Smoel

‘Ach! Ik zal ze romans in hun smoel slingeren! En wel levensechte!… En te midden van dat alles beleeft Bovary haar succes.’ In januari 1857, als Gustave Flaubert wacht op een dagvaarding wegens het immorele karakter van zijn boek, overweegt hij wat een zegening een veroordeling kan zijn. In de gevangenis kan hij bijvoorbeeld goed werken.

De literatuurgeschiedenis geeft hem gelijk. Hoeveel literaire werken die we nu als canoniek zien zijn er niet in gevangen- of ballingschap geschreven? Van Ovidius via Dante en Pavese naar Dostojevski en Wilde loopt er een spoor door ballingsoorden en kerkers. Isolatie en revanchisme kunnen een motor zijn van vurige werken. Ik zal ze romans in hun smoel slingeren! Dat is nog eens een poëtica. Of heet zoiets een adagium? Wat dondert het. In elk geval is het iets anders dan dat gemier over ‘problemen aan de orde stellen middels fictie’, of mensen ‘anders laten kijken naar de werkelijkheid’, nee – ze romans in hun smoel slingeren.

Je moet inderdaad een dagvaarding op de mat verwachten om het soort brieven te schrijven dat Flaubert in 1857 schreef. Zelf schreef ik mijn debuut met een dagvaarding op het prikbord, wat stimulerender werkte dan een doordacht aforisme van Sylvia Plath ofzo had kunnen doen.

Nu weet ik niet of het praktisch haalbaar is om je voor elk boek in een of ander strafrechtelijk of anderszins juridisch conflict te storten, en misschien is het ook niet nodig. Voor iemand met enig temperament en opmerkingsvermogen is er voldoende om je over op te winden. Lees de comments op de nieuwssites maar. Zelfs bij de meest onbenullige berichtjes vliegen die discussies uit de bocht.

Laatst kreeg ik een stuk of vier, vijf mailtjes als reactie op een column in nrc.next. ‘Gefeliciteerd’, schreef ‘Willem’. ‘Je bent slechts een heel klein haartje beter dan Hitler.’ Dat is altijd opbeurend om te horen natuurlijk. Algauw had ik door wat er aan de hand was: GeenStijl had mijn column opgepikt.

Ik had niet het idee iets controversieels te hebben geschreven. Ik meende terloops iets te noemen waar algehele consensus over was: het democratisch tekort onder druk van het populisme. Enfin, het leverde een koorzang van stemmen op onderaan.

Er is een radicalisering gaande die je op straat niet opmerkt, maar die zich buiten het publieke oog om botviert bij binnenvetters. Losse, op drift geraakte cellen torpederen de wereld vanuit alledaagse bunkers. Vooralsnog zijn die bombardementen niet ontregelend, hooguit wat irritant, en zolang je je er betrekkelijk simpel van kunt afsluiten, is er weinig loos. Als symptoom is het allemaal echter verre van geruststellend. Al die onderhuidse frustratie betekent dat mensen zich massaal niet gewaardeerd voelen, dat hun ambities falen, dat hun banen op de tocht staan, dat ze te maken hebben met liefdeloosheid, met ziekten, dat ze giftig zijn van afgunst, teleurgesteld zijn in hun liefdes, klem zitten.

Overigens was het een grappig gevalletje life imitates art, want ik heb een van mijn personages eens iets vergelijkbaars laten overkomen, dan via de website SteenGeil. Een blogje tikken à la manière de GeenStijl is een plezierige en nog best lastige stijloefening die ik iedereen kan aanraden.

Curieus genoeg kwamen er ook ineens reacties van vrienden en kennissen. Tot aan de juffrouw van het kinderdagverblijf toe. Hebben al die lui niks beters te doen dan de hele dag GeenStijl te F5’en?

Goed, woede genoeg dus. Dat zou – als die ‘reaguurders’ konden schrijven – goede literatuur moeten kunnen opleveren. Maar je alleen ergens over opwinden is niet genoeg. Pas als je zoals Flaubert (of Wilde, of Dostojevski, of de Chinese dissidenten die nu achter de tralies zitten) direct onderdeel en slachtoffer bent in zo’n conflict, kan er het soort kokende woede ontstaan dat je laat uitroepen: Ach! Ik zal ze romans in hun smoel slingeren! En wel levensechte!

Laten we wel realistisch blijven. Je kunt niet voortdurend onder hoogspanning staan, wil je nog een beetje aan schrijven toekomen. En vergeet niet: Flaubert woonde bij z’n moeder in huis. Net als Proust, die zich ook elke avond door z’n moeder in bed liet instoppen. Wat is dat toch met die negentiende-eeuwse Fransen en hun mama’s?

Flaubert zou geen woord hebben kunnen schrijven in de gevangenis, zonder iemand die z’n eten kookt, z’n vulpennen klaarlegt, z’n verhalen aanhoort. Waarschijnlijk is, ook hier, een balans nodig: die tussen de ongetemde woede en een nauwgezet werkschema en een rustig vertrek om die woede te kunnen transformeren tot goedlopende en gepolijste zinnen. Romans in mensen hun smoel slingeren blijft een ambacht, oneindig veel complexer dan mails en blogberichtjes in iemands smoel slingeren.