Luisteren

Sneeuwblind

Sofia Goebaidoelina is een specialiste van het rupsstadium van muziek. In haar composities lijkt de muziek zich keer op keer opnieuw uit te vinden. Vaagheid als een hogere vorm van precisie.

DE EERSTE partituur van Sofia Goebaidoelina waar ik ooit, om precies te zijn in het voorjaar van 1988, een blik op wierp, was die van haar twaalfdelige symfonie Stimmen… verstummen… Ik was al snel op de componiste gestuit toen ik in opdracht van het Holland Festival research deed naar nieuwe muziek uit de Sovjet-Unie. De toen 57-jarige Goebaidoelina bleek al in veel buitenlanden, tot in Boston aan toe, furore te hebben gemaakt, maar in Nederland-Gidsland was zij, ook voor mij trouwens, vooralsnog een van die anonieme onuitspreekbare Russische namen. Daar kwam snel verandering in toen ik een bezoek bracht aan muziekuitgeverij Sikorski in Hamburg, die fungeerde als een trait d'union tussen gene en deze zijde van het toenmalige IJzeren Gordijn. Ik vroeg er stapels partituren ter inzage en binnen enkele dagen tekenden zich de contouren van een weids, nieuw muzikaal continent af, aan de ene kant begrensd door het domein van Galina Oestvolskaja en aan de andere kant door dat van Sofia Goebaidoelina. Waar de eerste meedogenloze muzikale waarheden hamerde, beoefende de laatste magie op de grens van klank en muziek.
Stimmen… verstummen… was een enorm pak papier. Sommige pagina’s waren zo groot dat ze eerst moesten worden uitgevouwen. Ik las de noten mee terwijl ik naar een opname luisterde en werd meteen in het eerste deel ingesponnen in een klank die ik sindsdien uit duizenden herken. Geluidstrillingen op het punt van muziek, naar de letter een simpel D-majeurakkoord, honderdduizend keer eerder gehoord, maar nooit eerder zó. Flakkerende klanken.
Met de kennis die ik later van de Tataars-Russische componiste opdeed zou ik zeggen: als het schijnsel van duizend kaarsjes, weerkaatst in het goud van iconen. Bedenkelijk biografistische interpretatie natuurlijk, maar helemaal te vermijden is dat niet in het geval van muziek waarvan de compositorische en psychische bronnen zo evident in een andere cultuur liggen dan de onze. Ik heb Goebaidoelina wel eens een specialiste van het rupsstadium van muziek genoemd. In haar composities lijkt de muziek zich keer op keer opnieuw uit te vinden. Neuriën dat stamelen en spreken wordt, klank die zich tot taal en mededeling ontwikkelt, zintuiglijke prikkel die expressieve betekenis krijgt. En dat alles niet zogenaamd gevoelig op z'n neospiritueels maar nauwkeurig en gedetailleerd. En als het moet met de nodige groeistuipen, zoals in het Tweede strijkkwartet, waar de muziek er minutenlang over doet om uit het isolement van één enkele toon te breken.
Net als scheppen gaat geboren worden van au, ook in Stimmen… verstummen…, waar in de rimpelloze vijver van dat ene, almaar terugkerende en verder afkalvende majeurakkoord steeds weer nieuwe stenen worden geworpen, met alle drama en oproer van dien. En als dan eindelijk, precies op de gulden snede van de compositie (ja, waar anders), het hele mengsel van botsende muzikale krachten tot apocalyptische ontlading is gekomen, klinkt de langste en buitenissigste stilte-na-de-storm in de geschiedenis van het symfonische genre. Deze stilte wordt gearticuleerd door de dirigent, die in een solo van nauwkeurig beschreven gebaren - steeds groter, steeds hoger, steeds extatischer - de ritmische structuur die aan het werk ten grondslag ligt vertolkt. Dat is beslist geen duister ding, die ritmische structuur, maar een rationeel systeem van getalsverhoudingen dat de proporties binnen de compositie definieert. Duister is eerder het antwoord van de componiste op de vraag wat er van die geritmiseerde stilte nu eigenlijk in een opname overblijft, gesteld dat de dirigent er inderdaad in slaagt het massale zwijgen van het orkest van een soort hogere betekenis te vervullen. Antwoord: ‘Als deze hogere betekenis werkelijk gerealiseerd wordt, zal ook de opnameapparatuur deze registreren en weergeven.’
'Hogere betekenis’. Ai, dat klinkt niet erg modern en je hebt mensen voor wie zo'n uitspraak genoeg is om de componiste als kruidenvrouwtje weg te zetten. Ze hebben ongelijk. De ene absolute stilte mag dan in technische zin niet van de andere te onderscheiden zijn, maar zeg nu zelf: is het verschil tussen het ene en het andere modernistische, zogenaamd rationeel-constructivistische hoogstandje dikwijls niet minstens zo denkbeeldig? Zelf geef ik nog altijd de voorkeur aan wat Thomas Mann in Doctor Faustus 'de magische verbinding van de theologie en de zo amusante wiskunde’ noemde boven onbezield getalsfetisjisme, al was het maar omdat bezielde hocus-pocus, mits in bekwame handen, zo veel meer zinsbegoocheling oplevert.
Toppunt van goebaidoelinaans illusionisme blijft voor mij het koorwerk Teper’ svegda snega, beter bekend als Jetzt immer Schnee oftewel Nu altijd sneeuw, in 1993 in première gebracht door het Nederlands Kamerkoor en het Schönberg Ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw, sindsdien een van haar meest toegewijde pleitbezorgers. Al versta je er geen woord van, alles is hier duidelijk hoorbaar 'sneeuw’, 'licht’, 'ziel’. Een spel van muziek op haar vluchtigst, steeds ergens anders neerstrijkend dan waar je denkt - wie zingt nu toch wat waar precies? - en ja, hoor je eigenlijk wel wat je hoort? Het is sneeuwblind luisteren naar exclamaties, echo’s, bezweringen. Naar melodische flarden die als een koude windvlaag over het podium en door de zaal stuiven. Naar het onlokaliseerbare geluid van fluitende ijspegels, voortgebracht door aangestreken flexatones. En dat alles van een kristallijnen precisie. Want alleen de besten - denk aan Debussy - weten dat vaagheid, dat wil zeggen échte, onverwisselbare vaagheid, een hogere vorm van precisie is.