Snakken naar de liefde

Iedere roman pretendeert algemene geldigheid te hebben, en de titel of omslag geeft dat verhuld aan. Ik had niet dadelijk door wat die halve pinda op de omslag van Liefde maakt ons te zoeken heeft, maar de eerste de beste die ik erover sprak zag het wel. Dat, zei hij, is de verzinnebeelding van een jeweetwel waarin twee gekrompen teelballen rusten. En ja, fraai is het beeld niet, maar het dekt de inhoud: wij snakken naar de liefde als plechtanker.

De hoofdpersone in dit tweede boek van Amy Bloom, ook psychoanalytica, krijgt als meisje te maken met mannen die zich in haar verlieven en verliezen. Met name de passie van leraar Max wordt uitgemeten. Het betreft geen gewone pedofilie, want zijn liefde duurt voort als Elizabeth groot is, misschien omdat ze hem niet aanmoedigt maar ook niet definitief afwijst. Zij laat in het algemeen de dingen komen zoals ze zijn. Ze staat er - zie het pindaplaatje - voor open, maar ondergaat Max’ bronstigheid als een doem, de kennelijk troostrijke doem van het geslachtelijke, die haar verrast èn vermoeit.
Dat verandert als een leeftijdgenoot, een zwarte jongen, haar verovert. Uit onbekommerde seksscènes blijkt de gelijkwaardigheid, tot zwangerschap de ouderen doet ingrijpen en het lijden voor Elizabeth begint.
Of Bloom hiermee vooroordelen wil aanklagen, weet ik niet. Het lijkt er meer op dat ze zo nog eens het onvolkomene van een leven zonder liefde benadrukt. Het lukt haar, en dat de boodschap niet nieuw is, hindert niet. Alle grote waarheden en metaforen zijn clichés.
De Amerikaanse titel luidt Love Invents Us: Liefde vindt ons uit. Zit in Liefde maakt ons wel dat je een bedenksel van de ander bent, dat je pas bestaat als je bent gezien door die ander? De titel is hoe dan ook amechtig, net als de hoofdstuktitels: ‘Precies zoals ik ben’, 'Neem mijn hand’, 'Spreek tot mijn hart’, 'Hoor me’, 'Spaar liefde, vang licht’, 'Ik geef alles over’, 'Kan je niet loslaten’. Het is één en al bereidheid vanuit de overtuiging dat liefde alles slaat, zoals de laatste hoofdstuktitel trouwens luidt. In de Nederlandse traditie hoort dit soort titels bij Candlelight, maar het gaat hier toch heus om een serieus te nemen, sterke roman.
Is dit nu 'vrouwelijk schrijven’? Misschien, maar de écriture féminine destijds in Frankrijk was drammerig irrationeel en dat is Blooms boek beslist niet, al zou het denk ik niet door een man geschreven kunnen zijn. Tegenover de larmoyante aankleding staat de laconie van de hoofdpersoon, die vileine trekjes heeft. Ze pleegt nauwelijks verzet, maar heeft humor. Ze is laconiek, als noodzakelijke reactie op de zware levenshouding om haar heen.
De sfeer is schimmig, morsig, vaak bizar, en toch concreet. Zo werkt Elizabeth, die graag observeert, bij een invalide dame thuis. De stroom objecten en voorvallen ter plekke verwijst schijnbaar naar niets anders dan naar een overkoepelend 'such is life’. Enige duiding laat het verhaal wel toe, maar nooit opgelegd, afgezien dus van het onderstrepen van het belang van die geweldenaar, de liefde. Je kunt je gezien de milieus die in het geding zijn bijvoorbeeld afvragen of de schrijfster suggereert dat joden extra behoefte hebben aan geborgenheid, en hoe dat zit. Zulke vragen kaatst Bloom, als een echte psychoanalytica, terug.