Snel of langzaam dood

DJAKOVICA - Bij het laatste checkpoint voor Djakovica staan drie Albanese paard-en-wagens, met wat zakken meel en aardappelen. Na lang onderhandelen met de commandant en een uitvoerige controle door zwaarbewapende agenten, mag de eerste kar de stad in. Bij de volgende wagen begint alles opnieuw.

Al weken geleden eiste de internationale gemeenschap van de Joegoslavische president Milosevic vrijheid van beweging en communicatie voor alle inwoners in Kosovo. Daarvan is nog niets merkbaar. De Albanese bevolking wordt bij het in- en uitgaan van steden en dorpen volledig binnenste buiten gekeerd. Telefoonverbindingen zijn dagenlang onderbroken. Servische burgers reizen nauwelijks meer, want tientallen Serviërs zijn al ontvoerd door het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK).
Sinds een week doorkruisen westerse diplomaten, merendeels militaire attachees, Kosovo in gepantserde landrovers om te controleren of de wegen werkelijk open zijn. Hun wordt geen strobreed in de weg gelegd.
Het gebied rond Djakovica is UÇK-territorium. De stad zit propvol Servische troepen, buiten de stad heersen de guerrilla’s. Dat geldt ook voor Pec in het noord-westen (de tweede stad van Kosovo), Mitrovica (een strategisch belangrijke stad 35 kilometer ten noorden van de hoofdstad Pristina) en Prizren, Kosovo’s derde stad.
Officieel is de belangrijke hoofdweg van Pristina via Prizren naar Djakovica nog in Servische handen, maar het UÇK bestookt regelmatig Servische patrouilles. Kwetsbare legerkonvooien nemen een enorme omweg door het bergachtige gebied langs de Macedonische grens, waar het nog relatief veilig is. Ook voedseltransport en burgervervoer vindt nauwelijks meer over de hoofdweg plaats. Sinds het UÇK in het bezit is van moderne Duitse antitankwapens en luchtdoelgeschut - een guerrilla-eenheid toonde de wapens afgelopen week aan de New York Times - razen Servische patrouilles over de weg, onder dekking van zwaar mitrailleurvuur naar alle kanten. Tussen Prizren en Djakovica bewerkt geen mens nog de akkers langs de weg.
Halverwege Pristina en Prizren ligt het dorpje Crnoljevo. Alle huizen langs de weg zijn in puin geschoten. Van de moskee is weinig over. De minaret is geknakt, de koepel vertoont metersdiepe kraters. Een zwartgeblakerd huis vertoont sporen van een hevig vuurgevecht. Honderden kogelinslagen rond de ramen. Een maand geleden werd het UÇK het dorp uit gebombardeerd, maar de nacht voor we het passeren, werden Servische eenheden opnieuw vanuit Crnoljevo beschoten.
Een paar kilometer buiten het dorp zien we een Servische stelling in de heuvels, twee houwitsers onder camouflagenetten. Als we Prizren binnenrijden, komt een politiepatrouille langsgeraasd. Twee pantserwagens met snelvuurkanonnen. Vanuit de geschutskoepel houden agenten met mitrailleurs de omgeving in de gaten, zwarte doeken Rambo-achtig om hun hoofd geknoopt.
In Djakovica wonen vrijwel uitsluitend Albanezen, slechts één procent van de bevolking is Servisch. Benzine en vers voedsel zijn er schaars geworden. De wegen die naar het stadje leiden zijn hermetisch afgesloten met Servische checkpoints. Volgens Arban, leraar Engels, vrezen de Serviërs dat levensmiddelen en brandstof bij het UÇK terechtkomen. Arban: ‘Het is wel mogelijk om voedsel van buiten de stad te halen, maar smokkelen is levensgevaarlijk geworden. En langs officiële weg goederen halen kost een hoop geld. Met een paar duizend Duitse marken kun je een politie-officier omkopen. Soms leggen een aantal families geld bij elkaar zodat iemand met zijn wagen de stad uit kan.’
VOOR DE LDK, de democratische partij van Ibrahim Rugova, is het werk in Djakovica vrijwel onmogelijk geworden. LDK-activisten worden regelmatig gearresteerd en pas na urenlange ondervragingen weer vrijgelaten. Vanuit het plaatselijke partijkantoor houdt Mazllou Kumnova, de lokale LDK-voorzitter zo goed en zo kwaad als het gaat contact met Pristina. Kumnova: 'De Serviërs beschouwen onze partijleden als UÇK-strijders. Ze dwingen ons de illegaliteit in. Contacten met het UÇK hebben we nog niet, daar werken we aan.’
De LDK heeft in de dorpen rond Djakovica een netwerk van contactpersonen. Volgens hun informatie zijn rond de stad ongeveer tienduizend politie- en legertroepen actief. In de dorpen zijn paramilitaire eenheden gesignaleerd. Kumnova: 'Die zijn getraind om te doden. Eerst worden de dorpen gebombardeerd, dan komen de paramilitairen om iedereen die niet gevlucht is, de keel door te snijden. Wie het commando over die troepen voert, weet niemand. Waarschijnlijk moet je het heel dicht bij Milosevic zoeken.’
Aan het officiële LDK-standpunt - een vreedzame oplossing door onderhandelingen - laat Kumnova zich weinig gelegen liggen: 'De voedselsituatie is desastreus. Wat valt er te onderhandelen als mensen hun kinderen niet meer kunnen voeden? Er moet een humanitaire corridor komen om levensmiddelen aan te voeren. Als de contactgroep daar niet voor zorgt, zullen we het zelf moeten doen. Mensen die wanhopig zijn, nemen makkelijk de wapens op. En het UÇK moet je niet onderschatten.’
Voor Kumnova staan twee vlaggetjes op tafel, een Albanees en een Amerikaans. Maar in de internationale gemeenschap heeft hij weinig vertrouwen meer. 'De contactgroep heeft geëist dat de financiering van het UÇK vanuit de Albanese diaspora wordt stopgezet. Dat zou de doodklap zijn. Wie moet ons dan verdedigen? En ze willen een staakt-het-vuren. Net nu het UÇK aan het winnen is. Volgens onze informatie hebben de Serviërs in onze regio de laatste dagen meer dan honderd man verloren. Er melden zich steeds meer deserteurs bij ons. Die jongens kunnen het niet meer aan om onschuldige vrouwen en kinderen te doden. We hebben nog geen internationale waarnemers gezien, terwijl er hier toch aardig wat te observeren valt.’
OP DE WEG terug naar Pristina stuiten we op twee wagens van de Kosovo Observer Mission. Bij Crnoljevo stappen de waarnemers uit. Ze zijn afkomstig uit de Verenigde Staten, Rusland, Engeland, Nederland en België. Ze verzamelen zich rond hun tolk en praten wat met enkele schuchtere dorpelingen. De leider van de missie, de Britse militaire attachee uit Belgrado, staat ons toe foto’s van het verwoeste dorp te maken. Denkt hij dat Kosovo onder internationale rechtspleging valt?
Opeens verschijnen twee auto’s. Uit de ramen steken kalasjnikovs. Twaalf guerrilla’s stappen uit en nemen razendsnel posities in om de omgeving te beveiligen. De waarnemers reageren zenuwachtig, de tolk begint van schrik Engels tegen de UÇK-commandant te spreken en Servisch tegen de delegatieleden. De Brit kan opeens geen journalisten meer verdragen en scheldt ons de huid vol. Wegwezen, anders zullen gezichten vermorzeld en tanden gebroken worden. De UÇK-commandant slaat het tafereel verbaasd gade.
Terwijl de waarnemers praten met de zwijgzame guerrillaleider, maken wij kennis met de ondercommandant. Hij is Sloveen, nog voor geen procent Albanees. Hij vecht graag tegen Serviërs, dus doet hij dat nu in Kosovo. En dat verdient goed. Volgens het Albanese dagblad Koha Ditore strijkt een uit het buitenland afkomstige UÇK-commandant achttienduizend D-mark per maand op. Een soldaat verdient maandelijks tweeënhalfduizend mark. Ook dit gebied, nog geen vijftien kilometer van Pristina, staat onder controle van het UÇK.
Maar in 'de terroristen’ zijn de waarnemers niet geïnteresseerd, vertrouwt het Russische delegatielid dat zich zit te bedrinken in het door de Servische autoriteiten opgezette Medija Centar in Pristina, ons die avond toe. Het in kaart brengen van sporen van de oorlog, daar gaat het volgens hem om. In Djakovica was hem niets bijzonders opgevallen. 'Alles was intact en er liepen gewoon mensen op straat.’ De dertig dagen geleden verwoeste moskee in Cjernovolje, dát was erg.