Snavel

‘Om gecontroleerd te kraaien moet je een snavel/ poetsen. Met liefde graag’, schrijft de Friese dichter Elmar Kuiper. Hij publiceert zijn eerste in het Nederlands geschreven bundel, Hechtzwaluwen, vol vreemde voorstellingen. Het zijn een soort ontsporende fantasieën. Elmar Kuiper kraait met een veelbelovende stem. Soms blijft het woordspel wat hij brengt, meligheid, soms weet hij evengoed te treffen.

En zo is die controle over de snavel dubbelzinnig: ‘Het is geen ding// zonder gevoel, het is je spreektuig, het krast bevelen.’ De dichter wil niet alleen de snavel gepoetst, ook de veren. En dan blijkt de toegesproken ‘Fluisterraaf’ een vrouw die hij vraagt haar haar los te doen, hem welterusten te kussen en met de rug naar hem toe te slapen. Zijn gedichten bestaan vaker uit maffe dialogen. Zo is de dood aan het bekvechten met het leven: ‘Wat bewijst één spat woede/ op het schaapsvoet lemmet?’ Het lijkt Kuiper te gaan om de rake zinnen ertussen. Onthechting heet het eerste gedicht. Het is grappig wat hij schrijft, zot, maar in optelsom met elkaar niet altijd even beklijvend. ‘Er lopen maanmannen over mijn erf/ die nooit uitgeput raken, herinneringen/ ruimen en ruimen.’ Er komen veel dieren in deze bundel voor die vaak menselijke eigenschappen hebben en cartoonesk rondbewegen. En soms zijn die dieren ook helemaal geen dieren:

_ Luister, er huilt_

_ een Friese knuppel tussen het riet._

_ Ik ben daar zo thuis_

_ met mijn broek op m'n knieën, m'n bietjes wangen en_

_ karre-karre-kiet-kiet-kiet._

Een mooie lyriek, ‘Ik ben daar zo thuis’, een fraaie wending. Kuiper (1969) publiceerde tweemaal gedichten in het Fries: Hertbyt (2004) en Ut namme fan mysels (2006). Een kleine selectie daaruit verscheen bij BnM in zowel Fries als Nederlands onder de naam Roep de rottweiler op! - vertaald door Jabik Veenbaas. Het is niet ongebruikelijk dat Friezen van Kuipers generatie in twee talen dichten: Tsead Bruinja en Albertina Soepboer zijn bekende voorbeelden. Elmar Kuiper laveert van associatieve wendingen naar sterke formuleringen. Soms zijn de gedichten kleine toespraakjes, zoals een mens een paard toespreekt dat niet verder wil. Op andere momenten is hij onbestemd. Het lijkt een wijsje of een deuntje te zijn dat hem op gang helpt. Hij heeft een eigen toon en gebruikt opvallende beeldspraak. Over een stekelvarken: ‘Het proest in een schaaltje/ melk.’

Het lijkt Kuiper, analoog aan de titel van zijn bundel, om hechten en onthechten te gaan, aan of van de taal en zo ook zijn familie en Friese geboortegrond. ‘Niemand zegt dat een vinger nooit fluisteren kan./ Zacht spreken is ook een middel’, schrijft hij in zacht gedicht. En ook: ‘Zoek je nog een plek/ om een traan te parkeren?// Hier is ruimte zat.’ Je zou het werk licht experimenteel kunnen noemen. De mens wordt een dier dat zich uitleeft als een mens. ‘Hij begrijpt toch niet// hoe de oehoe/ z'n oren tuit’.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen met overwegend korte gedichten. In de tweede, die de titel draagt, staan de regels: ‘Wil je nog even blijven onder je schellen?/ De gemeenschap piepelen met snaveltje toe?’ Die vraag klinkt op een bepaalde manier kernachtig, als zit daarin de bundel als een notendop. Er komen woorden in de gedichten voor als ‘Heidikalasjnikov’ en ‘Taliban’. Rutger Kopland lijkt even in een bijzin geparkeerd te worden: ‘De één rouwt/ om een kropje sla’. Af en toe staat er een mooie duidelijke regel tussen, die de zotheid in evenwicht weet te houden: ‘Zacht neuriet hij met de waterkoker mee.’

Problematisch wordt het als Elmar Kuiper spreekwoorden gebruikt voor letterlijke dubbelzinnigheden. Een mes bij zich hebben om iemands pas af te snijden, dat leest niet lekker voor een lezer, zoiets wordt al snel flauw. Als Kuiper doorslaat in het zotte en woorden als ‘frontaalkwab’ gebruikt, gaat het wel goed. En ook als hij de wildheid juist weer terugbrengt en verstaanbaar maakt, het gedicht terug in het gareel brengt: ‘Pissebedden onder een steen./ Ik voel ze niet.’ Het gaat in Hechtzwaluwen om kleine passages, regels of strofes die Kuipers originaliteit en grote talent verraden:

_ De honden spreken tot de verbeelding._

_ Dat is hun functie._

_ (…)_

_ Waarom strelen hun poten_

_ de vloer te zacht, te zacht?_

Dat is mooi, die herhaling, en getuigt van gevoeligheid, dat zo te kunnen schrijven. Er staan een paar liedjes in de bundel, gedichten in brabbeltaal of zogeheten insliktaal. ‘Ach schat, doe een beetje spontaan’, staat er in Drie audities voor een gedicht. De absurditeit die Elmar Kuiper bezingt, is raar genoeg ontnuchterend: ‘Hij doet een made/ op mijn haak en haalt/ de darmen uit mijn konijn.’ Dat klinkt als de beschrijving van een vader, die vaker door de bundel wandelt. Het zijn geen gebaande paden die de dichter omschrijft, integendeel: ‘De voet van een verliezer kent elk verlaten pad.’

Er staan in Hechtzwaluwen van Elmar Kuiper regels die ik prachtig vind - en er zijn gedichten die ik bijna had willen overslaan. Belangrijk is zijn vindingrijkheid, zijn lef om ongerijmde voorstellingen voor te schotelen met een kracht alsof hij er daadwerkelijk in gelooft. En af en toe een klaar beeld ertussen: ‘Uit het water huppelt een jongen/ met een melktand in zijn hand.’ Zo'n regel is mooi, licht en toch ook een beetje bevreemdend en onwerkelijk. Ik zou wensen dat Elmar Kuiper zich gaat hechten aan zijn Nederlandstalige snavel. Als hij met zulke vindingrijkheid een nog wat evenwichtiger bundel weet te maken, voorspel ik hem graag een florissante toekomst.

Elmar Kuiper, Hechtzwaluwen. Augustus, 80 blz., € 19,90