Snapshots van de eeuwigheid

De wereld zit eenvoudig in elkaar, als je er niet veel van weet. Ik weet weinig van kinderpoëzie. Vanaf toen ik een jaar of twaalf was, las ik grote-mensenpoëzie: ik was geen kind meer! Kinderpoëzie, voor mij is dat sowieso een contradictio in terminis. Je hebt versjes, en die zijn voor kinderen, en je hebt gedichten voor volwassenen. Versjes vertellen een simpel verhaaltje in een simpele en speelse vorm. Ze rijmen en zijn grappig of een tikje melancholiek. Of ze gaan helemaal nergens over, bevatten ongrammaticaal bakergebrabbel in de trant van: ‘Olleke bolleke remisolleke’ en: ‘Ose wiese wose wiese walla kristalla’. Gedichten zijn geen kinderspel. Hoe kinderlijk de blik van de dichter ook kan zijn, met groot vormbewustzijn gaan zij over de grote dingen van het leven.

Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Kees Fens, een van de grote pleitbezorgers van poëzie voor kinderen, gaf zijn bloemlezing Goedemorgen, welterusten (1975) de ondertitel ‘gedichten voor kinderen en andere volwassenen’ mee. De bundel bevat grote-mensengedichten die net zo goed door kinderen gelezen kunnen worden. De stelling van Fens in zijn inleiding: versjes zijn hetzelfde als gedichten. In Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is, de door Tine van Buul en Bianca Stigter samengestelde bloemlezing 'voor kinderen van alle leeftijden’, staan kinderpoëzie en volwassenpoëzie broederlijk naast elkaar. Die cocktail maakt duidelijk dat er allerminst een kloof tussen beide gaapt.
De gedichten die Leendert Witvliet voor kinderen schrijft - tijdens de kinderboekenweek verschijnt Apen kijken, zijn zevende bundel kinderpoëzie -, doen zelfs in niets aan versjes denken. Ze rijmen niet en hebben geen metrum, ze vertellen geen grappig verhaaltje en bevatten geen bakergebrabbel. Ze hebben een kale, moderne vorm en gaan over thema’s waar 'serieuze’ poëzie zich ook over buigt. In de gedichten uit Apen kijken staat de dichter bijvoorbeeld stil bij het verstrijken van de tijd en bij, om het duur te zeggen, de botsing tussen cultuur en natuur.
Ik kende het werk van Leendert Witvliet niet; bij eerste lezing van Apen kijken kon ik er ook weinig mee. Witvliet is wel heel weinig pretentieus, wel erg low profile. Zijn gedichten beschrijven non-gebeurtenissen in een non-vorm. Nooit zijn ze spectaculair, nooit vindt er een drama in plaats. Het gedicht 'Buitenstaander’ is wat dat betreft kenmerkend. Het rept over de dagen dat je om een stad heen rijdt en steen en beton en reclames ziet en naamloze mensen op een naamloze markt. Je weet dat achter de gevels die je ziet het leven zich voltrekt, maar
'je kunt je niet voorstellen dat daar alles gebeurt wat altijd gebeurt.’
Witvliet beweegt zich in zijn gedichten nooit achter de gevels. Hij laat niet de tragedies of het geluk zien die zich binnen afspelen; de mensen in zijn gedichten blijven anoniem, of het zijn typen als de barse generaal of de ijverige bakker. Of passanten, zoals 'In tijden van nood’, waarin het gaat over de mensen die elke morgen op de bus wachten. Kennen ze elkaar? vraagt Witvliet zich af. Als de bus te laat is, kijken ze zenuwachtig op hun horloge en praten ze met elkaar. Even is er contact, 'Dan stopt de bus/ en vergeten ze elkaar.’
Bij tweede lezing van Apen kijken zag ik toch de charme van het gebrek aan actie en grote of grappige gebaren. Op laconieke, onnadrukkelijke toon filosofische kwesties behandelen. Het klinkt veel te plechtstatig voor de poëzie van Witvliet, maar je kunt zeggen dat veel van zijn gedichten over de eeuwige wederkeer van hetzelfde gaan. Over hoe de tijd op steeds dezelfde manier voortschrijdt en het verlangen om de tijd stil te zetten. In 'De morgen, de middag, de avond’ wordt beschreven hoe de ochtend altijd overgaat in de middag, en de middag in de avond, en de avond in de nacht. In 'Strand’ is een ik aan het woord die wenst dat de twee schepen die over de zee schuiven, 'nergens vandaan/ en nergens naartoe’, er altijd zullen zijn.
Het verstrijken van de tijd wordt in veel van de gedichten gedemonstreerd aan het ijzeren ritme van de dag, aan de verschillende seizoenen die, of je het wilt of niet, elkaar altijd weer afwisselen. Het mooie is dat Witvliet dat abstracte thema van de tijd die voortglijdt, kleurt met kleine precieze details. In 'De morgen, de middag, de avond’ is de ik een kind dat ’s ochtends naar school fietst en elke ochtend een reus kruist - 'zijn fiets is te klein voor zijn/ benen, zijn hoofd in de wolken’. Het ritme van de dag staat dan wel voor eeuwig vast; de blik die maakt dat je zo tegen een grote man op een fiets aankijkt, is niet eeuwig. In 'Mooie afwisseling’ wacht een ik kleumend voor een stoplicht. Het is winter, maar ook in de zomer springen stoplichten van rood naar groen.
Juist die details geven de dingen die altijd hetzelfde zijn een bijzondere glans. Het is alsof Witvliet wil aangeven dat dingen die hetzelfde lijken misschien toch ook anders zijn. Hij probeert althans, zoals hij in 'Reis’ schrijft, juist de dingen die heel gewoon en onveranderlijk zijn 'voor het eerst’ te zien. Hij presenteert als het ware snapshots van de eeuwigheid, waardoor de eeuwigheid wat minder angstwekkend is.
Vandaar dat veel gedichten in Apen kijken over vakantie gaan. Als je op reis bent, is de vanzelfsprekendheid even weg. Zelfs de vanzelfsprekendheid dat tijd een bepaalde duur heeft. In de vakantie kun je noodweer treffen dat als 'een groot, onbekend dier’ komt aanblazen, waardoor je niet kunt slapen en de nacht een 'oneindige tijd’ lijkt. Of de tijd vliegt: 'de dagen rollen over gele velden,/ de uren gaan als een lichte aai voorbij’. En als je terugkeert van een reis lijkt je oude vertrouwde huis nieuw; zelfs de sterren die thuis aan de hemel staan, lijken even nieuwe sterren:
'zelfs de sterren en wat daarachter is zijn anders, worden wakker, na elke reis een nieuw heelal’