Snakken naar onbevangenheid

Arjen Lubach – ‘Ik ben nooit echt één met wat ik maak’

Je zou bijna vergeten dat Arjen Lubach al vier romans schreef vóór zijn tv-faam, zoals hij ook al jarenlang in allerlei zaaltjes speelde vóór zijn grote theatertournee. Ten onrechte zou je Stoorzender dan ook zomaar kunnen rekenen tot het genre van de BN’er die ook zo nodig een boekje moet uitbrengen met backstage-ontboezemingen en berichten uit een hectische levensloop.

Dat hij dit boek met succesvol publicitair effect lanceerde, en dat het inderdaad voor het eerst openlijk autobiografisch is, voedt die argwaan nog sterker. Ach ja, er stáán ook allerlei feitjes in, over zijn relaties, over successen en mislukkingen, over de misgelopen credits voor wat later een muzikale wereldhit werd. En wist u al dat hij lijdt aan tinnitus, hinderlijk gepiep en gesuis in zijn oor?

Je kunt het ook op een ander niveau lezen, dat nog wat minder aan bod is gekomen, en dan is dit boek een artistiek zelfonderzoek, in combinatie met een reflectie op ons mediatijdperk.

Arjen Lubach is zich zo sterk bewust van alle mechanismen dat hij in het begin van deze roman al anticipeert op de perceptie ervan, op de losse nieuwtjes die ineens op nu.nl kunnen opduiken, terwijl hij liever heeft dat ze in het bredere geheel worden gezien.

Anticiperen, beredeneren, verwachtingen manipuleren, timing: dat is waar Lubach meesterlijk in is. ‘De meest efficiënte vorm van entertainment’, noemt hij Amerikaanse tv-comedy. ‘Dat vind ik zowel heel lelijk als geweldig’, voegt hij er luchtig aan toe, en daar wordt het spannend. Zo’n opmerking raakt de onderstroom van dit boek.

Zo analyseert hij elders: ‘Ik weet precies waar mijn werk terecht kan komen, hoe ik het daar kan krijgen en hoe het daar blijft. Ik kan na al die jaren prima nummers bouwen, teksten en comedy schrijven of grappen punchen, maar nog beter ben ik in de nazorg die nodig is om het resultaat de wereld in te katapulteren.’

Dat overbewustzijn, op het controlfreakerige af, is wat hem zo sterk en succesvol maakt op al die verschillende fronten, maar het zit hem ook in de weg. ‘Waarom kan ik nou niet vaker gewoon iets maken dat werkt, zonder zelf te willen snappen waarom?’ mijmert hij, als hij in Friesland over zijn theatershow denkt. ‘Dat zou een hoop schelen, als ik niet ook steeds wil begrijpen waarom iets goed of slecht is.’

De oprechtheid in Stoorzender zit ’m in de koele analyse van zijn eigen kunnen

Afgunstig denkt hij aan ‘grote kunstenaars’ die niet eindeloos kauwden op technieken en interpretaties maar ‘vanuit hun genialiteit meteen iets maken’, ‘zonder tussenkomst van metagedachten’.

Die spanning, tussen spontaan scheppen en bewust construeren, loopt als een rode draad door deze overigens zeer vermakelijke memoires heen. Dat begint al bij de tijd dat hij vroeger in zijn schoolbandje in de ban raakte van Jim Morrison, die ‘niet vatbaar was voor mediastrategieën’. ‘Ik zie vaak snel wat mooi, goed, grappig of slim is aan mijn eigen werk, maar liever zou ik ermee samensmelten. Ik ben nooit echt één met wat ik maak.’

Dan herken je hetzelfde mechanisme in de meer verhalende passages. Hoe hij vroeger in Lutjegast bij wedstrijdjes huttenbouwen achteraan eindigde omdat hij te lang bleef doordenken over het dilemma – eerst de beste spullen halen of eerst de beste plek toe-eigenen? – terwijl zijn argeloze leeftijdsgenootjes al lang stonden te timmeren.

Het is het onderscheid dat Orhan Pamuk aan-duidde als de ‘naïeve’ romanschrijver versus de ‘sentimentele’. De instinctieve schrijver versus degene met veel oog voor zijn techniek, het schaven aan zijn zinsbouw, het construeren van iets wat effect moet sorteren. Macro Planners, aldus Zadie Smith. Te herkennen aan hun Post-it’s.

Bij Lubach kleeft de lijm van zijn Post-it’s nog aan de bladzijden. Zo speelt elk romandeel netjes op één plaats, met steeds één aspect van zijn leven – muziek in Los Angeles, theater op Vlieland, tv-comedy in New York, zijn liefdesleven in Zweden, enzovoort. Bovendien hebben die delen telkens een eigen spanningsboogje rond één evenement – een première, een gastoptreden in een Amerikaanse tv-show, een vakantiereis. En dan zijn er ook nog de langere lijnen, de macro-spanningsbogen: zijn frustratie over zijn wereldhit – moet hij procederen of het laten gaan? Of die tinnitus: mee leren leven of overwinnen?

De oprechtheid die uit Stoorzender spreekt zit ’m niet zozeer in alle inkijkjes in zijn privéleven – die zijn zorgvuldig geselecteerd en efficiënt gestileerd – maar juist in al die koele analyse van zijn eigen kunnen.

Ergens schrijft hij dat hij houdt van muziek ‘die geen moeite doet om te verhullen dat er zorgvuldig over is nagedacht, maar klinkt alsof het geen enkele moeite kost’. Zijn voorkeur voor rap lijkt me de eigentijdse variant op de stokoude sprezzatura, de gestileerde nonchalance. Naar die maatstaven is Stoorzender prima geslaagd. Merkbaar gestructureerd en toch met de levendigheid van een improvisatie.

‘Toen ik nog romans schreef, ging daar zorgvuldige planning aan vooraf’, schrijft hij in het openingshoofdstuk. Je meent het. Maar dan vervolgt hij: ‘Nu niet. Er ligt alleen maar een globaal plan waar ik me een beetje voor schaam.’ Dat kan aan het begin van het boek nog geloofwaardig klinken, maar na afloop weet je dat dit een berekenend zinnetje is dat de onbevangenheid moet suggereren waar hij zo naar snakt.