komt de nadruk zwaarder te liggen op de overheidsfinanciering en, stelt het kamerlid, daarmee ook op de «typisch publieke opdrachten van de publieke omroep».

Onzin, reageert Julius Minnaar: «We hebben in Nederland nu eenmaal gekozen voor een duale financiering van publieke omroepen. Hier staan parlement en regering nog steeds achter. En de omroepen voldoen aan de wettelijke criteria wat betreft zendtijd voor informatie, educatie, cultuur en amusement. Als politici vinden dat deze criteria niet kloppen, moeten ze daar in het parlement iets aan doen — dan moeten ze iets veranderen aan het bestel. Publieke omroepen hebben een maatschappelijke functie. Dat kost geld. Als je minder reclame wilt, met behoud van de publieke taakstelling, zal er meer geld moeten komen uit algemene middelen. Dat is geen alternatief. In Engeland betalen mensen twee à drie keer zoveel voor de publieke omroep dan in Nederland. De BBC heeft zoveel meer geld dan onze publieke omroepen. Ik vraag me af of in Nederland een politiek draagvlak bestaat voor een extra lastenverzwaring voor de burgers.»

«Televisiedrama is te duur!» Geweeklaag in een van de vierkante betongedrochten uit de jaren zeventig waaruit het mediapark in Hilversum is opgebouwd. Aan tafel zitten bobo’s van het bestel, aangevoerd door Gerrit-Jan Wolffensperger, voorzitter van de Raad van Bestuur van de NOS. Op het wekelijkse «mediagesprek» — alsof het om een regeringsleider gaat — heeft hij zojuist plannen bekendgemaakt voor nieuwe internetbedrijvigheden en een 24-uurs nieuwskanaal. Prijskaartje: honderd miljoen gulden. Aan de andere kant zou tv-drama «te duur» zijn. Een non-argument, want waar het de omroeppolitici werkelijk om gaat, dat zijn reclamemiljoenen en kijcijfers. De zweep van het marktdenken klapt. En Wolffensperger oreert als een dotcom-yup: «Wij vernieuwen ons! Wij blijven de concurrentie een stap voor!»

Hoe nu verder met de publieke omroep?

Worden met de ambitieuze plannen voor de digitale toekomst — de portal «omroep.nl» en het nieuws-themakanaal — de omroepverenigingen finaal de nek omgedraaid? Betekent dit het einde van het bestel?

Wolffensperger: «Dit alles heeft niets te maken met het einde van de verenigingen. De plannen zijn aanvaard met unanieme steun van de omroepen. Het betekent wel dat de publieke omroep laat zien dat hij van plan is de 21ste eeuw te betreden. Nieuwsvoorziening is een speerpunt waarin we in de toekomst willen blijven investeren. Tamelijk vanzelfsprekend is dat een apparaat als NOS-radio en -televisie verantwoordelijk zal zijn voor de centrale nieuwsgaring. Je zult een mix moeten vinden waarbij je de nieuwsvoorziening van de NOS koppelt aan elementen die omroepen kunnen maken. Een rubriek als Netwerk kan bijvoorbeeld ’s middags een onderdeeltje leveren, met een afkondiging dat meer over dat onderwerp ’s avonds bij het reguliere programma te zien zal zijn.»

Is het niet onzinnig dat het zo zou moeten zijn? Waarom moeten deze omroepen zich zonodig terug kunnen vinden in een themakanaal?

«Met onze plannen baseren we ons op het Nederlandse omroepbestel zoals het er nu uitziet. In sommige opzichten is het misschien een merkwaardig bestel, maar het heeft grote voordelen: door omroepen krijg je een soort automatische worteling in de samenleving; door omroepen ontketen je waarschijnlijk een grotere creativiteit, omdat ze als het ware ook tegen elkaar opboksen. Laten we alsjeblieft niet te moeilijk doen. We moeten niet voortdurend zeuren over de bestuursstructuur van de Nederlandse omroep, als de conclusie is dat het resultaat qua kwaliteit, creativiteit en pluriformiteit absoluut de toets der kritiek kan doorstaan.»

Vindt u de publieke omroep een anachronisme?

«De opgave voor de publieke omroep is om een structuur die z'n oorsprong vindt in de twintigste eeuw zo te veranderen dat hij zijn levenskracht behoudt in de 21ste eeuw. Dat betekent dat je een identiteit — een achterban uit de vorige eeuw, katholiek, protestants of socialistisch — moet proberen te vertalen in een 21ste-eeuws mediapakket. Het aardige is dat een aantal omroepen dat begrijpt. Het proces van evolutie is essentieel. Dat uit zich ook in de netprofilering: omroepen die protestants-christelijk waren, zeggen nu: ‹Is het niet beter de nadruk nu te leggen op de zorgzame samenleving?› Het stomste dat je zou kunnen doen, is het Nederlandse mediabestel omkieperen. Je moet wel zorgen dat het bestel bij de tijd blijft. Dat kan de NOS niet alleen doen; dat is ook een taak van de omroepen zelf.»

Toch stemmen de omroepen niet geruisloos in met de beoogde door de NOS overheerste nieuwszender. Tros-voorzitter Karel van Doodewaerd heeft aangegeven nu al «slapeloze nachten» te hebben van het idee dat Nederland 2 vanaf volgend jaar overdag wordt gevuld met de nieuwszender van de NOS. Tegenover het Algemeen Dagblad hebben ook andere omroepen te kennen gegeven dat ze ontevreden zijn over «een mogelijk overheersende rol van de NOS en het Journaal op het nieuwskanaal». Tevens zijn vraagtekens te zetten bij het achterliggende idee: als de machtige CNN in Amerika al bijna crepeert wegens de concurrentie met de gevestigde zenders, vooral met het nieuwe Fox News, hoe denkt de NOS dan een marktaandeel van 2,5 procent te kunnen bereiken voor haar nieuwe nieuwskanaal?

De dure plannen lijken een schoolvoorbeeld van hoe de publieke omroep — nota bene met publieke middelen — de strijd met de commerciëlen aanknoopt. Wolffensperger laat doorschemeren dat het hem gaat om meer nieuws uit de provincie en meer financieel nieuws — concurreren dus met respectievelijk SBS’ Hart van Nederland en Z-nieuws van RTL5. Conclusie: de NOS besteedt miljoenen aan meer van hetzelfde.

Het is een nog altijd curieus Europees fenomeen: volhouden dat het leven niet mogelijk zou zijn zonder publieke televisie, dat zelfs de democratie gevaar zou lopen zonder de BBC, ARD, VRT of NOS — terwijl de beste televisie uit de geschiedenis van het medium afkomstig is van de commerciële Amerikaanse tv. De vergissing is al gauw gemaakt. Immers, hebben Engeland en de BBC niet Dennis Potter opgeleverd die ons meesterwerken gaf als Black Eyes en The Singing Detective? Klopt. Maar voor elke Dennis Potter in Europa komt er een David Lynch uit Amerika met Twin Peaks. Of een Steven Bochco met Hill Street Blues, een Norman Lear met All in the Family en Maude, een productiehuis als MTM met The Mary Tyler Moore Show of zomaar een zender als NBC met de klassieke sitcoms Cheers en Seinfeld.

Bij goede televisie gaat het niet alleen om programma’s die passen binnen de genres van fictie. De theorieën van de narratologie laten zien hoe het verhaal steeds meer de spil wordt van het menselijk leven. Het idee van de werkelijkheid als verhaal, als een tekst die je kunt deconstrueren, boeit makers van fictie over de hele wereld. Om de een of andere reden krijgt deze ontwikkeling nauwelijks voeten aan de grond in Nederland. En al helemaal niet op audiovisueel gebied. Hier staat televisie gelijk aan realisme: spelletjes, praatprogramma’s, realiteitstelevisie, nieuws, documentaires of actualiteitenprogramma’s. Soap, sitcom, drama en tv-film worden of niet serieus genomen of helemaal niet gemaakt. Fictie lijkt haast een doodzonde; een verhaal verzinnen wordt beschouwd als een decadente, egocentrische daad zonder maatschappelijk nut. Waarom zou de publieke omroep hiervoor miljoenen vrijmaken? rationaliseren omroeppolitici.

Door deze drogredenering is de verleiding groot Europese publieke televisie samen met het Nederlandse bestel van omroepverenigingen te verklaren tot anachronisme. Dat het nu vijftig jaar oude Nederlandse bestel tot op het bot failliet is, is allang duidelijk. Maar publieke televisie als fenomeen heeft een bestaansrecht. Dat vindt ook Jan van Cuilenburg, hoogleraar communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij treedt deze week aan als voorzitter van het Commissariaat voor de Media. Van Cuilenburg: «Als ‹publieke omroep› betekent: een onafhankelijke voorziening van informatie en entertainment voor een groot, algemeen publiek, dan is dat zeker geen anachronisme. Als je ‹publieke omroep› definieert in termen van het oude zuilensysteem, dan is het een achterhaald idee. Sinds de Concessiewet vorig jaar van kracht werd, krijgen we toch een heel ander publiek bestel. Nederland 1, 2 en 3 krijgen nu een duidelijker gezicht dan ze vroeger konden krijgen toen de omroepverenigingen nog tamelijk autonoom waren. Met de Concessiewet bewegen we richting een BBC- of ARD-achtig model. De omroepen zijn hierbinnen nog steeds belangrijke leveranciers van programma’s; hun voornaamste taak.

Aanvankelijk liepen we voorop met ons omroepsysteem. Dat stelde particulieren in feite in staat zendgemachtigde te zijn. Maar Nederland is veranderd: we herkennen de zuilen niet meer zoals ze waren; we zijn een multiculturele samenleving geworden. Belangrijk is dat de publieke omroepen een afspiegeling zijn van onze samenleving. Ze moeten de schakel zijn met maatschappelijke stromingen. De behoefte aan deze schakel zal blijven bestaan. Onduidelijk is wel of dezelfde verenigingen deze schakel zullen vormen. Wellicht zijn er over tien jaar moslimverenigingen.»

Het beruchte McKinsey-rapport stelde de publieke omroep voor een keuze: concurrentie met de commerciëlen of «complementariteit» in de vorm van een duidelijk onderscheid met de commerciële zenders. Het ziet ernaar uit dat Hilversum na twintig jaar nog geen keuze heeft kunnen maken.

Van Cuilenburg: «Met de komst van de commerciëlen hebben de publieke omroepen eerst geprobeerd de race aan te gaan. Als gevolg hiervan trad er een zekere vervlakking op in het programma-aanbod. Maar in de laatste vijf jaar wordt er steeds meer getamboereerd op het onderscheidend, aanvullend bezig zijn.»

Vindt u dat echt? Er zijn zoveel sterren uit het kamp van de Holland Media Groep overgestapt naar de publieke omroep. Nederland 2 aast op het RTL-programma «Barend en Van Dorp». En je ziet steeds meer verstrooiing in de vorm van spelletjes bij de publieke omroepen.

«Tenzij ik naar de verkeerde netten kijk, ligt het aantal spelletjes bij de publieke omroepen aanzienlijk lager dan bij de commerciëlen. Wat betreft reclamezendtijd: hier bestaan wettelijke limieten voor. Ik ken het Commissariaat voor de Media goed genoeg om te weten dat eventuele overtredingen van de Mediawet zullen worden geregistreerd en beboet. Een gevoelig punt op dit moment is het feit dat de commerciële omroepen erg onder druk staan vanwege de dalende behoefte bij adverteerders aan reclame zend tijd. Hier komt nog bij de onderlinge concurrentiestrijd tussen de commerciëlen, die uiteraard vinden dat de Ster te veel reclamezendtijd heeft. Met commerciële omroepen is helemaal niets mis. Belangrijk is dat we naast de commerciële omroep vasthouden aan onze Europese, zeg maar BBC-traditie van onafhankelijke informatie, educatie en vermaak.»

Wat vindt u goed aan de BBC?

«Journalistieke programma’s die zich qua onafhankelijkheid en kwaliteit onderscheiden van soortgelijke programma’s bij commerciële zenders. Echter, de publieke omroep zal altijd onder druk blijven staan. Dat is maar goed ook. De commerciële omroepen kennen de tucht van de markt. Als het programma-aanbod niet deugt, dan zappen mensen weg. De publieke omroepen kennen de tucht van de maatschappelijke verantwoording. Hun taakstelling houdt in het maken van een onderscheidend programma-aanbod dat een afspiegeling is van de pluriformiteit van onze samenleving.»

Zoals Van Cuilenburg zegt: onafhankelijkheid is de belangrijkste reden voor het voortbestaan van Europese publieke televisie. Dat betreft niet zozeer onafhankelijkheid van overheid, politiek of ideologie, als wel van het vercommercialiseren van televisie als medium. Straks, met de fusie tussen internet en digitale televisie, ontstaat een globale, eenvormige audiovisuele markt. Het is waanzin om als publieke omroep met publiek geld op deze markt de strijd aan te gaan met de commerciëlen. Dat lijkt de NOS te doen met het dure nieuws-themakanaal. Het vernieuwingsstreven is nobel. Maar waarom niet gewoon goede televisie maken? Dat zou pas vernieuwing zijn.

Publieke televisie biedt bij uitstek de gelegenheid aandacht te schenken aan door de commerciëlen geperverteerde gebieden, bijvoorbeeld de wijze waarop films worden uitgezonden en besproken. Bij de BBC gebeurt dat zonder reclame en consequent in het originele breedbeeldformaat. Dat klinkt trivaal, maar het zou in de Nederlandse context in elk geval een verfrissende blijk zijn van respect voor een kunstvorm. Een volgende stap zou een filmprogramma kunnen zijn met inhoud, zoals Moviedrome of Scene by Scene van BBC2, en niet het lompe, amateurachtige Stardust van de VPRO dat ongetwijfeld ook weer vele tonnen kost om te maken. Goede televisie hoeft niet duur te zijn; goede televisie heeft te maken met een mentaliteit — met de bereidwilligheid de werkelijkheid te willen begrijpen via de genres van zowel feit als fictie. Goede televisie heeft te maken met een gezindheid die je al zou kunnen aflezen aan de programmasamenstelling, zoals een willekeurige zaterdagavond bij BBC2.