Sneeuwwitjes overlevingsstrategieën

Wim Hofman, Zwart als inkt. Uitgeverij Querido, 180 blz., 337,50
SPROOKJES zijn van iedereen. Van de kinderen die dol zijn op de wonderlijke gebeurtenissen en griezeligheden, op de vertrouwde verhaalstructuren en op het onaanzienlijke, dat uiteindelijk het gewichtige de baas is. Van de volwassenen die zich, wanneer het kindervolk een verhaaltje eist, altijd nog het geraamte van Roodkapje of De gelaarsde kat kunnen herinneren. Van de bewerkers die net zo lang snoeiden, kuisten en infantiliseerden tot de ruwe volksverhalen ook in de keurigste kinderkamer pasten.

Van de geleerden of quasi-geleerden als Max Lüthi, Bruno Bettelheim of Mellie Uyldert, die uitleggen waar sprookjes vandaan komen, hoeveel meer ze betekenen en hoe heilzaam ze kunnen zijn. Van Walt Disney natuurlijk en van illustratoren als Gustave Doré, Edmond Dulac, Arthur Rackam en Rie Cramer. Van de schrijvers ten slotte, die meenden dat er literair wel wat meer eer valt te behalen aan die van generatie op generatie doorgegeven vertellingen.
In zijn Grimmige sprookjes voor verdorven kinderen benadrukt Louis Paul Boon de onbekommerde erotiek terwijl Rudy Kousbroek met Het rijk van Jabeer de zaken in een rationeel licht zet: de kikker krijgt die gouden bal van zijn leven niet van de vijverbodem en Assepoester ziet de prins aan haar neus voorbij gaan, omdat de halve meisjeswereld nu eenmaal schoenmaat achtendertig draagt. Onder de kinderboekenauteurs zijn het vooral de enigszins anarchistische typen die met de sprookjes aan de haal gingen: Tomi Ungerer, Janosch (herschreef vierenvijftig verhalen uit de Grimm-collectie) en Roald Dahl. In zijn Gruwelijke rijmen komt Sneeuwwitje terecht bij zeven Londense ex-jockeys, die al hun geld verliezen bij de paardenraces.
Ieder op hun eigen manier proberen deze schrijvers een grappige draai te geven aan het verhaal. Begrijpelijk, want om sprookjes valt weinig te lachen.
Als iemand dat weet, is het Wim Hofman. In 1991 maakte hij een versie van Klein Duimpje, waarin hij laat zien dat ouders hun kinderen verwaarlozen, mishandelen en anderszins het bos insturen. Een klein mens doet er dan ook het beste aan om met zevenmijlsstappen zo ver mogelijk van huis weg te rennen en er nooit meer terug te komen. Prachtig zag het kleine boekje eruit, en pikzwart, met als enig lichtpunt het knalrode stipje van een minuscuul paar hollende laarzen.
HET BLEEK DE opmaat te zijn voor het zojuist verschenen, veel omvangrijkere en nog dieper zwarte sprookjesverhaal, Zwart als inkt. Het gaat over Sneeuwwitje en Hofman gebruikt het sprookje als spiegel, die onbarmhartig het beeld van een liefdeloze moeder terugkaatst.
De krachtige omslagtekening slaat de verhaalspijker precies op de kop. Je ziet een krakkemikkige, typische Hofman-tafel en stoel, samen vier poten en vreemd van perspectief. De inktpot is omgevallen en er slingeren briefjes rond. Bovenop ligt de kinderlijke tekening van een meisje met duidelijke borstjes. Er staat een groot kruis door.
Zwart is de kleur van de afgunst en die is niet afkomstig van Sneeuwwitjes stiefmoeder, maar van haar eigen moeder, die wordt vergiftigd door ‘zure spijt en jaloersheid’ jegens haar steeds mooier wordende dochtertje.
Het verhaal begint trouw met 'Er was eens…’ en volgt de grote lijn van de gebroeders Grimm. Sneeuwwitje houdt huis voor de dwergen, belandt na het wurglint en de giftige kam via de appel in de glazen kist, trouwt de prins en op het huwelijksfeest danst de boze moeder op vurige schoenen tot ze er dood bij neervalt. Hoe het afloopt met dat lang en gelukkig leven, staat nergens. Wel dat de spiegel weer wordt opgehangen, omdat Sneeuwwitje zichzelf wel eens wil zien. Ook al heb je dan de prins binnen, het sprookje van moeders en dochters is nooit uitverteld.
Hofman gebruikt het sprookje zoals het altijd gebruikt is: om de waarheden van het leven te laten zien. Door in te zoomen op bepaalde figuren kan hij zijn eigen visie scherp projecteren. Vrolijk is die niet, zoals we al wisten uit Wim (1976) Straf (1985) of Het vlot (1988). Mannen doen niet zo erg mee. Ze zijn weg om dingen te doen in de grote wereld (Sneeuwwitjes vader) of spitten hun leven lang de bergen om, op zoek naar iets geheimzinnigs (de dwergen). Um, Dwim, Driem, Vurg, Phuuf, Seinx, Zwem - gewoon één tot en met zeven dus - zijn knorrige workaholics: 'Ze hadden de hele dag gewerkt, maar hadden niets te vertellen.’ Het liefst zouden ze Sneeuwwitje met haar kookpotten en poetslappen en met bergen goede raad opsluiten, om haar te beschermen tegen de grote wereld. Vooral Dwim, de dichter onder de mannetjes, weet hoe het zit: 'Het leven is een ei. Het valt, je krijgt het niet meer heel.’
De prins is een verhaal apart, waar de auteur zijn passie voor reizen in kwijt kan. Als een kruising tussen Hannibal en een van de bijbelse Wijzen uit het Oosten trekt hij een ster achterna. Een wereldvreemde figuur, die vertrekt met een waanzinnig beladen karavaan, waaronder een complete bibliotheek en twintig bibliothecarissen. Of Sneeuwwitje daar nu veel mee opschiet, is de vraag.
De moeder is een egoïstisch kreng. Even toont de schrijver compassie omdat de koning zijn vrouw verwaarloost en omdat het kind in pijn en eenzaamheid gebaard moet worden, maar al gauw laat hij haar verworden tot meedogenloze narcistische heks, die haar dochter naar het leven staat. Het is het kind dat Hofman met inzet van al zijn creativiteit en inlevingsvermogen in het kille schijnwerperlicht zet. Dun, wit en bang is ze en gruwelijk alleen met niet meer dan een afgerukt poppebeentje, overgebleven van haar vroegere veiligheid. Maar ze is ook een dappere doorleefster. Belangrijke overlevingsstrategie vormt het brieven schrijven: aan de boom, de tafel, de spijker in de muur, de kaars en de wortel - 'Hoi, leuke wortel, wil je dat ik bijt?’ - en het meest hartverscheurend de trouwhartige briefjes aan mamma: 'Zeg me, wat heb ik dan gedaan?’ Dat is Sneeuwwitje die nog lang niet uit de tijd is en schrijft namens alle kinderen die nu in de steek gelaten, mishandeld, misbruikt of vermoord worden.
Het zou de indruk kunnen wekken dat Hofman een loodzware aanklacht schreef. Gelukkig is zijn boek daarvoor te speels, te fantasievol en vooral te verhuld geschreven. Achter de woorden broeien woede en onmacht over de dingen die zijn zoals ze zijn, maar er is ook het zichtbare plezier in het mooi, precies en klein vormgeven. Anders dan in eerder werk is het ook de taal die zijn primaire instrument is. Het boek is zorgvuldig gemaakt, met mooie smalle tekstblokken, veel decoratieve tekeningetjes en rode details, maar de zwarte inkt is toch in de eerste plaats gebruikt om Sneeuwwitje in letters opnieuw tot leven te wekken.