‘Klein Zaïre’ in Brussel

‘Smile, je bent in Matonge’

Matonge, de Afrikaanse wijk van Brussel, was eind jaren vijftig de eerste veilige haven van aankomst voor Congolezen. De wijk groeide uit tot cultureel en commercieel centrum van Afrikaanse jongeren, raakte in verval en nu ligt gentrificatie op de loer.

Campagneposters in de wijk Matonge, Brussel. 26 mei © Francisco Seco / AP / HH

Om tien uur ’s ochtends zijn de meeste restaurants en kappers in Matonge nog dicht. Ook al is er zo vroeg vaak wel een café te vinden voor koffie of een schotel gerookte geit, rond het middaguur zal het leven in de wijk pas echt terugkeren. De rolluiken zullen omhoog gaan en de Afrikaanse tantes de straat op, op zoek naar klanten wier haar voor een zacht prijsje gevlochten mag worden. We staan voor een onopvallende gevel, door de jaren heen is het zwart ervan verkleurd naar een soort grijs. Boven de deur hangt een klein roze neonlicht waarop cursief ‘Mambo’ geschreven staat.

Dankzij de Mambo werd Matonge in de jaren tachtig een vrijhaven voor de Afrikaanse elite. ‘Als je niet in de Mambo was geweest dan was je niet in Brussel geweest.’ Henri Kadiebo Hoekens, ‘Vieux’, vertelt ons zijn verhaal op een late vrijdagavond. Hij komt niet zomaar aan zijn bijnaam, als getuige van het eerste uur is zijn kennis over de wijk ongeëvenaard. Hij zit als een edelman in zijn appartement, op een leren troon met extra rugsteun. Hij wijst naar zijn rechterarm in een steunverband en zijn gezwollen voeten: ‘Het is artrose en leeftijd.’ Terwijl zijn jongste zoon ons allebei een warme Jupiler brengt, blijft de televisie op het hoogste volume staan.

Kadiebo blikt terug op een van de bewogen nachten in zijn club. Mobutu Sese Seko junior had de Mambo afgehuurd voor de verjaardag van zijn vriendin. De zoon van de toenmalige president van Zaïre was zelf niet komen opdagen. Om toch nog iets van haar avond te maken viel haar oog op hem. Hij durfde haar de dans niet te weigeren. Kadiebo had het niet hoog op met Mobutu en was een Lumumba-aanhanger. Maar zijn club draaide op de goede wil van vrouwelijk schoon. Zo dansend op de rumba, vergaten ze even dat ze omringd waren door haar bodyguards. Tot ze het iets te gezellig maakten en de bodyguards de wapens trokken.

Afrikaanse wijken zijn een eerste plek van zelfherkenning in de Afrikaanse diaspora. We herkennen onszelf in de zwarte en bruine gezichten op de hoek van de straat of aan de ingang van de Afrikaanse restaurants, naaiateliers en kapperszaken, met groepen tantines en tontons ervoor. Samen voeren ze een warm spektakel van saamhorigheid op in de straten van de wijk, met hun grappen, grollen en gefluit naar potentiële klanten die langslopen. Afrikaanse wijken in Europa zijn culturele broedplaatsen, waar artistiekelingen en levenslustigen samenkomen. Sinds hun ontstaan zijn het veilige havens van aankomst, uitgegroeid tot stedelijke ruimte waar nieuwe en oudere migranten uit Sub-Sahara Afrika samenkomen.

De eerste keer dat je als kind naar de kapper in de Afrikaanse wijk gaat, is je eerste kennismaking met de grotemensenwereld van je Afrikaanse ouders in Europa. In zo’n zaak ga je voor het eerst zitten op een echte kappersstoel en voel je hoe er andere handen dan die van je moeder of tantes over je kruin woelen. Een andere tondeuse dan die van thuis beeldhouwt je haarlijn. Omringd door etensgeur en verhitte politieke gesprekken over het thuisfront, houd jij je stevig vast aan de leuningen van de kappersstoel, een lange middag kondigt zich aan.

Terwijl ‘Afropean’ (of Afro-Europeaan) een buzzword wordt, zijn de Afrikaanse wijken, de plaatsen waar Afro-Europese cultuur gevormd en gekneed wordt, onzichtbaar in de politiek, de media en de cultuur. Ondertussen staan deze buurten onder druk door stadsontwikkeling en gentrificatie.

‘Er doen veel verhalen de ronde over hoe Matonge aan haar naam komt, maar het merendeel is fictie’, zegt Henri Kadiebo Hoekens. Het waren cafés als de zijne waardoor de wijk Naamsepoort dé plaats werd waar mensen uit het moederland elkaar kwamen opzoeken. ‘Alle zwarte mensen die hier waren om te werken of te studeren kwamen hier wonen.’ Na de cafés volgden de handelaars: ‘De schoonzoon van een metis uit de kolonie, Jean Lubanda, begon hier zijn stoffenwinkel. Alle mamans commercant die in Europa inkopen deden kwamen bij hem langs. Lubanda noemde zijn zaak Matonge, naar de drukke handelswijk in Kinshasa. Zo kreeg de Naamsepoort in de volksmond ook een nieuwe naam.’

Kadiebo maakte deel uit van de eerste kleine golf Congolezen die eind jaren vijftig, begin jaren zestig als student naar België kwamen. Ze waren voornamelijk évolués: een strikte categorie van volgens de kolonisator ‘geëvolueerde’ Congolezen die een bevoordeelde positie genoten. Ten tijde van de Wereldtentoonstelling in 1897 werden vijfhonderd van deze évolués overgevlogen naar België om te tonen hoe superieur de koloniale Belgische staat was in het ontwikkelen van zijn koloniën. Ze werden neergezet in een nagebouwd ‘Congolees dorp’. Daar moesten zij het leven van voor de kolonisatie imiteren, zoals koloniaal België zich dat voorstelde: in lendendoekjes, met hutten van leem en stro, voorzien van bordjes met de waarschuwing ‘voeden op eigen risico’. In dit dorp stierven zeven mensen door kou en ontbering. Hun graven zijn vandaag te bezoeken bij het AfricaMuseum in Tervuren.

Eind jaren vijftig brak de volksopstand uit in Congo. Er werden vrije verkiezingen georganiseerd en de alliantie rond Patrice Eméry Lumumba behaalde de overwinning. Joseph Kasavubu, een gematigde stem, werd president, Lumumba eerste minister. In zijn befaamde onafhankelijkheidstoespraak van 1960 sprak hij zich, tot grote woede van koning Boudewijn, toch uit tegen het koloniale onrecht. Die speech zou Lumumba in 1961 uiteindelijk het leven kosten.

Terwijl Mobutu senior in Congo de macht greep, ging Kadiebo studeren in Brussel en werd ook lid van de studentenvereniging Union Générale des Étudiants Congolais (ugec), de ideologische tegenhanger van het Mobutu-regime. Ze hadden niet veel op met Mobutu’s project ‘zaïrisation’, waarmee hij Congo weer terug wilde brengen naar ‘authentieke Afrikaanse waarden’. Mobutu wilde alle koloniale invloeden uit Congo wissen: plaatsen en mensen moesten hun namen veranderen. Léopoldville werd Kinshasa, Congo werd Zaïre. Zelfs de Congolese frank werd omgedoopt tot de ‘zaïre’. ‘Op zich niets mis mee’, zegt Kadiebo, ‘maar wij waren lumumbisten en geloofden nog in de filosofie van de vermoorde premier. Toen we weigerden de ugec te verlaten, had dat grote gevolgen.’ Hun studiebeurzen werden ingetrokken.

‘Ik was getrouwd met een Belgische vrouw en had een kind, en plots zat ik zonder geld’, vertelt Kadiebo. Maar hij slaagde erin om te werken en zijn diploma sociaal werk te behalen. Hij kreeg een baan in het Afrikaanse Huis in Luik. In die jaren staken Afrikaanse Huizen overal in België de kop op. Het waren plekken waar de Afrikaanse, voornamelijk Congolese, studenten opgevangen werden tijdens hun verblijf in België. De Congolese studenten gaven Matonge vorm, omdat ze behoefte hadden aan een plek die hun landing in Europa kon verzachten. Hardnekkig racisme was aan de orde van de dag. De studenten zochten elkaar op in het handjevol cafés waar zwarte mensen wel naar binnen mochten.

In 1972 nam Kadiebo met zijn nieuwe Belgische geliefde de Mambo over. ‘Ik werkte toen al in de oude Mambo als garçon. De eigenaar, een man uit Guinee, was het beu en bood ons aan om het over te nemen. De vader van mijn vriendin leende ons driehonderdduizend Belgische frank (bijna 7500 euro – red.). De Mambo was zo succesvol dat ik het geleende geld na drie maanden kon terugbetalen.’

‘Er was geen ruimte voor de zwarte jeugd in België. Ik kon me met hen identificeren. Ik vond mijn verzet in het verenigingsleven, zij op straat’

De Mambo stond symbool voor de bloeitijd van Matonge. ‘Mensen kwamen op vrijdagavond uit Parijs, Duitsland, Luxemburg en Nederland. Pas op zondag waren alle auto’s weg. In één weekend draaiden we een omzet van vijfhonderdduizend Belgische frank. Het was de tijd van de champagne en de whisky, het kon niet op.’ Het feesten ging gepaard met de nodige gesprekken over de gespannen politieke situatie van het thuisland na de onafhankelijkheid. Hoe kon het ook anders, in de aanwezigheid van Congolese, Belgische en internationale diplomaten, die er allemaal hun vertier vonden.

Ondertussen had de Mambo veel te kampen met de politie. ‘Ach ja, racisme is sterk hè’, verzucht Kadiebo. ‘Een zwarte man die geld komt verdienen hier, daar konden ze niet mee leven. Minstens twee keer hebben ze de zaak wekenlang gesloten – toch bleven wij het personeel doorbetalen.’ Hij mijmert een beetje weg, hij heeft te veel verhalen te vertellen. Over aanslagen, moorden, eindeloze nachten en vrouwelijk schoon. Verhalen over mensen die er al lang niet meer zijn: terug naar Afrika of overleden. ‘Bekende Congolese zangers begonnen muziek te maken in de Mambo, zelfs Belgische ministers kwamen er een glas drinken.’ Zijn geheim? ‘Daar waar de mooie vrouwen zijn, daar komen de mannen. Ze volgen de dames als muggen.’

Eind jaren tachtig ging het licht uit. Kadiebo droeg het pand van de Mambo over aan zijn werknemers. Die brachten het nooit meer op hetzelfde niveau. De val van de Berlijnse Muur, het einde van de Koude Oorlog, betekende voor Congo meteen het einde van de actieve steun aan het Mobutu-regime door westerse mogendheden. De jaren van overvloed bij de Congolese elite en haar diaspora liepen ten einde. Niet veel later staken conflicten in Rwanda, Burundi en Oost-Congo de kop op. België kreeg toen de eerste toestroom van minder gegoede migranten uit de regio. Die hadden al veel gehoord over het kleine Kinshasa in Brussel. Matonge werd van uitgaanswijk de aankomstplaats nummer één.

­‘Matonge is geen verzameling straten, het is een sfeer’ © Alain Schroeder / hemis.fr / HH

De hoge nasale stem van zanger Papa Wemba danst ons tegemoet. We staan in de hallen van Matonge, waar de rumba en kerkmuziek zes dagen in de week door de speakers gonzen. De hallen vormen het hart van de wijk en snijden de hoofdstraat in twee. Kappers, nagelstudio’s en naaiateliers vind je niet alleen op straatniveau, maar ook hier, binnen in de galerijen, het overdekte en levendigste winkelgedeelte van de wijk. ‘Matonge is vooral een consumptiewijk’, vertelt onze gids voor de dag, Mireille-Tsheusi Robert.

Het stadsbestuur heeft jarenlang niet geïnvesteerd in de galerijen, de met golfplaten bedekte plafonds zien eruit alsof ze elk moment kunnen instorten. Maar tegelijk zit de wijk in de lift, vertelt Robert. ‘Place de Londres, het horecaplein dat vroeger zo sjofel was, is nu zo hip dat het onbetaalbaar is geworden. De lokale Afrikaanse identiteit van de cafés gaat daaraan ten onder. De Afrikaanse gemeenschap van kappers en restaurants verplaatst zich steeds meer naar Madou, waar de prijzen nog laag zijn.’ Op een zondag zul je tegenwoordig meer Afrikanen op weg naar de kerk zien in Anderlecht dan in Matonge. De Congolese gemeenschap is in Matonge nog steeds dominant, maar restaurants met Congolese vlaggen in de vitrine blijken uitgebaat door Senegalezen en het gebroken Lingala dat tegenwoordig uit de naaiateliers klinkt verklapt een Togolese tongval.

Robert kwam naar Brussel in 1998. ‘Ik kwam toen uit diep Wallonië. De kerk was lange tijd mijn leven, van jongs af aan zong ik in het koor. Maar toen de pastoor mij probeerde te versieren ben ik uit de kerk gestapt.’ Ze kwam als kleuter uit Congo naar België. Pas op latere leeftijd kwam ze in aanraking met het leven in Matonge. ‘Vanuit de kerk deden we humanitaire acties, geld inzamelen voor een school in Congo bijvoorbeeld. In het begin gingen we daarbij specifiek langs bij witte protestantse kerken, omdat die altijd geld over hadden. Maar waarom konden we daar wel geld ophalen, maar niet bij de Afro-descendenten?’ Zo ging Robert voor het eerst naar Matonge, met de collectebus in de hand. ‘We vroegen daar geld aan de winkeliers, maar werden gewoon weggelachen. De lokale stichtingenorganisaties waren opener, die gaven ons un petit quelque chose.’ Zo kwam ze in het Congolese verenigingsleven terecht.

Mireille Robert heeft er inmiddels een lange carrière als schrijfster en intercultureel bemiddelaarster op zitten. Ze is een van de voornaamste stemmen in Franstalig België wanneer het gaat over racisme en dekolonisatie. In de jaren negentig stonden de verhoudingen tussen Afrikaanse migranten en de Belgische staat op springen. Matonge ging symbool staan voor jeugdcriminaliteit, bende- en politiegeweld. De generatie Afrikaanse jongeren die opgroeide in België ervoer nog veel ontheemding in hun nieuwe thuisland. Dat speelde zich voornamelijk af rond de winkelgalerijen in het midden van de wijk.

De omstandigheden in Matonge bereikten in 2001 een dieptepunt. Op 15 februari belde de politie om zes uur ’s ochtends aan bij het huis van Monga Fololo in de Brusselse wijk Anderlecht. Hij werd ervan verdacht drugsdealer te zijn. De jongeman vluchtte weg met enkel zijn ondergoed aan en verstopte zich in een wc-hokje op een binnenpleintje. Politieagent Thibaut Hebberecht schoot hem neer vanaf een meter afstand. Al gauw vulde Matonge zich met jongeren en betrokkenen die kwamen rouwen en protesteren.

‘L’affaire Fololo’ had grote invloed op het stadsbestuur, de politie en de zwarte gemeenschap in Brussel. De politiecommissaris Herzeele, destijds verantwoordelijk voor de regio, koos voor de politiek van de ‘uitgestrekte hand’. Hij richtte ‘cel Matonge’ op, een soort nabijheidspolitie die minder repressief te werk zou gaan. De toenmalige socialistische burgemeester Willy Decourty gaf toe dat de wijk te lang aan haar lot was overgelaten. Zoals hij het indertijd tegen De Standaard zei: ‘Het was een bruisende wijk zonder al te veel problemen. Maar het gaat bergaf. Matonge trekt Congolezen uit Congo en werkloze Afrikaanse jongeren van hier aan die er wat rondhangen. Sommigen ontsporen, gaan in de illegale handel: gestolen goederen, drugs.’

Robert herinnert zich: ‘De ouders waren doodsbang, er werd een grote vergadering bijeengeroepen en besloten dat een door hen opgerichte organisatie de wijk zou controleren en met de jongeren zou praten.’ Zo werd de stichting Bayaya geboren. Het was de eerste organisatie die de groeiende ontevredenheid en de toenemende spanningen in de wijk van binnenuit wilde aanpakken. Robert sloot zich bij hen aan. ‘Toen ik betrokken raakte bij de jeugdhulpverlening werd mij duidelijk hoe de jongeren in de wijk aan een collectieve identiteitscrisis leden. Er was geen ruimte voor de zwarte jeugd in België. Ik kon me met hen identificeren. Niet met het bendegeweld en de drugs, maar wel met de frustratie en de tristesse. Ik vond mijn verzet in het verenigingsleven, zij op straat.’ Ze zei haar baan als leerkracht op en richtte zich volledig op Matonge.

Bij bezoek aan Matonge stuit je tegenwoordig vrijwel altijd op een politiepatrouille. Ook vandaag. We staan in een haarwinkel als we in de verte sirenes horen, waarna er vier politiewagens oprukken. Er klinkt een aantal harde knallen van een taser waarop de Pakistaanse eigenaar van de winkel waarschuwt dat we binnen moeten blijven. Onder luid protest van de aanwezige vrouwen in de winkel lopen we naar buiten om te zien wat er gebeurt. Op de grond in de galerijen probeert een jonge zwarte man zonder T-shirt zich met zijn armen op de rug te verzetten tegen vijf politieagenten die hem in de boeien willen slaan. Een deel van de galerij is afgesloten. Toeschouwers speculeren ieder in hun eigen taal wie de verdachte zou zijn. Even later klinkt er gejoel en ‘racisten!’ uit het publiek. Drie jongeren nemen het voorval op met hun telefoon. Als voorzorgsmaatregel.

‘Wat ik wel ken is gebrek aan respect. Die opwaarderingsprojecten dienen om Congolezen in te ruilen voor een andere, meer welvarende groep’

Matonge had in de jaren negentig een steeds slechtere reputatie gekregen, maar commissaris Herzeele vond dat het beeld dat de media schetsten sterk overdreven was. ‘Omdat alles slechts door één bril wordt bekeken – er is hier nog lang geen sprake van Amerikaanse toestanden, tot spijt van de pers misschien.’ Destijds had hij wel lovende woorden voor Bayaya: ‘Weet je, er wordt hier nog regelmatig een razzia gehouden om het onveiligheidsgevoel te verminderen. Elke razzia kost tienduizend euro. Als je nog maar het geld van één razzia aan de Bayaya’s geeft, behaal je misschien veel meer effect.’

Ondanks alle lof kon Bayaya niet overleven. In het lokaal dat hen was gegeven door het gemeentebestuur begon de organisatie met naschoolse opleidingen en bijeenkomsten over discriminatie en kolonialisme. De gemeente zag dat als een overtreding van de functie van de ruimte. In 2013 kwam er na tientallen jaren werk in Matonge een einde aan de samenwerking. ‘Ze wilden alleen dat we een soort 112-hulp boden’, blikt Robert terug, ‘maar wij probeerden juist de kern van de problemen in de wijk aan te pakken. We wilden de jongeren ondersteunen in hun zoektocht naar hun plaats in de Belgische samenleving.’

Op een grote poster boven de galerijen glimlacht een witte vrouw haar tanden bloot. ‘Smile, je bent in Matonge’ staat ernaast geschreven. Het is een restant van een van de vele pogingen tot opwaardering van de wijk. Mireille Robert draait met haar ogen: ‘Ze hadden op z’n minst subtiel kunnen zijn en een zwart model kunnen casten.’

Sinds een aantal jaren schieten de prijzen van vastgoed in Matonge de lucht in. Aan de ene kant van Matonge ligt de Europese wijk waar jonge eurocraten werken en aan de andere kant de Louizalaan waar rijke Brusselse dames hun inkopen doen. Matonge is een perfecte locatie voor jonge professionals om zich te vestigen. De gemeente komt met opwaarderingsprojecten waarvan de huidige Afrikaanse gebruikers niet zullen profiteren. Sociologe Sarah Demart deed jarenlang onderzoek naar de geschiedenis van de wijk en vertelt: ‘In de hoogtijdagen wilden de Congolezen niet blijven in Matonge. Ze kochten huizen en villa’s in de welvarende gemeente Waterloo. Tegenwoordig zie je een aantal Pakistaanse eigenaren, maar die hebben een netwerk tot in Londen. Als ze failliet gaan, laten ze iemand uit het netwerk hun huizen overnemen. Het resultaat is een vastgoedmarkt die vrijwel geheel in gebruik is door Congolezen, maar bijna volledig in handen is van niet-Congolezen.’

‘We hebben elkaar teruggevonden ver van ons land, maar we hebben nostalgie naar ons land’, zegt de lokale activist John’s Mbullz. Een week na de ontmoeting met Henri Kadiebo Hoekens wandelen we met hem naar een lokale brochette-bar. Op elke hoek van de straat komt hij wel iemand tegen die hij kent. Er wordt telkens uitbundig gegroet. Ze slaan elkaar op de bierbuiken en moeten lachen om de leeftijd die zich steeds meer in hun gezichten aftekent. Mbullz is geboren in België, maar opgegroeid in Congo. ‘Het is sentimenteel, maar vroeger was Matonge vooral de plaats waar we elkaar in het weekend terugvonden. Hier vonden we onze smaken, onze taal en onze origine terug. Het leven in België is hard, Matonge verzachtte die landing, toonde dat je niet alleen was. Het is ons klein Congo hier.’

Binnen in de bar blijkt de verwarming kapot. Mbullz houdt zijn jas aan. Hij spreekt bevlogen, als iemand die veel verhalen op zijn tong heeft liggen. ‘Mijn ouders hebben hier nog gestudeerd en zijn nadien teruggekeerd. Ze waren actieve mensen, mijn moeder was een sociaal werker en wilde koopkracht creëren voor vrouwen in haar gemeenschap. “De grond is vruchtbaar, ga hem toch bewerken!” zei ze dan. Mijn vader was de eerste zwarte ingenieur van de regio Katanga. Samen waren ze een beetje Congolese bourgeoisie, maar ze hadden een lange weg afgelegd om daar te komen. Dat heeft mijn militante kant naar boven gehaald. Zo werd ik op mijn vijftiende actief in het politieke leven. Dat was anders dan hier hè, ze schoten daar op elkaar.’

Hij grijnst van oor tot oor als hij eraan terugdenkt. ‘Op een gegeven moment ben ik naar hier teruggekeerd, toen Kabila senior aan de macht kwam. Ik was toen in het derde jaar van mijn rechtenstudie. Met al de problemen besloot mijn vader dat ik een beter leven voor mezelf in België kon opbouwen. Toen was het nog niet zo moeilijk, met een beetje geld kon je wel een visum et cetera krijgen. Maar in de jaren daarna heb ik wel problemen gekregen met mijn verblijfsvergunning. Zo ben ik in contact gekomen met vluchtelingen en mensen zonder papieren, door zelf de hele rompslomp mee te maken. Ik ging niet veel later voor het antidiscriminatieforum mrax werken en kwam zo in aanraking met het subtiele racisme van instituten en administraties.’

Over de gentrificatie die nu om zich heen grijpt zegt Mbullz: ‘Ik ben opgegroeid in Congo, al die theorie over gentrificatie is mij onbekend. Wat ik wel ken is gebrek aan respect.’ Hij verwijst ermee naar personen die de gemeente consulteerde bij haar nieuwe beleid: van een gepensioneerde professor tot een voormalige lokale bestuurder, maar geen handelaars, geen activisten en niemand van Afrikaanse origine. ‘Die opwaarderingsprojecten dienen om Congolezen in te ruilen voor een andere, meer welvarende groep.’

Textielwinkel in Matonge © Alain Schroeder / hemis.fr / HH

Van gouden jaren tot verval, van verval tot opwaardering. Als buitenstaander lijkt het of het in Matonge over het natuurlijke verval en herstel van een wijk gaat. Maar de realiteit is veel warriger. Opwaardering is volgens sommigen fantastisch; anderen, zoals Mbullz, staan eerder argwanend tegenover de toekomst. Weer anderen zijn ambivalent. ‘Vroeger was alles anders, we zijn professioneler geworden’, vertelt kapper Alexil in zijn zaak aan de ingang van een van de galerijen. Vanaf zijn kappersstoel overziet hij wat er gebeurt binnen en buiten de galerij. Al vijftien jaar slaat hij hier alles gade, soms met humor, soms met misprijzen. Hij woont eigenlijk in Anderlecht, maar zes dagen per week zit hij hier, in het epicentrum van Afrika in België.

We treffen Alexil op het drukste moment van de week, zaterdagmiddag, wanneer het lijkt of iedere zwarte man in Brussel een snelle scheerbeurt nodig heeft. Elke twee minuten steekt er iemand zijn hoofd binnen met de vraag of hij vijf minuten de tijd heeft. De tondeuses zoemen niet aflatend. De stukken dreads en plukken afro bedekken de vloer en worden net zo snel weer opgeveegd. Alexil begon ooit als kapper met een gehuurde stoel, nu is hij de eigenaar van deze kapperszaak en de winkel ernaast. In die vijftien jaar is er veel veranderd: zijn werknemers moeten nu een kappersdiploma hebben behaald en hij leidt ook jongeren op. ‘Binnenkort komt hier voor het eerst een witte student een opleiding volgen. Hij wil die scherpe lijnen ook kunnen zetten’, gebaart hij, terwijl hij de grenzen van zijn haarlijn traceert met zijn vinger.

‘Er is zo veel veranderd, vooral positief’, vertelt hij. ‘De gevechten, die bendes, dat is nu een stuk minder. Er was niet één specifiek moment waarop alles keerde.’ Zelfs de protesten na de moord op Fololo waren geen keerpunt. ‘In het echte leven gaat het in golven, langzaam vooruit.’ En dat het vooruit gaat, dat staat vast. ‘Afrikanen hebben nooit in Matonge gewoond, dus die stijgende huurprijzen, wat maakt dat uit? Het was altijd een commerciële en entertainmentwijk.’

Alexil heeft nog veel te doen deze dag, hij vertrekt morgen voor zijn jaarlijkse vakantie naar Kameroen. ‘Je kunt zoveel schrijven als je wilt over Matonge, en we kunnen erover blijven praten, maar je moet maar één ding begrijpen: Matonge is geen verzameling straten, het zijn niet de winkels of de restaurants, het is een sfeer. Het is niet voor iedereen. Mensen, wit of zwart, komen hier om te genezen.’ Van wat? ‘Eenzaamheid, gemis, van alles.’


Dit artikel kwam tot stand met steun van Fonds Pascal Decroos en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.


In een eerdere versie van dit artikel werd een gebeurtenis aangehaald op de Wereldtentoonstelling van 1958. Dat jaartal klopt niet, en moet 1897 zijn.