Snegoerotsjka

OP EEN WINTERNACHT in de laatste week van 1995 zag ik iemand aan de Luitenant Schmidtbrug hangen, tien meter boven de Neva. Het was een afschuwelijk gezicht. De brug boog zich naar het Vasili-eiland over de rivier, die was vastgesmeed met een onwrikbare laag ijs. Omdat de schotsen over elkaar heen schuiven en daarna weer vastvriezen, lijkt de Neva in de winter op een grillig ravijn dat de hele stad omzoomt. En aan de reusachtige, gietijzeren Luitenant hing bewegingloos een figuurtje. Meer kon ik niet vaststellen, want er lag een dikke vorstnevel op de rivier. Ik bleef staan en twijfelde of ik zou helpen. Ik moest de Neva over, want ik woonde op het eiland. Eigenlijk wilde ik niets liever dan terugrennen van de rivier, de stad in. Maar ik moest naar huis. De hele nacht had ik zitten kaarten, mijn schulden liepen op tot in de honderdduizenden roebels en mijn speelvrienden gaven me geen laatste kans om op de pof door te spelen.

‘Jongen, ga jij nou maar naar huis, daar heb je vast nog wel wat’, had Artur gezegd. Hij zou er geen traan om laten als ik al mijn hebben en houden zou verspelen, hij had een eigen bedrijfje en geld genoeg. Ik kon altijd nog voor niets voor hem gaan werken; gratis een paar documenten voor hem vertalen, maar dat was mijn eer te na, hij betaalde me nu al onder. Ik moest naar huis en kijken wat ik kon inbrengen, dan zou ik alles terugwinnen.
De kademuur was ingepakt met verijzelde sneeuw, ik kon me nergens aan vasthouden en kwam amper vooruit tegen de wind. Het idee dat ik nu moest ingrijpen maakte me misselijk. Misschien waren er andere helden langs de kade? Het enige wat opdoemde uit de mist was de gouden piek van de Petrus en Paulusvesting. Ik kon langs de railing lopen, naar beneden roepen: 'Een prettig oud en nieuw!’ en doorlopen, want het lichtblauwe figuurtje hing daar toch niet voor niets, het schreeuwde ook niet om hulp. Ik daalde de granieten trap af naar de rivier.
Pas toen zag ik dat het een Snegoerotsjka was: een sneeuwvrouwtje. Het was de tijd van het jaar. Dit vrouwtje bracht in de Sovjet-Unie cadeautjes rond, samen met Ded Moroz, of Grootvader Vorst. Snegoerotsjka en Ded Moroz waren nog door Stalin uit de wouden rond Veliki Oestjoeg gehaald als vervanging van de kerstman. Ze moesten de winter inluiden. Dat was hun taak. En als je het er niet mee eens was, dan veranderde Ded Moroz je in ijs, daarmee had hij bijna evenveel macht als Stalin, want die kon ook mensen veranderen in ijs. Het lijkt allemaal heel ellendig, maar als kleine jongen vond ik dat helemaal niet, kinderen nemen ellende vaak voor lief.
Ik staarde naar de brug. Snegoerotsjka hield zich met twee handen vast aan een zeepaardje in de balustrade en haar zilvergelaarsde voeten balanceerden op een kapotte spotlamp aan het raamwerk. Ze zong een deuntje; een slechte sovjetschlager van de popgroep De blauwe vogel.
Boven de golven van de rivier
Daar, waar je de ahorn kan horen
Hebben wij over de liefde gesproken.
Maar nu is de duisternis weer hier
De ahorn heeft zijn blad verloren
En de liefde is als een droom vertrokken.
Snegoerotsjka was heel erg dronken. Ik vroeg me af hoe ze daar zo kon blijven hangen; haar handen waren ingesneeuwd. Misschien droeg ze speciale zilveren handschoenen, zoals haar laarzen. Dit was een verloren zaak, een stomdronken Snegoerotsjka van een brug afhijsen, dit zou nooit meer goedkomen. De stad is vergeven van de dronkelappen, er is geen beginnen aan om het lot van al die mensen te redden. Het was beter, beslist beter, me uit de voeten te maken, voordat er slachtoffers zouden vallen.
'Jongeman! Wat moet dat nog zo laat?’ riep Snegoerotsjka plotseling. Ik was betrapt. Snegoerotsjka grijnsde een hele rij gouden tanden bloot, ik schatte haar een jaar of vijftig. De pruik met de kunstvlechten was over haar wenkbrauwen gezakt. Er was geen ontkomen meer aan - ik moest haar gaan helpen. Ik klom de trap op naar de kade. Snegoerotsjka schaterde, waarbij ze een geluid voortbracht als een roestige waterpomp.
'Misschien kan ik helpen’, zei ik.
'Ik ben gewoonlijk de persoon die helpt, nietwaar?’ zei ze, 'misschien kan 'k u beter helpen?’
Ze liet haar beentjes even bungelen en trok ze weer op de lamp. Ze had erg dikke beentjes, ik dacht niet dat de lamp het lang zou houden. Toen ik naar beneden keek begon het zwarte ravijn te wankelen. Ik had geen idee hoe ik dit moest aanpakken. Het leek me een zware Snegoerotsjka en ze hing ontspannen aan de railing, als een zak.
'Het is verdomde koud, straks bevriest u nog iets, een hand, of een voet’, zei ik terwijl ik haar arm aanraakte.
'Ik ben Snegoerotsjka. Dat moet u goed begrijpen. Dat moeten jullie allemaal goed begrijpen. Deze wereld gaat ten onder.’
'Dat weet ik, maar u moet niet boven de Neva gaan hangen. Dadelijk valt u nog.’ Snegoerotsjka ging door over het vergaan van de wereld. Vloekend en schreeuwend hing ze boven de rivier, maar ze verloor geen moment haar evenwicht. Ik keek om me heen. De stad was verlaten, hier waren alleen ik en Snegoerotsjka, ik kon nog weglopen, ik had mijn best gedaan. Dit was onbegonnen werk. De sneeuw zat in alle kieren van mijn kleren, ik raakte onderkoeld. Snegoerotsjka hing hier prima: ze was ladderzat, de alcohol zou haar wel warm houden, en over een paar uur zou de verkeerspolitie haar van de brug halen en in een ontnuchteringslokaal gooien.
'Misschien kan ik u beter helpen’, zei ze weer.
Ik dacht niet dat ze me kon helpen. Ik moest naar huis, iets van waarde vinden, ik moest geld hebben. Maar toen ik doorliep, begon Snegoerotsjka verschrikkelijk te huilen, met grote uithalen. Ze huilde een hele eeuwigheid, en er was niets aan te doen. Ik vloekte en liep terug naar de balustrade. Toen ze een eeuwigheid gehuild had, zei Snegoerotsjka: 'Nu is het genoeg.’ Haar gezicht was bedekt met een zilveren laag bevroren tranen.
'Verrader’, hijgde ze. 'Dertig jaar lang hebben we de kinderen blij gemaakt, ik en Ded Moroz. U hebben we toch ook blij gemaakt? Snotneus! Wij waren de populairsten van Leningrad, ik heb thuis nog een oorkonde van het beroemde “Ochtendgloren van de Neva”. En hier hang ik nu!’
Ze gooide haar hoofd in de nek. Op het manteltje had ze speldjes geprikt; rode sovjetsterretjes met de tekst 'Een Gelukkig Nieuwjaar’ en '1981-1982’.
'Hier hang ik nu! Afgedankt. Ded Moroz gaat alleen verder als kerstman. Dat is wat de kinderen willen, de kinderen kennen alleen nog maar de kerstman, omdat in de etalages van elke Univermag kapitalistische plastic kerstmannen staan. Met rendieren, en niet met een Snegoerotsjka. Als Snegoerotsjka er niet meer is zal Rusland smelten. U doet er niets tegen, u staat daar maar met die bleke smoel, nietsnut!’
Dit werd ondraaglijk. In het holst van de nacht, bij een temperatuur van dertig graden onder nul, stond ik op de Luitenant Schmidtbrug te luisteren naar de tirade van een pathetische sprookjesfiguur. Misschien moest ik wachten tot de zon opkwam; volgens de overleveringen zou Snegoerotsjka smelten als de zon scheen.
'Rusland zal geen echte winters meer kennen’, ging Snegoerotsjka door, 'de kerstman maakt geen winter, het is een materialistische ouwe gek. De wereld moet maar draaien zonder mij, ik heb jullie gewaarschuwd.’
Plotseling draaide ze haar hoofd naar mij toe en zei ze op vriendelijke toon: 'Heeft u niets te drinken?’
'Dit is mijn redding’, dacht ik.
Ik beloofde Snegoerotsjka dat ik een fles zou halen, en zo snel mogelijk terug zou komen. Snegoerotsjka knikte instemmend en begon weer te zingen.
'De kiosken bij de metro, die zijn de hele nacht open!’ schreeuwde ik haar nog na. Ik wist niet hoe snel ik weg moest komen. Ik zou de politie wel bellen, dan moesten zij het probleem maar oplossen.
Binnen een half uur was ik thuis. Toen ik de binnenplaats opliep en omhoogkeek naar mijn slaapkamerraam, zag ik een kerstboompje op de vensterbank staan. Ik had het daar beslist niet neergezet. Ik stormde naar binnen en begreep dat mijn moeder was langsgeweest. In een vlaag van verstandsverbijstering had ze mijn vrijgezellenwoning op willen vrolijken met de kunstspar uit het ouderlijk huis. Ik trapte mijn laarzen uit en liet me vallen in de leunstoel voor het raam. Het boompje was een belachelijk staaltje van sovjetkitsch. Zonder de verlichting van rode sterren en de kartonnen nepcadeautjes was het een rommelige staak die in de loop van de jaren vreselijk was gaan verharen. Tussen de takken was een wenskaart gestoken; op de voorkant stond een afbeelding van Ded Moroz en Snegoerotsjka. Die vervloekte Snegoerotsjka bleef me achtervolgen!
Dimka, zoonlief. Ik wens je een heel gelukkig nieuwjaar, met veel succes en liefde.
Uitgeteld hing ik in de leunstoel, met mijn verkleumde voeten tegen de radiator. Het ijs begon van mijn schouders te smelten. Ik keek de kamer rond. Wat kon ik inbrengen? Een bronzen buste van Gagarin. Mijn pick-up met ingebouwde speaker van het merk Radiotechnika. De beeldbuis Regenboog was eens de trots van de familie, maar ontving nu nog maar twee kanalen. De opwindbare Raketa van mijn vader liep achter. Toen viel mijn blik op een fles in de hoek van de vensterbank. Een cadeau! Een fles Armeense cognac, vijf sterren. Ik sprong op om een glas te pakken. Die nacht heb ik mijzelf wel vijf keer ingeschonken, de cognac warmde mij niet. Uren heb ik besluiteloos in de stoel gezeten. Ik voelde mij omringd door een waardeloze verzameling souvenirs, die me ziek maakten van nostalgie: Gagarin, de Radiotechnika, de Radoega, mijn vaders Raketa, het boompje. Plotseling zag ik het gezicht van mijn vader voor me, hoe hij had gekeken toen hij met oud en nieuw een ananas meebracht. Nu kan je die bij elk metrostation kopen. Ik herinnerde me dat ieder kind uit de buurt dezelfde vrachtwagen of pop cadeau kreeg, en dat het een prettige, overzichtelijke situatie was. Rusland heeft het deze eeuw prima zonder kerstman gesteld. Na de revolutie werd het kerstfeest afgeschaft, en ik heb de kerstman nooit gemist. Wij hielden van onze Ded Moroz en Snegoerotsjka. Ze waren grappig. Pas toen ik ouder werd, begreep ik dat ze altijd straalbezopen waren, want overal waar ze werden ingehuurd, kregen ze een borrel. Dan zag je ze rondsloffen, zo rond oud en nieuw; ze hadden vaak gebroken neuzen of blauw geslagen ogen. Mijn vader huurde meestal de onderburen in, die haalden al rond november de pakken uit de kast en liepen er in februari nog in rond. Eigenlijk waren het verschrikkelijke wezens, ik heb nog nooit een nuchtere Ded Moroz gezien, of een schone. Zijn lange jas sleepte door de gesmolten sneeuw, of hij viel in plassen modder omdat hij zijn evenwicht verloor op het smeltijs. Maar wij kinderen deden het ermee. Ze waren nog altijd beter dan die gelikte kerstman, die schijnheilige. En nu moest ik toegeven dat ook ik de helden van mijn jeugd had verraden. Ik schroefde de dop op de fles en stak hem in mijn binnenzak. Ik moest haast maken; het begon al te dagen. Als een bezetene rende ik over de dichtbesneeuwde straten en op de Middelste Prospekt liep ik bijna onder een tram. Geen van de voetgangers had ook maar een flauw vermoeden van de missie die ik moest voltrekken. De alcohol steeg naar mijn hoofd. Als ik haar niet zou redden, dan zou niemand het doen.
Toen ik de rivier bereikte, kwam de zon al op boven de vesting.
Ontredderd speurde ik de brug af. Snegoerotsjka was verdwenen. Op de plaats waar ze had gehangen hing alleen een duimdikke ijspegel. Ik greep de railing vast en keek de diepte in. De grillige ijsmassa lag onverstoorbaar in de zon, en er was van alles in verklonken: takken, lege bierflesjes, lappen. Langzaam liet ik me door mijn knieën zakken en zette de fles cognac achter de balustrade. Het verkeer raasde achter mijn rug over de brug. Samen met de zeepaardjes staarde ik naar de Neva, hun stalen hoofden tegen het mijne.
'Alles is verloren’, riep ik huilerig. Niemand hoorde me, of ze wilden niet luisteren naar een sentimentele dronkaard. Iedereen was druk bezig met naar zijn werk te komen, geld te verdienen. Niemand merkte dat Snegoerotsjka ons had verlaten.
Misschien beginnen ze het nu langzamerhand te merken, maar het is te laat. De Russische winters zijn sinds die winter van 1995 nooit meer zo koud geweest, daar had Snegoerotsjka gelijk in. Afgelopen zomer dacht ik dat ik haar zag staan, op de Hooimarkt. Ze had een slagersjas aan en stond achter een kraam met in stukken gehakte zwijntjes. Ik durfde niets te zeggen, misschien was ze het wel niet. Ik kwam op haar af in de hoop dat ze mij zou herkennen, maar naar mij keek ze net zo onverschillig als de varkenskoppen in haar kraam.