De RWE-kolencentrale in de Eemshaven © Sander van der Werf / ANP

‘Het is een goede dag voor het klimaat’, concludeerde Klimaat-minister Rob Jetten afgelopen woensdag. Een rechter in Den Haag had hem net in het gelijk gesteld in een zaak tegen de twee Duitse energiemaatschappijen Uniper en RWE, die miljarden aan compensatie eisten voor het sluiten van hun twee kolencentrales.

De ‘wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie’ uit 2019 verplicht de sluiting van kolencentrales per 2030 en dat schoot de twee energiemaatschappijen in het verkeerde keelgat. Ze waren door de Nederlandse overheid uitgenodigd om de centrales te bouwen, vinden ze, en een uitnodiging kun je niet zomaar intrekken. Niet zonder 1,4 miljard aan herstelbetalingen te betalen, want dat was het bedrag dat RWE eiste.

In een onvriendelijke hoorzitting in juni zei de landsadvocaat dat de staat zo de rekening gepresenteerd zou krijgen voor de ‘slechte investeringen’ van Uniper en RWE. Daar was de rechter het woensdag mee eens. Die bedrijven hadden best al kunnen voorzien ‘dat een dergelijk verbod zou worden opgelegd’, toen ze in respectievelijk 2015 en 2016 nog hun kolencentrales openden, vond de rechter.

Dat is een belangrijke juridische constatering. Hele bedrijfstakken hebben jarenlang een verdienmodel mogen maken van de vervuiling van de natuur en klimaatbeleid is afhankelijk van het ontmantelen van deze gevestigde fossiele belangen. Automatisch aanspraak maken op deze gevestigde belangen gaat niet op, aldus de rechter. Het voorkomt een sneeuwbaleffect van vergelijkbare zaken in binnen en buitenland.

Een bedrijf geeft zijn oude privileges niet zomaar op, bleek direct na de uitspraak. In reacties gaven de energiebedrijven al aan een hoger beroep te overwegen en beide bedrijven hebben voor de zekerheid nog een vergelijkbare zaak aangespannen via de Energy Charter Treaty (ECT), het internationale investeringsverdrag. Een verdrag waarvan Rob Jetten vorige maand al zei dat het ‘onvoldoende in lijn is met het akkoord van Parijs’ en waar hij zo spoedig mogelijk uit wil treden.

Het laatste redmiddel voor deze bedrijven is dit verdrag, dat stamt uit de jaren negentig en dat geen oog heeft voor klimaatverandering. Overigens zijn ook binnen Uniper zelf gevestigde belangen aan het schuiven. Het bedrijf draaide jarenlang volledig op goedkoop Russisch gas en dus was de Duitse staat genoodzaakt het bedrijf te nationaliseren na de inval in Oekraïne. Effectief gezien houdt dit in dat Duitsland zijn buurland aanklaagt, en daar zitten de oosterburen niet op te wachten.

Tegen Het Financieele Dagblad zei Uniper dat de nationalisatie nog niet helemáál officieel is en ‘tot die tijd loopt de rechtszaak’ bij de Nederlandse rechtbank. Hetzelfde lijkt te gelden voor de zaak via het bekritiseerde ECT. En dat zorgt voor ongemakkelijke situaties. Jettens Duitse collega Robert Habeck noemde het ECT al een ‘obstakel voor verandering’ en gaf ook recent aan het ECT te willen verlaten.

Het is de vraag of de rechters een Nederlands vonnis zomaar naast zich neer durven te leggen in een zaak waar vele ogen op zijn gericht. Het is een moment waar het ECT, dat bezig zegt te zijn met moderniseren, kan laten zien dat het wel met zijn tijd meegaat.

Wat ze ook besluiten, de trend is duidelijk. Obstakels zullen worden blijven opgeworpen maar de belangen zijn onmiskenbaar aan het schuiven.